RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.113006.25
Datum uitspraak : 2 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. S.F. Deen, advocaat in 's-Gravenhage .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 augustus 2024 te Eefde , althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer]
, en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door
dwang, geweld en/of bedreiging, door
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij hen naar een plek moest brengen zonder camera’s, althans woorden van gelijke gebiedende/dwingende aard en/of strekking en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij iets voor hem, verdachte, (terug) moest doen en/of dat zij hem terug moest betalen en/of dat hij terug zou komen en zij problemen zou krijgen en/of hij (anders) (tegen haar begeleiding) zou zeggen dat zij zou hebben geblowd/stoned was, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij op haar knieën moet gaan zitten, althans woorden van gelijke gebiedende/dwingende aard en/of strekking en/of
- zijn, verdachtes, hand op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te plaatsen en/of houden en/of haar hoofd in de richting van zijn penis te duwen/drukken en/of
- misbruik te maken van zijn, verdachtes, fysieke overwicht en/of het uit feitelijke verhoudingen en/of omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer] , gelet op zijn werkzaamheden/aanwezigheid als zzp’er op de woongroep van die [slachtoffer] en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,
terwijl dit feit werd begaan jegens een aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 25 augustus 2024 was verdachte als zzp’er voor het eerst werkzaam bij [bedrijf] in Eefde , als begeleider op een afdeling voor gesloten jeugdzorg. Verdachte is die middag met twee jongeren van de woongroep de stad in geweest. Eén van deze jongeren was [slachtoffer] , een meisje van destijds 14 jaar oud. In de avond hebben verdachte en [slachtoffer] met z’n tweeën een rondje gelopen over het terrein.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van [slachtoffer] zijn volgens de verdediging inconsistent en onbetrouwbaar. Verdachte heeft alle aantijgingen ontkend. Ten aanzien van het resultaat van het DNA-onderzoek heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zich in zedenzaken regelmatig de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren op het moment dat de ten laste gelegde seksuele handelingen (zouden) hebben plaatsgevonden, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Verklaringen van de aanwezigen kunnen lijnrecht tegenover elkaar staan, zoals ook in deze zaak het geval is. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is een aangifte in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. De rechtbank zal dan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever/getuige moeten beoordelen. Indien de rechtbank die verklaringen betrouwbaar acht, moet worden beoordeeld of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Aangifte en verklaring [slachtoffer]
Op 5 september 2024 heeft [slachtoffer] , de moeder van [slachtoffer] , namens haar dochter aangifte gedaan van verkrachting. is door de politie als getuige-slachtoffer verhoord en heeft als volgt verklaard. Op 25 augustus 2024 ging ze naar de stad met een meisje uit haar groep en een begeleider die ze niet kende (de rechtbank begrijpt: verdachte). Ze weet zijn naam niet meer en noemt hem de zzp’er. In de stad stelde verdachte rare vragen aan [slachtoffer] . Hij vroeg naar haar bodycount en haar kisscount. Ook gaf hij [slachtoffer] een voorgedraaide joint en zei tegen haar dat ze het tegen niemand hoefde te zeggen. Eenmaal terug op de groep wilde [slachtoffer] een rondje lopen. Ze vroeg aan verdachte of ze een sigaret mocht uit haar eigen bakje. Toen zei hij “ja maar daar moet je wel wat voor doen”. Toen gaf hij haar sigaretten uit zijn eigen pakje en zei: “als je er niets voor terugdoet krijg je problemen.” Toen reageerde ze daarop met: “oke”. Ze had toen al wel door wat hij bedoelde. Ze dacht gelijk aan verkeerde dingen zoals pijpen en aftrekken. Daarna heeft [slachtoffer] met twee meisjes van een andere groep een rondje over het terrein gelopen en heeft ze geblowd. Later die avond is [slachtoffer] nog een rondje gaan lopen, deze keer samen met verdachte. Het was al donker buiten. Hij zei tegen haar: “je moet iets voor me doen”. Ze zei “dat wil ik niet. Ze zei dat ga ik niet doen. Toen zei hij "Ja, maar ik kom hier nog wel eens terug”. Ze dacht dat hij bedoelde dat ze dan een ander moment problemen zou krijgen als ze dat niet zou doen. Hij vroeg haar waar de beste plek was om dat te doen zonder camera’s. Ze zei dat het achter school zou kunnen omdat daar geen camera's zijn. Toen ze daar waren aangekomen, deed hij zijn broek naar beneden tot boven zijn knieën. Hij zei dat ze op haar knieën moest gaan en verder zei hij niets. [slachtoffer] deed wat hij zei. Ze zag dat zijn geslachtsdeel stijf was. Hij pakte toen haar hoofd en duwde haar hoofd aan de achterkant naar beneden met zijn hand. Toen ging ze hem pijpen. Zijn geslachtsdeel zat in haar mond. Haar hoofd ging heen en weer van achteren naar voren de hele tijd. Het pijpen duurde ongeveer 4 of 5 minuten. Hij kwam klaar in haar mond en zei toen dat ze het moest opslikken. Dat heeft ze gedaan. Toen trok hij zijn broek omhoog en keek hij op zijn telefoon. Het was 20:55 uur. Dat weet [slachtoffer] omdat ze vroeg hoe laat het was, omdat ze om 21:00 uur terug moest zijn op de groep. Ze zei toen tegen hem dat ze beter terug konden gaan lopen omdat ze anders te laat was. Terwijl ze terugliepen gaf hij haar een sigaret uit zijn pakje. Toen ze terug waren bij de groep is ze met de andere meiden een sigaretje gaan roken bij de groep. Gelijk na het roken is ze naar boven gelopen naar haar kamer. Toen begeleider [naam] naar boven kwam, dacht ze: ik moet het vertellen, maar ze was eigenlijk ook bang om het te vertellen. Ze zei toen tegen [naam] dat ze dingen had moeten doen wat ze niet wilde. Ze zei dat huilend omdat ze heel verdrietig was. Er kwamen andere begeleiders bij die aan [slachtoffer] vroegen wat er was gebeurd. Omdat ze best nog onder invloed was haalde ze dingen door elkaar. Ze had het gevoel dat ze haar niet geloofden en werd boos omdat het voelde als onmacht.
Eerder had [slachtoffer] al telefonisch aan de politie laten weten dat ze op 25 augustus 2024 samen met een andere pupil en een zzp-er die voor het eerst werkzaam was als begeleider bij [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: verdachte) Zutphen in was gegaan. Verdachte had haar wiet aangeboden. Later die dag, terug op de groep, had verdachte haar ook nog een sigaret aangeboden en vroeg hoe ze dit terug ging betalen. Toen [slachtoffer] aangaf dat niet te weten, gaf verdachte aan dat ze hem kon pijpen. [slachtoffer] heeft verdachte achter het schooltje gepijpt zonder condoom. Hij is in haar mond klaargekomen, het sperma heeft ze doorgeslikt. Verdachte wilde meer, maar omdat ze om 21:00 uur binnen moest zijn, was daar geen tijd voor. Terug op de groep is ze naar haar kamer gegaan en heeft ze aan een medewerkster verteld wat haar overkomen was.
Betrouwbaarheid
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] in de kern consistent heeft verklaard over het verloop van de dag en over hetgeen tussen haar en verdachte is gebeurd. Weliswaar is haar verklaring niet over de hele linie consequent en heeft zij mogelijk tegenover anderen uitlatingen gedaan die niet op alle onderdelen exact overeenkomen met hetgeen zij zelf als getuige-slachtoffer heeft verklaard, maar op de kernpunten is haar verklaring eensluidend en gedetailleerd. [slachtoffer] geeft een uitvoerige beschrijving van de gebeurtenissen van die dag en hoe deze zouden hebben geleid tot het verrichten van seksuele handelingen. Ook is haar verklaring genuanceerd. [slachtoffer] heeft bijvoorbeeld verklaard dat ze onder invloed was en dat ze dingen door elkaar heeft gehaald. Ook is ze open en gedetailleerd over hoe zijzelf heeft gehandeld. Dat er op onderdelen verschillen zijn aan te geven, kan naast het feit dat de werking van het brein feilbaar is, verder verklaard worden door haar jonge leeftijd en het feit dat het gaat om een kwetsbaar meisje in de gesloten jeugdzorg. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] in de kern betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten kan niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer] . De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of haar verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam] , begeleider bij [bedrijf] in Eefde . Zij heeft als volgt verklaard. Op 25 augustus 2024 heeft [slachtoffer] rond 20:45 een rondje gelopen met [verdachte] , een zzp’er die nog onbekend was op de groep. Ze waren ongeveer een kwartier weg. Kort na terugkomst gaf [slachtoffer] aan dat ze nog met [naam] wilde praten. [naam] zag dat [slachtoffer] verdrietig was en dat ze tranen in de ogen had. [slachtoffer] zei dat ze dingen moest doen die ze niet wilde. [naam] vroeg haar van wie ze dat moest doen en toen zei ze van [verdachte] . [slachtoffer] zei dat het onder andere over een joint ging en [naam] had het gevoel dat het met iets seksueels te maken had. [slachtoffer] vertelde haar dat ze in de middag in de stad een joint had gekregen van [verdachte] en dat ze deze na het avondeten tijdens een rondje wandelen heeft opgerookt. Ook vertelde ze dat ze [verdachte] heeft moeten pijpen, anders zou hij tegen de andere begeleiders vertellen dat ze geblowd had.
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek verricht. Het NFI heeft de bemonsteringen van de lippen (nat en droog), de buitenzijde van de tanden in de onderkaak, onder de tong, de keel, de achterzijde van de tanden en de binnenzijde van de rechterhand (nat en droog) van [slachtoffer] onderzocht op de aanwezigheid van sperma en DNA. Ook heeft het NFI een vergelijkend DNA-onderzoek uitgevoerd met het DNA-profiel van verdachte en het DNA-profiel van [slachtoffer] . Uit het rapport van 24 december 2024 volgt dat in de bemonstering ZAAE4141NL#01 (lippen nat) een DNA-mengprofiel is aangetroffen afkomstig van minimaal twee personen, waarbij bij onderzoek naar de aard van het materiaal aanwijzingen zijn verkregen voor spermavloeistof. Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Het DNA-mengprofiel ZAAE4141NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering celmateriaal van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van verdachte [verdachte] bevat, dan wanneer de bemonstering celmateriaal van slachtoffer [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende man bevat.
Ook in de bemonstering ZAAE4141NL#02 (lippen droog) is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat afkomstig is van minimaal twee personen ( [slachtoffer] en verdachte [verdachte] (sperma)), waarbij een aanwijzing is verkregen voor spermavloeistof. De bewijskracht ten aanzien van verdachte is niet berekend vanwege het resultaat bij bemonstering ZAAE4141NL#01.
In de bemonstering ZAAE4141NL#03 (buitenzijde tanden onderkaak) is eveneens een aanwijzing verkregen voor spermavloeistof. Ook is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA in deze bemonstering.
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert uit de resultaten van het NFI-onderzoek, met inachtneming van de rest van het dossier, dat spermavloeistof van verdachte, is aangetroffen op de lippen van [slachtoffer] . Tegen de achtergrond van dit dossier acht de rechtbank het aannemelijk geworden dat de spermavloeistof aangetroffen aan de buitenzijde van de tanden van de onderkaak van [slachtoffer] eveneens van verdachte afkomstig is.
Alternatief scenario
De verdediging heeft ter zitting een alternatief scenario opgeworpen ten aanzien van de resultaten van het DNA-onderzoek. Deze alternatieve lezing houdt samengevat het volgende in. Ten tijde van het tenlastegelegde had verdachte een ochtend- en avondritueel waarbij hij masturbeerde en na zijn ontlading direct een sigaret opstak. Het pakje sigaretten dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde bij zich had, gebruikte hij al minstens een week. Volgens de verdediging is het dan ook niet onwaarschijnlijk dat door het voorgaande ritueel het celmateriaal van verdachte op de lippen van [slachtoffer] is overgedragen, nadat zij meerdere sigaretten van verdachte heeft gekregen en deze had gerookt tijdens en na de wandeling. Nu er geen DNA-onderzoek is verricht aan de kleding van [slachtoffer] noch aan de kleding of het lichaam van verdachte, kan er niet zonder meer worden aangenomen dat het geschetste scenario volstrekt onmogelijk is.
De rechtbank acht het door de verdediging geschetste scenario niet aannemelijk geworden. Niet alleen is het scenario op zichzelf beschouwd zeer onaannemelijk (overdracht van spermavloeistof via handen, naar de buitenzijde van een sigarettenpakje, naar een sigaret in dat pakje, naar lippen, tanden en onderkaak) maar het bestaat ook uit diverse stappen die elk ver van elkaar verwijderd zijn en niet nader zijn onderbouwd. Daarbij komt dat verdachte bij de politie niet heeft verklaard toen hij werd geconfronteerd met de DNA-resultaten en het alternatieve scenario eerst ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Het feit dat er geen nader DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden aan de kleding of het lichaam van [slachtoffer] of verdachte, doet niets af aan de resultaten van het door het NFI verrichte DNA-onderzoek.
Hier komt nog bij dat de verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid valse aantijgingen heeft gedaan omdat verdachte haar had betrapt op het gebruik van wiet. [slachtoffer] zou in deze lezing - zonder dat zij verdachte had gepijpt - in strijd met de waarheid hebben verklaard over het klaarkomen van verdachte in haar mond, om vervolgens (in dat geval tegen alle verwachtingen in) te worden geconfronteerd met in haar mond aanwezig sperma van verdachte, dat daar dan dus volgens de lezing van verdachte “toevallig”, zonder dat [slachtoffer] daarvan op de hoogte kon zijn, terecht was gekomen via een sigaret. De rechtbank acht dit niet alleen niet aannemelijk, maar ook ongeloofwaardig.
Conclusie
Uit al het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verklaring van [slachtoffer] over de gebeurtenissen op 25 augustus 2024 op dragende en essentiële onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Haar beschrijving van het verloop van de dag wordt in grote lijnen ondersteund door de verklaring van begeleider [naam] . Uit de verklaring van [naam]
volgt bovendien dat [slachtoffer] kort na terugkomst van de wandeling verdrietig was en met tranen in haar ogen vertelde dat ze van verdachte dingen moest doen die ze niet wilde. De verklaring van [slachtoffer] vindt bovendien steun in de resultaten van het DNA-onderzoek. De aangetroffen spermavloeistof van verdachte op de lippen en op de buitenzijde van de onderkaak van [slachtoffer] past bij haar verklaring dat zij de penis van verdachte in haar mond heeft genomen en dat hij in haar mond is klaargekomen, zonder daarbij een condoom te dragen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer] .
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet volgt dat verdachte voorbij is gegaan aan de verbale en of non-verbale signalen van verzet/weerstand van [slachtoffer] . Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 25 augustus 2024 te Eefde , althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer]
, en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door
dwang, geweld en/of bedreiging, door
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij hen naar een plek moest brengen zonder camera’s, althans woorden van gelijke gebiedende/dwingende aard en/of strekking en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij iets voor hem, verdachte, (terug) moest doen en/of dat zij hem terug moest betalen en/of dat hij terug zou komen en zij problemen zou krijgen en/of hij (anders) (tegen haar begeleiding) zou zeggen dat zij zou hebben geblowd/stoned was, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij op haar knieën moet gaan zitten, althans woorden van gelijke gebiedende/dwingende aard en/of strekking en/of
- zijn, verdachtes, hand op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te plaatsen en/of houden en/of haar hoofd in de richting van zijn penis te duwen/drukken en/of
- misbruik te maken van zijn, verdachtes, fysieke overwicht en/of het uit feitelijke verhoudingen en/of omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer] , gelet op zijn werkzaamheden/aanwezigheid als zzp’er op de woongroep van die [slachtoffer] en/of
- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,
terwijl dit feit werd begaan jegens een aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod voor ieder beroep in de jeugdzorg wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, bij het opleggen van de straf rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het rapport van de reclassering. Een gevangenisstraf zal zwaarwegende gevolgen hebben voor verdachte en zijn gezin.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde verkrachting van [slachtoffer] , een destijds veertienjarig meisje. [slachtoffer] woonde op de gesloten afdeling voor jeugdzorg waar verdachte, destijds 35 jaar oud, op dat moment als begeleider werkzaam was. Op nota bene zijn eerste werkdag heeft verdachte haar gedwongen om hem te pijpen tijdens een wandeling over het terrein. Hij heeft berekenend gehandeld, door tegen [slachtoffer] te zeggen dat ze hem op die manier terug moest betalen en dat ze anders in de problemen zou komen. Verdachte heeft op ingrijpende wijze misbruik gemaakt van zijn positie als jeugdzorgbegeleider. Daarmee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft hij haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling beschadigd. [slachtoffer] is daarin een kwetsbaar slachtoffer; niet alleen vanwege haar jonge leeftijd maar ook omdat zij voor haar dagelijkse zorg afhankelijk is van de jeugdzorg waaraan zij is toevertrouwd. In haar schriftelijke slachtofferverklaring, ter terechtzitting voorgelezen door haar advocaat, heeft [slachtoffer] op treffende wijze verwoord wat dit ernstige feit met haar heeft gedaan en hoe groot de impact daarvan nog altijd is.
Verdachte heeft dit ernstige feit voortdurend stellig ontkend. Daarmee neemt hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden en heeft hij twijfel gezaaid bij de begeleiders die voor [slachtoffer] zorgden over de betrouwbaarheid van haar verhaal. Hij is volledig voorbij gegaan aan de enorme gevolgen van zijn handelen. Niet alleen voor het minderjarige slachtoffer en haar ouders, die erop mochten vertrouwen dat [slachtoffer] veilig was bij haar begeleiders, maar ook voor het maatschappelijk vertrouwen in de jeugdzorg. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 november 2025.
Daaruit volgt dat er niet gesproken kan worden van een actueel delictpatroon. Volgens de reclassering kan aan verdachte een zekere vorm van berekening niet worden ontzegd, rekening houdend met zijn manier van handelen welke heeft geleid tot onderhavig delict. Verdachte is in het bezit van de juiste vaardigheden om op zelfstandige wijze een stabiel leven te leiden. Hij heeft ander werk gevonden en zijn persoonlijke omstandigheden laten vooralsnog geen zwaarwegende problematiek zien. Datzelfde lijkt eveneens te gelden voor zijn seksuele ontwikkeling en beleving. Gebaseerd op hetgeen verdachte hierover vertelt, ervaart hij geen seksuele preoccupatie of anderszins afwijkende voorkeuren. Verdachte heeft geen hulpvraag en blijft een ontkennende houding aannemen, waardoor er geen zicht is op factoren welke een risico vormen ten aanzien van het delictgedrag. Het is voor de reclassering niet mogelijk gebleken om een passend hulpverleningsaanbod op te maken. Een behandeltraject voor zedendelinquenten heeft geen zin wanneer er niet enig inzicht of probleembesef bij de beoogde cliënt aanwezig is. De inschatting is dat verdachte zal blijven volharden in zijn ontkenning en geen openheid zal verschaffen over het voorval en zijn aandeel daar in. De reclassering adviseert derhalve een straf zonder bijzondere voorwaarden. Opgemerkt wordt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte dezelfde zwaarwegende gevolgen in algemene zin (dreigend verlies werk, huis, inkomen) zal hebben als voor ieder ander in dezelfde omstandigheden. Verder adviseert de reclassering om aan verdachte een beroepsverbod op grond van artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, waarbij hij maximaal 5 jaren niet mag werken met kwetsbare groepen mensen. Het opleggen van een beroepsverbod wordt het meest effectief geacht met betrekking tot het verminderen van het veiligheidsrisico en de recidivekans.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid, nu het feit door verdachte is begaan terwijl [slachtoffer] aan zijn zorg was toevertrouwd. Verder neemt de rechtbank in acht dat verdachte zowel ter terechtzitting als bij de reclassering heeft verklaard niet open te staan voor hulpverlening.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod aan verdachte opleggen, inhoudende dat verdachte voor een periode van vijf jaren wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van ieder beroep in de jeugdzorg. De rechtbank acht het beroepsverbod van belang om ervoor te zorgen dat verdachte zich voorlopig niet in risicosituaties bevindt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2024. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat uit het dossier is gebleken dat de benadeelde alproblemen had ruim voor de datum van het tenlastegelegde.
Overweging van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank constateert dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast, nu de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvoor voor de benadeelde die conclusie rechtvaardigen. De hoogte van het gevorderde bedrag is niet betwist en het bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor, rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schadevergoeding daarom geheel toewijzen.
Verdachte is ten aanzien van de vordering wettelijke rente verschuldigd vanaf 25 augustus 2024.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 28, 31, 36f, 248 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
bepaalt dat verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren wordt ontzet van het recht tot de uitoefening van een beroep in de jeugdzorg;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]