RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/451358 / HZ ZA 25-119
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E.T. van Dalen,
tegen
[gedaagde] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.D.E. Karneris.
1. De zaak in het kort
[eiseres] stelt schade te hebben geleden, doordat een bepaalde subsidie niet is aangevraagd. [eiseres] vordert ter zake schadevergoeding van [gedaagde] , omdat [gedaagde] de verplichting zou hebben aanvaard om deze subsidieaanvraag te verrichten. [gedaagde] betwist dat zij van [eiseres] opdracht heeft gekregen om de subsidie aan te vragen.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] de subsidieaanvraag zou verrichten. De vorderingen van [eiseres] moeten daarom worden afgewezen. Dit oordeel wordt hierna verder uitgewerkt.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025,
- het bericht van 10 oktober 2025 met productie 5 van [gedaagde] ,- het bericht van 13 oktober 2025 met producties 23 t/m 42 van [eiseres] ,- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eiseres] bezit, beheert en onderhoudt de clubgebouwen van sportpark [eiseres] in [plaats] . [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is voorzitter van deze stichting.
[gedaagde] is leverancier van zonnepanelen. Zij levert zonnepanelen aan (klanten van) installatiebedrijven waaronder firma [bedrijf 1] uit [plaats] (hierna: “ [bedrijf 1] ”).
In 2022/2023 heeft [eiseres] zonnepanelen laten plaatsen op het dak van het clubgebouw. Hiervoor heeft zij [bedrijf 1] ingeschakeld.
[eiseres] wist dat de mogelijkheid bestond om voor de op te wekken en terug te leveren energie subsidie aan te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Dit betreft de zogenaamde SDE+++ subsidie (hierna: “de subsidie”).
Bij e-mailbericht van 14 juni 2022 heeft [bedrijf 1] (bij schrijven van [naam 2] , hierna: [naam 2] ) een (herziene) offerte toegezonden aan [naam 1] voor de installatie van zonnepanelen. In de begeleidende tekst bij dit e-mailbericht staat dat [bedrijf 1] de subsidie aanvragen laat doen door [gedaagde] en dat [naam 3] (hierna: [naam 3] ), hierover verder contact zal opnemen (productie 1 van [eiseres] ).
Per e-mailbericht van 24 juni 2022 heeft [eiseres] (bij schrijven van [naam 1] ) gevraagd aan [bedrijf 1] of het handig is om de subsidie direct per 28 augustus 2022 aan te vragen om te voorkomen dat de subsidiepot later leeg zal zijn.
Op 26 juni 2022 heeft [bedrijf 1] (bij schrijven van [naam 2] ) gereageerd op voornoemd e-mailbericht met de mededeling dat zij de subsidieaanvraag compleet uit handen heeft gegeven aan [gedaagde] en dat [naam 3] heeft geprobeerd hierover contact te leggen met [naam 1] , maar hem niet heeft kunnen bereiken (productie 3 van [eiseres] ).
Bij e-mailbericht van 4 juli 2022 heeft [naam 3] namens [gedaagde] een machtigingsformulier toegezonden aan [naam 1] voor de aanvraag van de subsidie (hierna: de machtiging). In de begeleidende tekst van deze mail staat -voor zover relevant-:
“Zoals besproken, hierbij een machtigingsformulier. Ook ontvang ik graag het IBAN rekeningnummer waar de subsidie op terecht moet komen.”
In reactie op voornoemde mail heeft [naam 1] nog op dezelfde dag het ingevulde en ondertekende machtigingsformulier teruggezonden aan [naam 3] (productie 4 van [eiseres] ).
Op 15 juli 2022 heeft [gedaagde] een aan haar gerichte offerte, afkomstig van [bedrijf 2] te [plaats] (hierna: [bedrijf 2] ), aan [eiseres] doorgezonden. [bedrijf 2] is een bedrijf dat constructieberekeningen maakt die nodig zijn voor zowel de plaatsing van de zonnepanelen als voor de subsidieaanvraag. [eiseres] heeft de offerte op 8 augustus 2022 ondertekend en op 19 oktober 2022 heeft [gedaagde] op verzoek van [naam 1] de door [bedrijf 2] opgestelde constructieberekening doorgezonden aan [eiseres] , omdat deze per abuis niet direct aan [eiseres] was gericht (productie 2 en 3 [gedaagde] ).
Op 28 december 2022 heeft [eiseres] de (definitieve) offerte van [bedrijf 1] voor de installatie van de zonnepanelen ondertekend. Daarna heeft [bedrijf 1] de voor de aanleg benodigde zonnepanelen besteld bij [gedaagde] .
Op 6 februari 2023 is [bedrijf 1] begonnen met de installatie van de zonnepanelen en op 27 februari 2023 is de installatie afgerond.
De subsidie is niet aangevraagd.
Bij brief van 28 mei 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] geschreven dat zij meent dat [gedaagde] schadeplichtig is tegenover haar wegens het in gebreke blijven bij de uitvoering van de aan haar verstrekte opdracht om de subsidie aan te vragen (productie 10 van [eiseres] ).
Per e-mailbericht van 23 augustus 2024 heeft [gedaagde] de aansprakelijkheid voor de door [eiseres] gestelde schade van de hand gewezen (productie 12 van [eiseres] ).
4. Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen:
I. een bedrag in hoofdsom van € 62.515,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 mei 2024 tot de dag van volledige betaling,
II. de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.694,18 (1.400,15 ex BTW + 294,03 BTW) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
III. de proceskosten, waaronder de nakosten.
[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] een door [eiseres] aan haar verstrekte opdracht om de subsidie voor haar aan te vragen niet (dan wel niet correct) heeft uitgevoerd en in dat opzicht toerekenbaar jegens [eiseres] is tekortgeschoten. [eiseres] stelt daardoor schade te hebben geleden.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de wettelijke rente over deze kosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis door eiseres aan [gedaagde] zijn betaald.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Tussen partijen is geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen
De overeenkomst van opdracht wordt wettelijk gedefinieerd in artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit het eerste lid van dit wetsartikel blijkt dat er sprake moet zijn van een overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens een andere partij, de opdrachtgever, verbindt – kort gezegd – werkzaamheden te verrichten.
[eiseres] stelt in de dagvaarding dat de overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen door middel van de offerte van [bedrijf 2] die aan [gedaagde] is gezonden en die vervolgens door [eiseres] is ondertekend in combinatie met de door [eiseres] aan [gedaagde] afgegeven machtiging (zie: randnummers 13 en 36 van de dagvaarding). Daarnaast stelt [eiseres] in de dagvaarding dat begin juli 2022 het contact tussen [naam 1] en [naam 3] tot stand is gekomen en dat destijds door [eiseres] aan [gedaagde] opdracht is gegeven om de subsidie namens haar aan te vragen.
Ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd een nadere toelichting op deze stellingen gegeven. [naam 1] heeft in dat verband verklaard dat hij in eerste instantie aan [bedrijf 1] heeft gevraagd om het subsidieverzoek in te dienen, dat [bedrijf 1] toen heeft aangegeven dat zij dat niet zelf doet en dat [gedaagde] dat zou doen, dat hij vervolgens op 4 juli 2022 is gebeld door [naam 3] , dat in dat telefoongesprek is besproken dat [eiseres] een subsidieaanvraag wilde, dat [naam 3] zou hebben aangegeven dat hiervoor een machtigingsformulier moest worden ingevuld en dat [naam 3] vervolgens na afronding van het telefoongesprek gelijk de onder 3.8 genoemde mail heeft gestuurd. In de beleving van [eiseres] was de opdrachtverstrekking toen rond. Daarnaast wijst [eiseres] op de betrokkenheid van [gedaagde] bij het opmaken van de constructieberekening door [bedrijf 2] en op correspondentie van ná juli 2022 tussen haar en [gedaagde] (producties 6 en 7 van [eiseres] ).
[gedaagde] betwist (bij gebrek aan wetenschap) dat op 4 juli 2022 telefonisch een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Als productie 5 heeft [gedaagde] een verklaring overgelegd van [naam 3] waarin hij schrijft dat hij zich geen telefoongesprek met [naam 1] van [eiseres] herinnert, laat staan een telefoongesprek waarin de opdracht is aanvaard om een subsidievraag in te dienen.
Uit de hiervoor onder 3.8 weergegeven e-mail blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat er telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [naam 1] en [naam 3] . Dat [naam 3] zich dat niet meer kan herinneren, maakt dat niet anders. Ten aanzien van de inhoud van dit telefoongesprek heeft de rechtbank geen andere informatie dan de stellingen van [eiseres] . Op basis van deze stellingen kan echter, ook indien van de juistheid hiervan wordt uitgegaan, niet worden geoordeeld dat er tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Meer concreet kan uit de stellingen van [eiseres] , zoals hiervoor weergegeven onder 5.3, zowel niet worden afgeleid dat in dit telefoongesprek i) een opdracht is aangenomen door [gedaagde] als ii) dat deze opdracht is verstrekt door specifiek [eiseres] .
Ten aanzien van het oordeel dat uit de stellingen van [eiseres] niet kan worden afgeleid dat in het telefoongesprek een opdracht is aangenomen door [gedaagde] , overweegt de rechtbank als volgt.
[gedaagde] wijst er in dit kader terecht op dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verstrekken van een bevoegdheid aan [gedaagde] om [eiseres] te vertegenwoordigen als gevolmachtigde (art. 3:60 BW) en het al dan niet tot stand komen van een overeenkomst van opdracht (conform art. 7:400 e.v. BW). Meer concreet: dat er een bevoegdheid is verstrekt om een andere partij te vertegenwoordigen, betekent nog niet dat de gevolmachtigde partij ook de opdracht heeft gekregen om van die volmacht gebruik te maken en dat die opdracht vervolgens ook door hem is aanvaard.
Er zijn in dit concrete geval bovendien omstandigheden die maken dat het ook niet zonder meer voor de hand ligt dat het door [gedaagde] bij [eiseres] vragen om een ingevuld machtigingsformulier wijst op het door haar aanvaarden van een overeenkomst van opdracht. [gedaagde] heeft namelijk onweersproken gesteld dat haar gebruikelijke werkwijze is dat zij subsidieaanvragen verricht voor een installateur en niet voor de eindklant. Tegen de achtergrond dat [gedaagde] via [bedrijf 1] de contactgegevens heeft verkregen van [eiseres] en zelf het initiatief heeft genomen voor het leggen van contact, is het niet onlogisch dat [gedaagde] – in afwachting van een nog door [bedrijf 1] te verstrekken opdracht – een voor de feitelijke subsidieaanvraag vereiste machtiging alvast heeft opgevraagd bij [eiseres] . Het door [gedaagde] opvragen van een machtiging bij [eiseres] vormt daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat [gedaagde] zich er al toe had verbonden om de subsidieaanvraag daadwerkelijk te verrichten. Aangezien [eiseres] wist van de hiervoor geschetste achtergrond waartegen het contact van [gedaagde] met haar plaatsvond, mocht [eiseres] hier ook niet van uitgaan.
Ten aanzien van het oordeel dat uit de stellingen van [eiseres] niet kan worden afgeleid dat specifiek door [eiseres] een opdracht is verstrekt, overweegt de rechtbank als volgt.
Dat [gedaagde] in het telefoongesprek met [eiseres] heeft gevraagd om een ingevuld machtigingsformulier en een rekeningnummer, zegt hooguit iets over de intentie die bestond om in naam van [eiseres] een subsidieaanvraag te verrichten, maar niets over in wiens opdracht [gedaagde] dat zou doen. Gelet op de hiervoor geschetste wijze waarop het contact tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand is gekomen en de betrokkenheid van [bedrijf 1] daarbij, ligt het zelfs veel meer voor de hand dat een eventuele opdracht niet rechtstreeks door [eiseres] maar door [bedrijf 1] zou worden verstrekt. Bovendien heeft [eiseres] – die ermee bekend was dat [gedaagde] via [bedrijf 1] met in haar in contact was gekomen – niet gesteld dat [naam 1] in het telefoongesprek met [naam 3] op dit punt om verduidelijking heeft verzocht of expliciet heeft gemaakt dat [eiseres] – en niet [bedrijf 1] – aan [gedaagde] opdracht wil geven om de subsidieaanvraag te verzorgen.
[gedaagde] heeft bovendien gewezen op diverse uitlatingen van [eiseres] (bij schrijven van [naam 1] ) waaruit blijkt dat ook [eiseres] niet in de veronderstelling verkeerde dat er een opdrachtrelatie tussen hen bestond. Hiervoor wordt verwezen naar de volgende stukken:
a. Op 11 december 2023 mailt [naam 1] aan [gedaagde] (productie 4 van [gedaagde] ):
“[bedrijf 1] heeft de installatie van de zonnepanelen op [eiseres] in [plaats] afgerond, en conform eerdere contacten zouden jullie de ISDE aanvraag daarvoor afwikkelen ( [naam 3] ). Door een communicatiefout ging ik er vanuit dat [bedrijf 1] dat zou regelen en zij gingen er van uit dat ik dat rechtstreeks met jullie zou regelen.”
Op 4 september 2024 mailt [naam 1] aan [gedaagde] (productie 13 van [eiseres] ):
“Onze leverancier en installateur van de zonnepanelen, [bedrijf 1] , heeft de aanvraag van de SDE++ subsidie uitbesteed aan uw onderneming, zij laat mij op 26 juni 2022 weten dat [naam 3] hierover contact met mij gaat opnemen namens [gedaagde] en dat hij inmiddels opdracht aan [gedaagde] heeft verstrekt om een vermogensberekening te specificeren, hij laat mij weten dat uw onderneming daar op dat moment reeds mee bezig is, deze is door u uitgevoerd met als projectnaam (…).
Ik heb daarna telefonisch contact gehad met [naam 3] , die mij verzocht heeft om een machtiging af te geven, zodat [gedaagde] daarna als gevolmachtigde van de Stichting de gehele aanvraag zou kunnen verzorgen en indienen.”
Uit deze berichten blijkt dat [eiseres] er lange tijd van uit is gegaan dat [bedrijf 1] (en zij zelf dus niet) een opdracht had verstrekt voor de subsidieaanvraag terwijl dit in werkelijkheid -kennelijk- niet het geval was. Tegen deze achtergrond heeft [eiseres] onvoldoende concreet gesteld wat er in het telefoongesprek is besproken dat de conclusie rechtvaardigt dat in dat gesprek door haar opdracht is gegeven aan [gedaagde] om de subsidie aan te vragen.
[eiseres] heeft nog betoogd dat de opdrachtrelatie tussen haar en [gedaagde] zou blijken uit latere gedragingen van [gedaagde] . Dit betoog slaagt niet.
De enkele betrokkenheid van [gedaagde] bij het opvragen van de offerte bij [bedrijf 2] ten behoeve van [eiseres] wijst niet op een opdrachtrelatie tussen partijen met betrekking tot de subsidieaanvraag. Relevant voor dit oordeel is dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft toegelicht dat een constructieberekening niet wijst op een subsidieaanvraag, omdat door haar bij elk zonnepanelenproject een constructieberekening wordt geadviseerd. Dit betekent dat de bemiddeling van [gedaagde] bij die constructieberekening geen aanwijzing vormt dat zij een opdracht heeft aanvaard voor het verzorgen van een subsidieaanvraag. Bovendien vormt deze betrokkenheid – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de beweegredenen van [gedaagde] tegen de achtergrond van de rol van [bedrijf 1] – geen aanknopingspunt voor het oordeel dat [eiseres] deze opdracht aan [gedaagde] zou hebben verstrekt.
Ook de door [eiseres] als producties 6 en 7 overgelegde correspondentie vormt geen onderbouwing van de gestelde opdrachtrelatie. Productie 6 omvat een reactie van [gedaagde] van november 2022 op een (niet in het geding gebrachte) vraag van [eiseres] waarin [gedaagde] verklaart te kampen met een groot aantal subsidieaanvragen waardoor zij minder snel kan reageren als gebruikelijk. Productie 7 – een mail van februari 2024 – omvat een bevestiging van [gedaagde] van de ontvangst van een mail van [naam 1] en een toezegging van [gedaagde] dat aan een medewerker die over de subsidieaanvragen gaat, navraag zal worden gedaan naar de stand van zaken. Uit deze producties volgt niet dat [gedaagde] uitlatingen heeft gedaan waaruit zou blijken dat zij dacht van [eiseres] een opdracht te hebben ontvangen voor het aanvragen van de subsidie, zoals [eiseres] kennelijk meent.
Slotsom
Omdat niet is gebleken dat er een overeenkomst van opdracht tussen partijen bestaat, kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. Alle vorderingen van [gedaagde] stuiten af op dit oordeel.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.601,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
GW/ES