ECLI:NL:RBGEL:2025:11674

ECLI:NL:RBGEL:2025:11674

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer C/05/460160 / JE RK 25-1235
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Blokkaderecht pleegouder, artikel 1:366a BW. De rechtbank is van oordeel dat de toestemming voor de wijziging in het verblijf van de minderjarige niet is gegeven door de pleegouder (oma). De GI heeft ten tijde van de verplaatsing ook niet de rechtbank om toestemming verzocht. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat ze dat alsnog verzoeken, met terugwerkende kracht, maar de rechtbank is van oordeel dat dat niet mogelijk is. De rechtbank merkt daarbij op dat de rechtbank ook overigens geen toestemming zou hebben gegeven als de GI dat tijdig verzocht had. De rechtbank benadrukt daarbij dat de GI weliswaar niet met de verkeerde intenties heeft gehandeld, maar de handelswijze van de GI onvoldoende zorgvuldig is geweest. Bovendien is goede verslaglegging achterwege gebleven zodat de handelswijze van de GI ook niet transparant of controleerbaar is. Mede daarom heeft de voorzieningenrechter in kort geding geoordeeld dat de GI de proceskosten van de oma van het door haar gestarte kort geding moet betalen (C/05/460084 / KG ZA 25/439) Zie: ECLI:NL:RBGEL:2025:11673

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/05/460160 / JE RK 25-1235

Datum uitspraak: 17 december 2025

Beschikking over toestemming wijziging verblijfplaats

in de zaak van

de gecertifieerde instelling Jeugdbescherming Gelderland

gevestigd te Ede,

hierna te noemen: de GI,

over

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[naam oma] , oma/pleegouder,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: oma,

advocaat: mr. N.S. van der Vliet te Rotterdam.

De rechtbank merkt als informant aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 december 2025;

het bericht van de GI van 4 december 2025;

het bericht van de rechtbank van 10 december 2025 aan de GI, met een kopie naar mr. Van der Vliet;

het verweerschrift namens oma, met als bijlagen producties 1 t/m 5, ontvangen op 15 december 2025;

productie 6 namens oma, ingediend op 16 december 2025.

De GI heeft de rechtbank op 4 december 2025 bericht dat zij het verzoek al op 27 november 2025 heeft ingediend, maar dat er administratief iets mis was gegaan waardoor het verzoek (opnieuw) is ingediend op 3 december. Bij de rechtbank is slechts een verzoek bekend dat is binnengekomen op 3 december 2025. De rechtbank heeft de GI daarop laten weten dat de rechtbank er daarom van uit dat het verzoek is ingediend op 3 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

oma, bijgestaan door haar advocaat;

de moeder;

een vertegenwoordigster van de GI.

Tijdens de mondelinge behandeling is gelijktijdig behandeld het kort geding dat door oma is gestart tegen de GI waarbij oma vordert dat [minderjarige] wordt teruggeplaatst bij haar (zaaknummer: C/05/460084 / KG ZA 25/439). Op dit verzoek is bij apart vonnis beslist. De beslissingen in beide zaken zijn echter wel gelijktijdig uitgesproken tijdens de mondelinge behandeling op 17 december 2025.

2. De feiten

Bij beschikking van 21 april 2023 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de GI.

[minderjarige] verbleef tot 4 september 2025 bij oma. Daarna is [minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst. Op 24 september 2025 is hij overgeplaatst naar een gezinshuis.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 17 december 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [minderjarige] per direct teruggeplaatst moet worden bij de oma, en is de GI veroordeeld is het betalen van de proceskosten.

3. Het verzoek en het verweer

De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Oma voert verweer tegen het verzoek van de GI. Zij verzoekt de rechtbank om het verzoek van de GI af te wijzen. Dat dient tot gevolg te hebben dat [minderjarige] per direct weer wordt teruggeplaatst bij oma.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Wat is het juridisch kader?

Artikel 1:336a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat indien een minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorend tot het gezin met instemming van de voogd ten minste één jaar is verzorgd en opgevoed geworden, de voogd niet zonder toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het hoofdverblijf van de minderjarige kan aanbrengen. Dit wordt het blokkaderecht van de pleegouder(s) genoemd.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor zover de in het eerste lid vereiste toestemming niet wordt verkregen, die toestemming op verzoek van de voogd door die van de rechtbank kan worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd als de rechtbank dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

Wat ging vooraf?

Zoals gezegd, woont [minderjarige] al bijna zijn hele leven bij oma. De moeder van [minderjarige] , dochter van oma, woonde ook bij oma. Oma had als het ware een dubbelrol: enerzijds oma van [minderjarige] maar ook (mede)opvoeder van [minderjarige] én hulpverlener en moeder van haar dochter. Nadat in juli van dit jaar de spanningen opliepen tussen oma en de moeder, heeft oma bij de GI om advies gevraagd en de GI om hulp verzocht. De GI had daarna zorgen over de mentale gezondheid van de moeder in combinatie met haar opvoedersrol, maar ook over de belastbaarheid van oma, in combinatie met de gezondheid van oma. Oma heeft bij de GI aangegeven dat zij er doorheen zat en haar grens was bereikt. Er zijn met de toenmalige gezinsvoogd gesprekken gevoerd met oma en moeder waarbij verschillende opties zijn besproken. Op 4 september 2025 is [minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst.

Was er blokkaderecht?

De rechtbank stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door oma wordt opgevoed en verzorgd. Oma zorgt al, al dan niet samen met de moeder, voor [minderjarige] sinds zijn geboorte. Dat betekent dat de GI [minderjarige] niet mocht verplaatsen zonder toestemming van oma of, als oma niet zou instemmen, van de rechtbank.

Heeft oma toestemming gegeven?

Ter discussie staat allereerst of oma expliciet of impliciet toestemming heeft gegeven voor een wijziging van het verblijf van [minderjarige] .

Oma heeft duidelijk toegelicht hoe de dagen voorafgaand aan de crisisplaatsing zijn verlopen. In het bijzonder benoemde zij het overleg met de gezinsvoogd waarbij oma de verschillende opties naar voorkeur moest benoemen en oma als eerste voorkeur aangaf dat haar dochter ergens anders zou gaan wonen en [minderjarige] bij haar zou blijven. Oma stelt in de procedure dat de toenmalige gezinsvoogd verder in overleg zou gaan over de optie dat moeder ergens anders zou gaan wonen en oma de volledige zorg op zich zou nemen. Oma stelt ook dat – ondanks navraag van haar op 1 september 2025 – er nog geen uitkomst was van dit overleg door de gezinsvoogd. Vervolgens is [minderjarige] op 4 September 2025 per direct in een crisispleeggezin geplaatst.

De GI stelt dat oma toestemming heeft gegeven doordat oma expliciet aangaf dat er “iets moest gebeuren”. De GI is er hierdoor van uitgegaan dat oma achter de verplaatsing van [minderjarige] stond, te meer ook omdat oma [minderjarige] vervolgens zelf naar het crisispleeggezin heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat oma de toestemming heeft gegeven om [minderjarige] te verplaatsen. Doordat er vanuit de GI geen verslaglegging is opgesteld en de destijds betrokken gezinsvoogd inmiddels met verlof is, heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling haar stelling dat wel sprake was van toestemming onvoldoende kunnen onderbouwen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat áls oma al mondeling heeft ingestemd met de verplaatsing, het op de weg van de GI had gelegen om één en ander schriftelijk te bevestigen/vast te leggen vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en controleerbaarheid. Ook de vele wisselingen van gezinsvoogden in de afgelopen periode maakten dit noodzakelijk. Dat oma [minderjarige] zelf heeft weggebracht, gaat ook niet op als reden om te veronderstellen dat oma impliciet toestemming heeft gegeven. Juist omdat alles zo hectisch was, heeft oma ervoor gekozen om [minderjarige] zelf rustig weg te brengen. Daaruit getuigt naar het oordeel van de rechtbank juist dat de oma in het belang van [minderjarige] heeft gedacht.

Kan de rechtbank met terugwerkende kracht toestemming geven?

De rechtbank is van oordeel dat de toestemming, zoals omschreven in artikel 1:366a BW lid 1, niet is gegeven door oma. Op basis daarvan had de GI op grond van lid 2 van dat artikel de toestemming moeten vragen aan de rechtbank. Ook dat is niet gebeurd. De GI heeft nu tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat ze dat alsnog verzoeken, met terugwerkende kracht, maar de rechtbank is van oordeel dat dat niet mogelijk is.

De rechtbank wijst daarom het verzoek van de GI af en dat betekent dat er geen toestemming is voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en dat betekent concreet dat [minderjarige] per direct terug moet naar oma.

Zou de GI destijds toestemming hebben gekregen of dit nu alsnog kunnen krijgen?

De rechtbank zou overigens ook geen toestemming hebben gegeven als de GI dit tijdig gevraagd had, of dit nu alsnog zou doen voor de huidige plaatsing in het gezinshuis. Deze vraag ligt formeel niet ter beantwoording voor. Toch vindt de rechtbank het van belang hierover een overweging op te nemen om zo te benadrukken dat niet alleen sprake is van een formeel juridische toets, maar de kinderrechter ook het belang van [minderjarige] hierin heeft betrokken.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat er nooit zorgen zijn geweest over de opvoedvaardigheden van oma. Er waren wel zorgen, maar die zagen op de relatie en de dynamiek tussen oma en de moeder. De rechtbank kan wel volgen dat ruzies tussen oma en de moeder niet in het belang van [minderjarige] zijn en de rechtbank acht het ook aannemelijk dat [minderjarige] daar het een en ander van heeft meegekregen. Er is echter nergens uit gebleken dat dit van dusdanig zorgelijke aard was dat [minderjarige] per direct bij de oma weggehaald moest (of zou moeten) worden. Er waren kennelijk minder ingrijpende opties aanwezig, zoals bijvoorbeeld het vertrek van moeder, in plaats van het vertrek van [minderjarige] , opvoedondersteuning of een ander soort van hulpverlening. Daarnaast, totdat oma aan de bel trok en zelf om hulp vroeg, heeft oma al een hele tijd mede voor de opvoeding van [minderjarige] gezorgd en zijn er vanuit de zijde van de GI kennelijk geen zorgen geregistreerd over de opvoedsituatie van [minderjarige] . De rechtbank overweegt daarbij dat het een hele moedige stap van oma is geweest om om hulp te vragen dat zij ook daarmee het belang van [minderjarige] voorop heeft gesteld.

De rechtbank volgt niet het standpunt van de GI dat de netwerkscreening – die inmiddels gestart is maar waarvan niet bekend is wanneer die wordt afgerond – afgewacht moet worden voordat [minderjarige] eventueel terug kan naar oma. Een onderdeel van die screening is juist het onderzoeken van de belastbaarheid van oma en dat kan ook, misschien zelfs beter, onderzocht worden als [minderjarige] (weer) bij oma woont. Er is een (klein) risico dat uit de screening naar voren komt dat de opvoedsituatie bij oma niet is wat [minderjarige] nodig heeft en waaruit geconcludeerd kan worden dat [minderjarige] elders moet opgroeien. De rechtbank heeft echter onvoldoende concrete aanleidingen om dat nu te veronderstellen en daarom de afronding van de screening af te wachten. De rechtbank vindt het belang van [minderjarige] om te wonen bij zijn oma aan wie hij is gehecht zwaarwegender. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij nu elders woont, namelijk bij haar opa en oma vaderszijde, en dat zij daar ook blijft totdat ze een eigen of andere woonplek heeft. Zij gaat in ieder geval niet meer terug naar oma en daarover zijn ook duidelijke afspraken gemaakt waar zowel oma als de moeder achter staan. Zowel de moeder als oma hebben ook tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat de moeder in ieder geval niet meer bij oma (haar moeder) gaat wonen. Dat betekent dat de directe bron van de zorgen – de spanning tussen oma en moeder – grotendeels is verdwenen terwijl al was gebleken dat oma de zorg voor [minderjarige] goed aan kan en daarover geen zorgen bestonden. Ook heeft oma toegezegd dat zij voor [minderjarige] wil blijven zorgen, ook als dat betekent dat zij de eerstverantwoordelijke opvoeder is en [minderjarige] bij haar opgroeit.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat het gelet op het belang van [minderjarige] niet noodzakelijk was zijn verblijf te wijzigen en dat nu nog steeds niet is. Het verzoek van GI wordt daarom afgewezen en dat betekent dat [minderjarige] terug moet naar oma. De rechtbank benadrukt daarbij dat de GI weliswaar niet met de verkeerde intenties heeft gehandeld, maar de handelswijze van de GI onvoldoende zorgvuldig is geweest. Bovendien is goede verslaglegging achterwege gebleven zodat de handelswijze van de GI ook niet transparant of controleerbaar is. Mede daarom heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de GI de proceskosten van de oma van het door haar gestarte kort geding moet betalen.

De rechtbank heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling benoemd dat het begrijpelijk is dat oma [minderjarige] meteen na de mondelinge behandeling op wil halen bij het gezinshuis, maar de rechtbank vraagt zich wel af of dat in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank acht het voorstelbaar dat oma daarover eerst overlegt met de GI en de gezinshuisouders om ervoor te zorgen dat [minderjarige] op een rustige manier afscheid kan nemen van de gezinshuisouders en de andere kinderen die daar verblijven.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de GI af en verleent geen toestemming tot wijziging van het verblijf van [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door

mr. M.G.J. Post, kinderrechter, in aanwezigheid van L. Stoevenbelt als griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?