ECLI:NL:RBGEL:2025:11676

ECLI:NL:RBGEL:2025:11676

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer C/05/453772
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Erfrecht. Onrechtmatigheid schenkingen bij leven erflaatster niet komen vast te staan. Afwijzing vorderingen eiser. Geldbedragen hoeven niet te worden teruggestort op ervenrekening.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/453772 / HZ ZA 25-176

Vonnis van 10 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. R. Plieger,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2],

te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3],

te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4],

te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

advocaat: mr. M.J. Germs.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 8 oktober 2025,

- de akte overlegging producties 5 en 6 van gedaagden,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn de kinderen, geboren uit het huwelijk van [moeder] (hierna: moeder) en [vader] (hierna: vader).

Op [datum] 2007 is vader overleden.

Op 11 maart 2008 heeft moeder aan [gedaagde 2] een notariële volmacht verstrekt om haar bankzaken te regelen.

Moeder heeft (laatstelijk) bij testament van 15 oktober 2014 beschikt over haar nalatenschap. In dit testament heeft zij al haar kinderen benoemd tot erfgenaam, ieder voor een gelijk deel. Verder heeft zij [gedaagde 2] en [gedaagde 4] benoemd als executeurs/afwikkelingsbewindvoerders van haar nalatenschap.

In de periode tussen 2018 en januari 2024 zijn er vanaf de bankrekening van moeder geldbedragen overgemaakt naar de bankrekeningen van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . [gedaagde 1] en [eiser] hebben geen geldbedragen van de bankrekening van moeder overgemaakt gekregen.

Moeder woonde tot 2020 zelfstandig en is daarna verhuisd naar een zorgvoorziening waar zij tot aan haar overlijden heeft gewoond.

Op [datum] 2024 is moeder overleden. Na overlijden van moeder hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] beiden de testamentaire benoeming tot executeurs/afwikkelingsbewindvoerders aanvaard.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat: [gedaagde 2] een bedrag van € 62.400,00, [gedaagde 3] een bedrag van € 29.100,00 en [gedaagde 4] een bedrag van € 22.500,00 als schuld aan de nalatenschap van moeder moeten voldoen en zal bepalen dat bij hetgeen nog moet gebeuren in het kader van de verdeling van de nalatenschap van moeder het totaalbedrag van € 114.000,00 moet worden verdeeld onder de erfgenamen van moeder, in die zin dat eenieder daarvan 1/5 deel toekomt, namelijk € 22.800,00, althans een zodanige afwikkeling van de nalatenschap te bepalen waarvan de rechtbank meent dat deze juist is met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat moeder in de periode van de betalingen aan [gedaagde 4] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet in staat was haar financiële belangen te behartigen en dat [gedaagde 4] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door van de rekeningen van moeder betalingen aan zichzelf te verrichten of laten verrichten en dat de door hen verkregen bedragen onverschuldigd zijn betaald c.q. verkregen uit onrechtmatig handelen van hen. Daarom dienen de bedragen te worden voldaan aan de nalatenschap en alsnog door alle erfgenamen te worden verdeeld.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Tussen partijen staat niet ter discussie dat vanaf de bankrekening van moeder bedragen zijn overgemaakt naar de bankrekeningen van [gedaagde 4] , [gedaagde 3] en [gedaagde 2] . Bij die overmakingen staat als omschrijving “gift mama”, “cadeau mama” of “gift kleinkinderen”.

Gedaagden betwisten de stelling van [eiser] dat moeder in de periode waarin de overboekingen hebben plaatsgevonden haar financiële belangen niet zelf kon behartigen en, in het verlengde daarvan, dat geldsommen onrechtmatig aan het vermogen van moeder zijn onttrokken. Volgens gedaagden deed moeder haar financiële zaken zelf totdat ze vanwege lichamelijke problemen in de zorgvoorziening ging wonen. Volgens gedaagden was moeder tot haar overlijden helder van geest en psychisch in goede gezondheid. Eenmaal in de zorgvoorziening hebben [gedaagde 4] en [gedaagde 2] op verzoek van en in overleg met moeder haar financiële zaken behartigd. Haar jaarlijkse belastingaangiftes werden verzorgd door [bedrijf 1] De litigieuze overboekingen zijn op verzoek van en in het bijzijn van moeder verricht, waarbij qua hoogte van de bedragen rekening is gehouden met de jaarlijkse belastingvrije voet voor schenkingen aan (klein)kinderen, aldus nog steeds gedaagden.

Volgens gedaagden was moeder tot aan haar dood helder van geest en psychisch in goede gezondheid. Zij was zich volgens hen bewust van alle af- en bijschrijvingen die zijn gedaan vanaf en naar haar bankrekening. Omdat moeder op enig moment lichamelijk niet meer in staat was om op zichzelf te wonen en zichzelf te verzorgen, is zij verhuisd naar een verzorgingstehuis. Verder wijzen gedaagden erop dat moeder al jarenlang geen contact meer had met [eiser] en [gedaagde 1] en dat het haar vrij stond om alleen te schenken aan (klein)kinderen met wie zij contact had en dat zij dat ook wilde.

Ter onderbouwing van dit verweer hebben zij als productie 3 -onder andere- een verklaring overgelegd van [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna: [naam 1] ) en als productie 4 een e-mailbericht van een medewerker van de Rabobank. Op deze producties wordt hierna -voor zover van belang voor de beoordeling- ingegaan.

Het volgende wordt overwogen. Uitgangspunt is dat het moeder vrij stond door haar gewenste schenkingen aan haar kinderen te doen. Volgens [eiser] waren de overboekingen niet overeenkomstig de wens van moeder en volgens gedaagden wel. De bewijslast van zijn stellingen rust op [eiser] .

De stelling van [eiser] dat moeder in de periode van de overboekingen die hij ter discussie stelt, niet zelf in staat was haar financiële belangen te behartigen, hebben gedaagden gemotiveerd betwist en heeft [eiser] niet concreet onderbouwd. In dit verband wordt overwogen dat [eiser] niet expliciet heeft gesteld dat moeder ten tijde van de schenkingen niet wilsbekwaam was. [eiser] heeft wel verklaard dat moeder tijdens een bezoek van hem aan haar in 2022 veel herhaalde en - kort gezegd – geen heldere indruk op hem maakte, maar dit is onvoldoende concreet om enige conclusie over haar wilsbekwaamheid te kunnen trekken. Dat moeder behandelingen voor borstkanker onderging en leeftijd gerelateerde en psychische klachten had en haar laatste levensjaren in een zorgvoorziening verbleef, zijn al evenmin aanwijzingen voor moeders wilsonbekwaamheid.

Ter onderbouwing van de betwisting door gedaagden hebben zij in het geding gebracht verklaringen van [naam 1] van [bedrijf 1] en van [naam 2] van de Rabobank. Eerstgenoemde verklaring is weliswaar geen medische verklaring en daaraan komt dus wat betreft de wilsbekwaamheid van moeder slechts beperkte bewijskracht toe, maar deze biedt wel enige steun aan het verweer van gedaagden op het punt van de wilsbekwaamheid. En laatgenoemde verklaring dat geen financieel misbruik is gepleegd in verband met de bankrekeningen van moeder biedt steun aan het verweer van gedaagden dat de schenkingen overeenkomstig de wil van moeder zijn.

Omdat [eiser] zijn standpunt dat moeder haar financiële belangen niet kon behartigen, onvoldoende heeft onderbouwd en omdat hij geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, waarbij hij heeft gesteld niet over medische gegevens te beschikken, zal [eiser] niet tot bewijs worden toegelaten.

Dat moeder niet in staat was haar financiële belangen te behartigen, is daarom niet in rechte komen vast te staan.

[eiser] onderbouwt zijn stelling dat de schenkingen onrechtmatig zijn, ook door aan te voeren dat moeder haar leven lang de kinderen gelijke bedragen heeft geschonken en daarin nooit onderscheid heeft gemaakt en dat het volstrekt tegen haar aard zou ingaan om dit de laatste jaren van haar leven anders te doen. Daaromtrent wordt overwogen dat in het midden kan blijven of dat juist is. Immers, wat daarvan ook zij, in 2016 is het contact tussen [eiser] en moeder en [gedaagde 1] en moeder verbroken en moeder wenste zelfs geen contact met [eiser] meer te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit een verklaring vormen voor het feit dat moeder schenkingen heeft gedaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , met wie zij contact had, en niet aan [eiser] en [gedaagde 1] , met wie zij geen contact had.

Gelet op de langere periode waarin de schenkingen zijn gedaan, vormt de hoogte van het totaalbedrag op zichzelf geen indicatie voor de gestelde onrechtmatigheid.

Al met al moet de conclusie zijn dat van onrechtmatig handelen dan wel onverschuldigde betaling geen sprake is. Daarop stuit de vordering van [eiser] om [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen bedragen aan de nalatenschap van moeder te voldoen, af.

[eiser] vordert subsidiair “een zodanige afwikkeling van de nalatenschap te bepalen waarvan Uw Rechtbank meent dat deze juist is”. Deze subsidiaire vordering lijkt ertoe te strekken dat de rechtbank zal bepalen op welke wijze de nalatenschap moet worden verdeeld. Bij gebreke van voorlichting van de kant van [eiser] is de rechtbank niet in staat een beslissing omtrent de verdeling te nemen. Een boedelbeschrijving is niet in het geding gebracht en ook overigens heeft [eiser] niets gesteld over de samenstelling van de nalatenschap, evenmin als gedaagden; het debat tussen partijen heeft zich immers volledig geconcentreerd op de schenkingen.

De subsidiaire vordering is daarom niet toewijsbaar. In dezen volstaat de rechtbank met de vaststelling dat, gezien de afwijzing van de primaire vordering, de geschenken bedragen niet behoeven te worden voldaan aan/ingebracht in de nalatenschap en dat volgens het testament van moeder de nalatenschap gelijkelijk door de vijf kinderen moet worden verdeeld.

Concluderend zal de vordering worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

GW/ON

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?