ECLI:NL:RBGEL:2025:11713

ECLI:NL:RBGEL:2025:11713

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 05-220744-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Gevangenisstraf van 5 jaar voor het medeplegen van opzettelijke brandstichting bij een schoenenwinkel. Te duchten levensgevaar. Benadeelde partijen deels niet-ontvankelijk verklaard door een onevenredige belasting van het strafproces.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.220744.25

Datum uitspraak : 23 december 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedetineerd te P.I. [verblijfsplaats] .

Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 februari 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een winkelruit te vernielen en/of- open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met één of meer brandbare en/of explosieve stof(fen) en/of- een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen) tot ontsteking en/of ontbranding te brengen en/of- een (brandend) voorwerp door de vernielde winkelruit naar binnen te gooien,ten gevolge waarvan het (winkel)pand [bedrijf] (gelegen aan de [adres] ) en/of de (on)roerende goederen die zich daarin bevonden, geheel of gedeeltelijk is/zijn verband, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd (winkel)pand en/of de in het pand aanwezige (on)roerende goederen en/of aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en) en/of perce(e)l(en) en/of in/op die aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en) en/of perce(e)l(en) aanwezig zijnde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de in de bovengelegen appartementen (gelegen aan [adres] en/of [adres] ) aanwezige pers(o)n(en) en/of toevallige passanten, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Opzettelijke brandstichting

Op 2 februari 2025 omstreeks 03:17 uur kwam bij de brandweer een melding binnen van brand op de locatie [adres] in [plaats] . Op deze locatie was kinderschoenenwinkel [bedrijf] gevestigd. Aan de achterzijde, boven de winkel en in de naastgelegen panden waren appartementen, winkels en een kantoor gesitueerd. Toen de brandweer ter plaatse kwam, bleek sprake te zijn van een uitslaande brand. De schoenenwinkel is geheel uitgebrand en de pui is uit de voorgevel geblazen. Daarnaast raakten aangrenzende winkels beschadigd door vuur en/of rook. Ook de boven- en achtergelegen appartementen zijn deels verwoest door de brand.

De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor een technische of een natuurlijke brandoorzaak. De meest waarschijnlijke hypothese is opzettelijke brandstichting. Onder de brandresten in de winkel werd een straatklinker aangetroffen en bij een meting onder de vloer van de winkel werd een indicatie verkregen voor de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. Daarbij werd door de politie een geur van motorbenzine geroken. De politie heeft van deze locatie een brandmonster veiliggesteld met SIN-nummer [nummer] . Uit de onderzoeksresultaten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat in dit brandmonster vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

Op camerabeelden die door de politie zijn bekeken en beschreven is te zien dat drie personen zich op 2 februari 2025 vanaf 02:53 uur ophouden in de omgeving van [adres] in [plaats] , waar het pand van kinderschoenenwinkel [bedrijf] aan grenst. Eén van de personen rijdt op een fiets, de andere twee personen lopen achter de fiets aan. Rond 02:58 uur komen de drie personen aan bij het pand van de kinderschoenenwinkel [bedrijf] , waar zij zich voor langere tijd ophouden. Ook maken zij een ronde om het pand van de schoenenwinkel. Omstreeks 03:05 uur voegen de drie personen zich bij elkaar bij het gemeentehuis aan de overzijde van de schoenenwinkel. Op de beelden is te zien dat de drie mannen aan het overleggen zijn en met hun vinger in de richting van het pand van [bedrijf] wijzen. Rond 03:16 uur begeven personen 1 en 3 zich naar het pand van de schoenenwinkel. Persoon 2, de persoon op de fiets, rijdt even om en komt er dan ook bij. Personen 2 en 3 positioneren zich voor de schoenenwinkel, terwijl persoon 1 op afstand gaat staan en zijn mobiele telefoon omhoog houdt, waarbij het lijkt alsof hij de andere twee filmt. Op de beelden is te zien dat persoon 3 vervolgens de ruit van de schoenenwinkel ingooit, waarna persoon 2 iets aansteekt en het al brandend het pand in gooit. Direct daarna ontstaat een grote brand, waardoor het camerabeeld even wit kleurt. De drie mannen rennen [adres] in, in de richting van de Elshof. Tijdens het wegrennen blijft persoon 1 deels filmen.

Drie daders

Aan de hand van de beelden zijn de personen door de politie als volgt beschreven.

Persoon 1 is een man van normaal postuur. Hij droeg een lange gewatteerde jas tot op de knieën en een shirt met capuchon. Hij droeg geen handschoenen.

Persoon 2 is een man van normaal postuur. Hij droeg een gewatteerde jas met capuchon en handschoenen. Deze man verplaatste zich op een elektrische fiets met kleinere wielen.

Persoon 3 is een man met een slank postuur. Hij droeg een blauwkleurige broek met witte strepen op de zijkanten en met een witte tekst op de broekspijp.

Vluchtroute

Aan de hand van de camerabeelden is de vluchtroute van de mannen door de politie in beeld gebracht. Op 2 februari 2025 omstreeks 03:50 uur zijn de drie mannen op beeld te zien terwijl zij vanuit de [adres] de [adres] in [plaats] in lopen. Rond hetzelfde tijdstip rijdt een voertuig met verlichting op het dak, vermoedelijk een taxi, over de [adres] in de richting van de [adres] . Te zien is dat het voertuig langzamer gaat rijden als het de mannen nadert. Even later is op de beelden te zien dat het voertuig keert op de hoek van de [adres] en de [adres] en terugrijdt over de [adres] .

Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat het taxibedrijf [bedrijf] op 2 februari 2025 een beladen taxirit heeft gereden van 03:51 uur tot 04:12 uur. Volgens de

rittenstaatgegevens begon de taxirit op de [adres] in [plaats] en eindigde deze bij de [adres] te Nijmegen. De dienstdoende taxichauffeur heeft bij de politie verklaard dat hij in de nacht van zaterdag 1 op zondag 2 februari drie mannen heeft opgehaald in de [adres] op de hoek van de [adres] te [plaats] . De mannen zeiden dat ze naar het station Nijmegen Centraal wilden. Eén van de mannen droeg een lange jas. Volgens de taxichauffeur waren de mannen die bij hem in de auto stapten mogelijk dezelfde mannen die hij op de beelden van de brand had gezien in het programma Opsporing Verzocht.

Op 5 februari 2025 werd in een sloot evenwijdig aan de [adres] , nabij de kruising met de [adres] in [plaats] , een kleine zwarte elektrische vouwfiets gevonden van het merk DYU. De fiets was voorzien van een gashendel aan de rechterzijde van het stuur. De aangetroffen fiets had grote gelijkenis met de fiets waarop persoon 2 fietste ten tijde van de brandstichting, onder meer vanwege het rechte stuur, de grootte van de wielen, de kromme vorm van het frame en de grootte van de fiets.

Nabij de vindplaats van de elektrische fiets werd, achter een elektriciteitshuisje bij de kruising tussen de [adres] en de [adres] te [plaats] , op 5 februari 2025 een kledingstuk aangetroffen. Het betrof een blauwe trainingsbroek van het merk 'HIT MAN HITTING TEAM' met witte banden aan de zijkant van de pijpen. De aangetroffen broek is identiek aan de broek die één van de daders droeg ten tijde van de brandstichting, zoals zichtbaar is op de hiervoor beschreven camerabeelden. In de voorzijde van de linkerbroekspijp zat een brandplekje. De vezels van de stof waren gesmolten en zwartgekleurd. In de linkerbroekzak werden twee glaspartikels aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting met te duchten gevaar voor goederen en te duchten levensgevaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft bovendien een legitieme en verifieerbare verklaring afgelegd over de aanwezigheid van zijn telefoon en het door hem aangevoerde alibi is door zijn moeder bevestigd. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, omdat het dossier voor het bestaan daarvan onvoldoende aanknopingspunten bevat.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat, afgaande op eerder genoemde bewijsmiddelen, dat de brand in de kinderschoenenwinkel [bedrijf] aan de [adres] in [plaats] op 2 februari 2025 opzettelijk is gesticht. De daders van de brandstichting zijn de drie mannen die op de camerabeelden zijn vastgelegd. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat verdachte één van de drie daders is. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Relatie verdachten onderling

Naast verdachte zijn ook medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Uit het onderzoek van de politie volgt dat de verdachten op verschillende wijzen aan elkaar te relateren zijn. De verdachten hebben alle drie geen vaste woon- of verblijfplaats en verblijven regelmatig bij het [verblijfsplaats] in Almere .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] kent uit de gebruikerswereld in Almere. [medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat hij en verdachte bekenden van elkaar zijn. Dat zij elkaar kennen volgt ook uit het onderzoek dat door de politie is verricht naar de historische verkeersgegevens van de medeverdachten. Uit de historische verkeersgegevens van telefoonnummers die door de politie gekoppeld worden aan [medeverdachte 2] (eindigend op [nummer] ) komt naar voren dat het telefoonnummer van verdachte (eindigend op [nummer] ) een frequent belcontact is van [medeverdachte 2] .

De politie heeft de telefoon van verdachte onderzocht. Daarop zag de politie dat er op 11 januari 2025 en 12 januari 2025 verschillende berichten zijn verstuurd tussen [medeverdachte 2] (onder gebruikersnaam [naam] ) en verdachte (onder gebruikersnaam [naam] ), waaruit volgens de politie blijkt dat zij zich laten inhuren voor het plegen van strafbare feiten zoals autobranden en explosies bij woningen. [naam] stuurde onder meer een bericht naar [naam] met de tekst: “zorg datje fit bent”. [naam] reageerde even later met “wat moet gebeuren” en “waar”, gevolgd door achtereenvolgens een afbeelding van een auto en een vlam, een afbeelding van een auto en een bom en een afbeelding van een huis en een bom, steeds gevolgd door een vraagteken. [naam] stuurde daarop: “En word pas morgen ochtend uitbetaald”. In de daaropvolgende berichten, gestuurd in de nacht van 11 op 12 januari 2025, wordt gesproken over een klusje, een fles benzine, startkabels en het halen van een Cobra en spreken de mannen ergens af. Ook wordt gesproken over Assen. Later op de dag gaat het gesprek over wanneer er betaald zou worden. In het audiobericht dat [naam] op 12 januari 2025 om 21:30 uur stuurde zei [naam] dat die man, die jongen, die mocro die hem gestuurd heeft niet degene is die de opdracht heeft gegeven, maar degene is die er tussen zit. [naam] gaf aan dat hij hem goed kende. Uit de noot van de verbalisant volgt dat er op 12 januari 2025 omstreeks 05:30 uur een explosie heeft plaatsgevonden bij een woning te Assen.

Hoewel medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat hij beide medeverdachten niet kent, bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat hij in ieder geval bekend is met medeverdachte [medeverdachte 2] . In het dossier is immers een proces-verbaal gevoegd van de politie Noord-Nederland, waaruit volgt dat [medeverdachte 1] in januari 2025 in Friesland door de politie staande is gehouden terwijl hij zich samen met [medeverdachte 2] in één auto bevond. Uit onderzoek van de politie naar de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers die vermoedelijk in gebruik zijn bij [medeverdachte 1] is een telefoonnummer naar voren gekomen dat volgens de politiesystemen kan worden gekoppeld aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte 1] kent van de straat en van het [verblijfsplaats] .

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de drie verdachten elkaar niet alleen kennen, maar dat zij – in verschillende samenstellingen – al eerder samen in beeld zijn gekomen bij de politie.

Relatie verdachten tot brandstichting [plaats]

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten kunnen worden gerelateerd aan de brandstichting in [plaats] op 2 februari 2025. De rechtbank zal achtereenvolgens de relevante bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte en zijn medeverdachten bespreken.

Verdachte [verdachte]

De politie heeft onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat in de politiesystemen is gekoppeld aan verdachte, en aan de Apple iPhone 16 Pro die onder verdachte in beslag is genomen. Uit de historische verkeersgegevens volgt dat in de nacht van 1 op 2 februari 2025 veel contact is geweest tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van verdachte en telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat kan worden gekoppeld aan [medeverdachte 2] . Het laatste contact tussen beide nummers vond plaats op 2 februari om 00:40 uur.

Ook volgt uit deze gegevens, zoals weergegeven op het telecomschema, dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van verdachte op 2 februari 2025 om 03:32:47 uur, 03:48:16 uur en om 03:50:42 uur gebruik heeft gemaakt van cell-id [nummer] van zendmastlocatie [adres] te [plaats] . Deze cell-id biedt dekking op de plaats waar de elektrische fiets en de broek zijn aangetroffen (hierover later meer), zo blijkt uit de netwerkmeting. Uit de gegevens blijkt verder dat op 2 februari 2025 om 03:32:47 uur en 03:48:16 uur vanuit het nummer van verdachte uitgaande gesprekken hebben plaatsgevonden naar het telefoonnummer dat in de politiesystemen is gekoppeld aan [bedrijf] Nijmegen.

Verder blijkt uit de verkeersgegevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 2 februari 2025 ergens tussen 02:29:37 uur en 04:54:09 uur gebruik heeft gemaakt van cell-id [nummer] van zendmastlocatie [adres] te Nijmegen. Het betreft een datasessie van 8672 seconden. Voor zover zichtbaar in de historische gegevens wordt door telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet vaker gebruik gemaakt van cell-id’s in [plaats] of Nijmegen.

De politie heeft ook de bankgegevens van verdachte onderzocht. Uit het financieel onderzoek volgt dat verdachte op 2 februari 2025 om 06:45 uur een bedrag van 200 euro op zijn rekening heeft ontvangen vanuit een rekening die op naam staat van [medeverdachte 2] . Om 06:48 uur en 07:41 uur ontving verdachte nog tweemaal een bedrag van [medeverdachte 2] op zijn rekening, ten bedrage van respectievelijk 50 euro en 17,00 euro. Op 2 februari 2025 om 07:03:30 uur is vanaf de rekening van verdachte een bedrag van 440 euro contant opgenomen bij Geldmaat Metropolestraat in Almere.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat met het telefoonnummer van verdachte kort na de brandstichting tweemaal, te weten om 03:32 en om 03:50 uur, vanuit [plaats] is gebeld naar taxibedrijf [bedrijf] . Het telefoonnummer maakte op dat moment gebruik van een zendmastlocatie in [plaats] , welke dekking biedt op de kruising van de [adres] en de [adres] te [plaats] , zijnde de locatie waar enkele dagen later de elektrische fiets en de blauwe broek werden aangetroffen. Uit de camerabeelden is gebleken dat de daders van de brandstichting omstreeks 03:50 uur vanuit de [adres] de [adres] in [plaats] in zijn gelopen. Omstreeks 03:51 uur heeft een taxi [bedrijf] op deze locatie drie personen opgehaald en deze vervolgens naar Nijmegen gebracht. De taxichauffeur heeft verklaard dat dit mogelijk de mannen waren die hij op de camerabeelden van de brandstichting – zoals vertoond in het programma Opsporing Verzocht – had gezien.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zijn telefoon in de nacht van 1 op 2 februari 2025 niet in bezit had, omdat hij deze net na middernacht voor geld had uitgeleend. [medeverdachte 2] had verdachte gebeld omdat hij een telefoon nodig had. Hij was naar verdachte toegekomen in een busje met meerdere mensen. Verdachte gaf zijn telefoon aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] leende de telefoon uit aan één van die mensen. Hiervoor zou verdachte geld gestort krijgen. Daarna hebben ze bij zijn moeder in de steeg nog wat gebruikt en is verdachte naar huis gegaan. Ergens in de ochtend heeft [medeverdachte 2] het geld overgemaakt dat ze hadden afgesproken. Toen verdachte in de ochtend wakker werd lag de telefoon in de brievenbus. Hij weet niet meer hoe laat hij wakker is geworden; als hij wakker wordt is het voor zijn gevoel ochtend.

Op verzoek van de verdediging is de moeder van verdachte, [naam] , op 19 november 2025 door de rechter-commissaris als getuige verhoord. Zij heeft verklaard dat verdachte in de nacht van 1 op 2 februari 2025 rond middernacht bij haar langs is gekomen om haar te feliciteren met haar verjaardag. Toen ze naar bed ging is verdachte gebleven en heeft hij het huis versierd. Dat zag ze de volgende dag. Toen ze in de nacht naar het toilet ging, zag ze verdachte op de bank liggen. Ze denkt dat ze in de ochtend rond 07:00 of 08:00 uur wakker is geworden.

Op verzoek van de verdediging is ook [medeverdachte 2] door de rechter-commissaris als getuige verhoord. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in de vooravond van 1 februari 2025 samen met een dealer naar verdachte is gegaan, omdat de dealer een telefoon wilde lenen. Verdachte was toen bij zijn moeder. [medeverdachte 2] heeft verdachte met de dealer laten praten. [medeverdachte 2] heeft daar zelf niet bij gezeten. Vervolgens heeft verdachte zijn telefoon voor geld en drugs uitgeleend aan de dealer, die daarna met de anderen is vertrokken. [medeverdachte 2] is nog een uur of anderhalf bij verdachte gebleven om samen de drugs te gebruiken. In de ochtend heeft [medeverdachte 2] verdachte weer gesproken. Verdachte was geïrriteerd omdat hij de telefoon terug had gekregen maar geen geld had ontvangen. Volgens [medeverdachte 2] was er een miscommunicatie tussen verdachte en de dealer. Daarom heeft [medeverdachte 2] toen geld naar verdachte overgemaakt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij zijn telefoon in de betreffende nacht niet in bezit heeft gehad omdat hij deze had uitgeleend niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte zich in de eerste verhoren bij de politie en de rechter-commissaris op zijn zwijgrecht heeft beroepen, ook toen hem werd gevraagd of hij [medeverdachte 2] kende, en toen hem de specifieke bevindingen over zijn telefoon en zijn bankrekening werden voorgehouden en heeft hij gewacht met het afleggen van een verklaring tot het dossier compleet was. De getuigenverklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] is afgelegd eerst nadat hij kennis had genomen van de door verdachte afgelegde verklaring. De verklaringen van zowel verdachte als [medeverdachte 2] kunnen dus zijn afgestemd op het dossier, hetgeen de waarde en betrouwbaarheid van die verklaringen aantast. In een eerder stadium van het onderzoek heeft [medeverdachte 2] niets verklaard over verdachte dan wel het uitlenen van diens telefoon aan een dealer.

Daarbij komt dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] ten aanzien van de wijze van overdracht van de telefoon tegenstrijdig zijn. Ook de tijdlijn in de verklaringen komt niet overeen met elkaar danwel met het dossier.

Volgens de verklaringen van zowel verdachte als [medeverdachte 2] zou de dealer de telefoon in de ochtend van 2 februari 2025 bij verdachte in de brievenbus hebben gedaan. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte toen niet het met de dealer afgesproken geldbedrag heeft ontvangen, waardoor verdachte geïrriteerd raakte. [medeverdachte 2] zou toen wat geld naar verdachte hebben overgemaakt. Uit de financiële gegevens van verdachte volgt dat op 2 februari 2025 om 06:45 uur een geldbedrag van € 200 werd overgemaakt door [medeverdachte 2] . Hierover bevraagd zegt verdachte echter dat dit bedrag voor drugs was. Hij verklaart niet specifiek welke betaling dan wel voor het lenen van de telefoon zou zijn, of welk bedrag hij daarvoor zou hebben ontvangen. Twee andere betalingen van [medeverdachte 2] naar de rekening van verdachte in de ochtend van 2 februari 2025 zijn om 06:48 en 07:41 uur. De betaling van 07:41 uur is een bedrag van € 17,- en het valt op dat direct daarna vanaf de rekening van verdachte een betaling wordt gedaan bij een taxi voor € 16,20. Dit bedrag lijkt dus voor het betalen van een taxi te zijn. Dan resteert de betaling van 06:48 uur, een betaling van € 50 onder vermelding van “ [naam] ”. Hierover heeft verdachte op de zitting verklaard dat dergelijke betalingen voor drugs waren. Daarnaast zou de betaling van 06:48 uur niet in de tijdlijn van de overige bevindingen in het dossier passen: het zou immers betekenen dat de dealer die de telefoon had geleend, na de brandstichting eerst met de taxi naar station Nijmegen is gegaan, vanaf daar naar Almere moet zijn gereisd, vervolgens de telefoon bij de moeder van verdachte door de brievenbus hebben gegooid, waarna verdachte wakker is geworden, ontevreden was over het ontbrekende geldbedrag, bij [medeverdachte 2] heeft geklaagd waarna [medeverdachte 2] om 06:48 uur € 50 zou hebben overgemaakt.

De rechtbank kan de verdediging niet volgen in het aangevoerde alibi van verdachte. Volgens verdachte zou hij de nacht van 1 op 2 februari 2025 bij zijn moeder hebben doorgebracht. Dit alibi wordt enkel ondersteund door de verklaring van mevrouw [naam] , de moeder van verdachte. Als moeder heeft [naam] een groot belang om haar zoon uit de wind te houden. Dit is begrijpelijk, maar het raakt wel aan de betrouwbaarheid van de verklaring. De rechtbank constateert dat de verklaring van [naam] lijnrecht tegenover objectieve onderzoeksgegevens van de politie staat. Haar verklaring kan niet anders dan subjectief gekenmerkt worden, terwijl de andere bewijsmiddelen in het dossier objectief van aard zijn. Dit maakt dat de rechtbank aan de verklaring van [naam] geen doorslaggevend gewicht toekent.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het verdachte zelf is geweest die ten tijde van de brandstichting in [plaats] is geweest en daar gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 2 februari één van de personen is die op de camerabeelden van de brandstichting te zien is.

Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank de verklaring van mevrouw [naam] niet betrouwbaar acht dan wel deze verklaring niet als uitgangspunt meent te moeten nemen, de verdediging het noodzakelijk acht om, in het licht van de waarheidsvinding alsmede in het belang van de verdediging, de verklaring van mevrouw [naam] en daarmee de verklaring van verdachte nader te kunnen verifiëren. Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de raadsman de rechtbank verzocht om in dat geval de zaak aan te houden en de andere kinderen van mevrouw [naam] te doen horen. Deze andere kinderen hebben gezien dat het huis was versierd en dat verdachte in de middag aanwezig was bij zijn moeder.

De rechtbank stelt voorop dat de verdediging in beginsel het recht heeft om getuigen te doen horen indien dit in het belang van de verdediging kan worden geacht. Dat recht is echter niet onbeperkt en mag worden begrensd in het belang van een goede procesorde. Het gaat in dit geval niet om getuigen die al een belastende verklaring tegenover verdachte hebben afgelegd. Daarmee is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Uit hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het voorwaardelijk verzoek naar voren heeft gebracht, is de rechtbank de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet gebleken. Het is immers gesteld noch gebleken dat de familieleden van verdachte aanwezig waren in het huis van hun moeder ten tijde van de brandstichting en de reistijd naar/vanuit [plaats] . Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Verdachte [medeverdachte 2]

De politie heeft de fiets die werd aangetroffen in de sloot evenwijdig aan de [adres] in [plaats] bemonsterd op humaan biologisch celmateriaal ten behoeve van sporenonderzoek. Uit de resultaten van het DNA-onderzoek, uitgevoerd van het Maastricht Forensic Institute, volgt dat in de bemonstering van de powerknop en gashendelknop van de fiets (SIN-nummer [nummer] ) een DNA-mengprofiel is aangetroffen dat afkomstig is van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [medeverdachte 2] en één onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee onbekende personen.

Uit de resultaten van het DNA-onderzoek concludeert de rechtbank, met inachtneming van de rest van het dossier, dat het DNA van [medeverdachte 2] is aangetroffen op de powerknop en gashendel van de fiets.

Ook heeft de politie onderzoek verricht naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat op basis van de meest gebelde contacten kan worden gekoppeld aan [medeverdachte 2] . Het telefoonnummer is gekoppeld aan een Apple iPhone 11 en is tevens als “owner” gekoppeld geweest aan de iPhone 13 die door de politie onder [medeverdachte 2] in beslag is genomen. Uit de historische verkeersgegevens, zoals weergegeven op het telecomschema, volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op 2 februari 2025 tussen 03:01:24 uur en 03:59:05 uur gebruik heeft gemaakt van de cell-id [nummer] van zendmastlocatie [adres] te [plaats] . Deze cell-id biedt dekking op de plaats delict van de brandstichting in [plaats] op 2 februari 2025, zo blijkt uit de netwerkmeting. Het betreft een datasessie van 3461 seconden. Verder blijkt uit de gegevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] om 04:36:57 uur gebruik heeft gemaakt van cell-id [nummer] van zendmastlocatie [adres] te Nijmegen. Voor zover zichtbaar in de historische verkeersgegevens worden door dit telefoonnummer niet vaker cell-id’s gebruikt in [plaats] of Nijmegen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de telefoon van [medeverdachte 2] ten tijde van de brandstichting gebruik heeft gemaakt van een zendmastlocatie in [plaats] die dekking biedt op de locatie waar de brand is gesticht. Vervolgens heeft deze telefoon later diezelfde nacht gebruik gemaakt van een zendmastlocatie in Nijmegen, de stad waar de taxichauffeur die bewuste nacht drie mannen vanuit [plaats] naartoe heeft gebracht.

Daarbij komt dat het DNA van [medeverdachte 2] is aangetroffen op de fiets die na de brandstichting in [plaats] werd gevonden. Gelet op de camerabeelden, waarop te zien is dat één van de daders op een gelijkende fiets rijdt, en gelet op het feit dat de fiets kort na de brandstichting in [plaats] werd aangetroffen op de door de politie vastgestelde vluchtroute van de daders, is de rechtbank van oordeel dat de gevonden fiets de fiets betreft die door de daders werd gebruikt tijdens de brandstichting.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat ook [medeverdachte 2] op 2 februari 2025 in [plaats] was en dat ook hij één van de personen is die op de camerabeelden van de brandstichting te zien is.

Verdachte [medeverdachte 1]

De politie heeft de broek die werd aangetroffen bij de kruising tussen de [adres] en de [adres] in [plaats] bemonsterd ten behoeve van biologisch sporenonderzoek en vergelijkend DNA-onderzoek.

Het NFI heeft de glaspartikels die werden aangetroffen in de linker broekzak vergeleken met het glas van de vernielde ruit van de schoenenwinkel. Uit het onderzoek volgt dat de glassporen uit de broek overeenkomen met het referentieglas. De resultaten van het vergelijkend glasonderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer één of meer van de onderzochte vlakglassporen afkomstig zijn van de gebroken ruit(en), dan wanneer alle onderzochte vlakglassporen afkomstig zijn van (een) willekeurig andere ruit(en).

Uit de resultaten van het DNA-onderzoek, uitgevoerd door het Maastricht Forensic Institute, volgt dat in de bemonstering van de tailleband (AARE6796NL#01), de linkerenkelband (AARE6796NL#02) en de binnenzijde van de linker- en de rechterzak (inclusief ritssluiting) (AARE6796NL#03 en AARE6796NL#4) van de broek een DNA-mengprofiel is aangetroffen dat afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. In de bemonstering van de binnenzijde van de achterzak (AARE6796NL#05) van de broek is een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Uit de genoemde DNA-mengprofielen is telkens een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De mogelijke donor van dit hoofdprofiel is [medeverdachte 1] .

De rechtbank concludeert uit de resultaten van het NFI-onderzoek dat de glaspartikels die zijn aangetroffen in de broekzak van de gevonden broek afkomstig zijn van de ruit van de schoenenwinkel. Mede gelet op de camerabeelden waarop te zien is dat één van de daders van de brandstichting een gelijkende broek draagt en het feit dat de broek kort na de brandstichting in [plaats] werd aangetroffen langs de door de politie vastgestelde vluchtroute van de daders, is de rechtbank van oordeel dat de gevonden broek de broek betreft die ten tijde van de brandstichting op 2 februari 2025 werd gedragen door één van de daders, te weten degene die de ruit van de winkel heeft ingegooid.

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek stelt de rechtbank, met inachtneming van de hiervoor genoemde frequentie van voorkomen en de rest van het dossier, vast dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk de donor is van het aangetroffen DNA-hoofdprofiel. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het DNA van [medeverdachte 1] op diverse plekken op en in de broek is aangetroffen.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] de persoon is waarvan op de camerabeelden te zien is dat deze op 2 februari 2025, samen met verdachte, in de nacht naar de schoenenwinkel [bedrijf] in [plaats] is gegaan en de ruit van de winkel heeft ingegooid.

Tussenconclusie

Al het voorgaande in samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachten de drie personen zijn die zijn vastgelegd op de camerabeelden van de brandstichting in [plaats] op 2 februari 2025.

Medeplegen

Aan de verdachten is het medeplegen van opzettelijke brandstichting ten laste gelegd. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.

De rechtbank overweegt dat op de camerabeelden te zien is dat de drie verdachten gezamenlijk arriveren in het centrum van [plaats] en dat zij gedurende enige tijd de omgeving van het de schoenenwinkel hebben verkend (in ieder geval vanaf 02:53 uur). Voorafgaand aan de brand hebben zij dicht bij elkaar gestaan in de buurt van de winkel en een tijdlang met elkaar overlegd, waarbij naar de winkel werd gewezen. Omstreeks 03:15 uur hebben zij zich gezamenlijk in de richting van de winkel bewogen, waarop één van hen – gekleed in de blauwe broek – de ruit van de winkel heeft ingegooid met een voorwerp, hoogstwaarschijnlijk de klinker die later op de plaats delict is aangetroffen. Vervolgens stak een andere verdachte een voorwerp aan – waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine – en gooide het brandende voorwerp door de gebroken ruit naar binnen, waardoor direct een felle, uitslaande brand ontstond. De derde verdachte bleef op straat staan en filmde de handelingen van zijn mededaders. De drie mannen zijn gezamenlijk [adres] in gevlucht, waarbij één van hen bleef filmen. Vervolgens hebben zij [plaats] verlaten via de door de politie vastgestelde vluchtroute.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze beelden dat de verdachten niet toevallig in [plaats] aanwezig waren. Zij zijn gezamenlijk en bewust naar de schoenenwinkel gegaan en hebben daar volgens een vooropgezet plan opzettelijk brand gesticht. Vervolgens hebben zij [plaats] gezamenlijk verlaten. De rollen van de verdachten waren inwisselbaar en maakten zonder onderscheid onderdeel uit van het plan.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van opzettelijke brandstichting wettig en overtuigend bewezen.

Levensgevaar

De verdediging heeft betoogd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot het oordeel dat er als gevolg van de brand levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten viel.

De rechtbank overweegt dat een gecertificeerd brandonderzoeker van de politie forensisch onderzoek heeft verricht naar de oorzaak en de gevolgen van de brand. Uit het rapport van de deskundige volgt dat boven en achter de winkel waar de brand is gesticht appartementen waren gesitueerd die ten tijde van de brand werden bewoond. De brand vond plaats in de voor de nachtrust bestemde uren. De bewoners zijn uit de appartementen geëvacueerd door de brandweer vanwege de grootte van de brand en het ontstane gevaar. De onderzoeker heeft aan de hand van de door hem vastgestelde brand- en rookschade geconcludeerd dat de brand vanuit de winkel is overgeslagen op het bovengelegen appartement waardoor daar direct gevaar ontstond voor aanwezige personen. Tevens had de brand zich vanuit dat appartement kunnen verspreiden naar de overige appartementen. Zodoende heeft de onderzoeker geconcludeerd dat er door de brand in de kinderschoenenwinkel te duchten levensgevaar voor personen is opgetreden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek door de politie zonder meer blijkt dat als gevolg van de brand levensgevaar voor anderen, te weten voor de in de (bovengelegen) appartementen (gelegen aan [adres] en [adres] ) aanwezige personen, te duchten was.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat van de door de verdachten gestichte brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Dat brengt mee dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het bestanddeel gemeen gevaar voor goederen. Een alternatieve bewezenverklaring is in dit geval niet toelaatbaar, omdat daaraan een ander strafmaximum is verbonden.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 2 februari 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door

- een winkelruit te vernielen en/of

- open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met één of meer brandbare en/of explosieve stof(fen) en/of

- een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen) tot ontsteking en/of ontbranding te brengen en/of

- een (brandend) voorwerp door de vernielde winkelruit naar binnen te gooien,

ten gevolge waarvan het (winkel)pand [bedrijf] (gelegen aan de [adres] ) en/of de

(on)roerende goederen die zich daarin bevonden, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd (winkel)pand en/of de in het pand aanwezige (on)roerende goederen en/of aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en) en/of perce(e)l(en) en/of in/op die aangrenzende/omliggende woning(en) en/of pand(en) en/of perce(e)l(en) aanwezig zijnde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de in de bovengelegen appartementen (gelegen aan [adres] en/of [adres] ) aanwezige pers(o)n(en) en/of toevallige passanten, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen

te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd met als bijzondere voorwaarde een behandeling gericht op het abstinent blijven van verdovende middelen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een schoenenwinkel in het centrum van [plaats] . In het holst van de nacht gooiden zij een brandend voorwerp met motorbenzine door een gebroken ruit de winkel in, waardoor er direct een felle, uitslaande brand ontstond. Daarmee hebben zij de levens van de omwonenden van de winkel, die thuis lagen te slapen, op het spel gezet. Dat alle omwonenden tijdig zijn geëvacueerd, lijkt met name te danken te zijn geweest aan een oplettende en nog wakkere bewoner van één van de appartementen die zichzelf en anderen in veiligheid heeft weten te brengen en het kordate optreden van hulpverleners. De omvang van de schade en het leed dat de slachtoffers is berokkend is enorm. Het is een wonder dat niemand gewond is geraakt. Dit had heel anders kunnen aflopen.

In de in het dossier aanwezige stukken en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen hebben getroffenen treffend onder woorden gebracht hoe deze brandstichting de levens van de betrokkenen ingrijpend heeft veranderd en hoe zij de gevolgen daarvan nog iedere dag voelen.

De rechtbank rekent het de verdachten zwaar aan dat zij zich op geen enkele wijze om de levens, woningen, winkels en spullen van anderen hebben bekommerd. Terwijl zij enige tijd in de omgeving van de kinderschoenenwinkel hebben rondgekeken en met eigen ogen konden zien dat er verschillende appartementen rondom de winkel gesitueerd waren en zij konden nagaan dat daar midden in de nacht mensen lagen te slapen, hebben zij het plan uitgevoerd. Ook nadien hebben zij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor hun daden en de gevolgen daarvan, noch voor het feit dat deze gevolgen nog veel erger hadden kunnen zijn.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar vaker is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering, opgemaakt op 4 november 2025. Daaruit volgt dat verdachte al jaren kampt met een forse verslavingsproblematiek, hetgeen heeft geleid tot politiecontacten en reclasseringscontacten in het verleden. De (trauma-)problematiek die zeer waarschijnlijk ten grondslag ligt aan het middelengebruik is onvoldoende behandeld, echter lijkt verdachte ambivalent te staan tegenover het (mogelijk) langdurige traject wat hier mee samen zou gaan. Verdachte heeft geen vaste woon-/verblijfplaats, wat zorgt voor instabiliteit op meerdere leefgebieden. Psychiatrische- en verslavingsproblematiek, financiële problemen en sociaal netwerk worden gezien als direct delictgerelateerd. Hoewel verdachte aangeeft te willen meewerken aan een reclasseringstoezicht en hulp nodig te hebben, toont hij zich hierin zelfbepalend. Zijn ontkennende proceshouding, het gebrek aan probleembesef en de eerdere (ambulante en klinische) trajecten zonder gewenst resultaat worden door de reclassering aangemerkt als houdingsaspecten, welke mogelijk voortkomen uit antisociale cognities. Deze houding wordt daarom ook aangemerkt als mogelijk delictgerelateerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Ook het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld-hoog, gezien verdachte – mogelijk door de invloed van middelen – geweld niet lijkt te schuwen om zijn doel te behalen. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er zijn twijfels of verdachte zich zou conformeren aan intensievere en langdurige voorwaarden, gezien er weinig probleembesef en intrinsieke motivatie tot gedragsverandering lijkt te zijn. Door de reclassering worden geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een gevangenisstraf. Detentie leidt juist tot (gedwongen) abstinentie, stabiliteit en kan gebruikt worden om de randvoorwaarden voor resocialisatie vorm te geven.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van de feiten en de houding van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank enkel een gevangenisstraf van meerdere jaren op zijn plaats.

Alles overwegende acht de rechtbank de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden. Zij zal deze dan ook opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:

telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook wordt verzocht om hoofdelijke veroordeling van verdachte en de mededaders tot vergoeding van de schade.

Onevenredige belasting van het strafgeding

De rechtbank hecht eraan in de eerste plaats op te merken dat zij er oog voor heeft dat deze strafzaak een ernstig feit betreft met grote impact voor de slachtoffers, die ernstige gevolgen hebben ondervonden - en veelal nog steeds ondervinden - van de brand. Veel mensen hebben aanzienlijke schade geleden. De rechtbank begrijpt dan ook dat de slachtoffers de daders willen aanspreken tot vergoeding van de geleden schade. Een vordering tot vergoeding van geleden schade kan niet alleen bij de burgerlijke rechter, maar ook bij de strafrechter worden ingediend. Vordert een slachtoffer schadevergoeding bij de strafrechter, dan moet de strafrechter beoordelen of deze vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het bepaalde in artikel 6 lid 1 EVRM verplicht de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Vanwege het aantal en de omvang van de te verwachten vorderingen met betrekking tot de geleden schade, heeft de rechtbank tijdens de voorbereidende zitting op 30 september 2025 de benadeelde partijen verzocht om uiterlijk drie dagen voor de zitting van 25 november 2025 hun vordering in te dienen. Het betrof een ordemaatregel die op zichzelf geen fatale termijn inhield. Formeel kan een benadeelde partij in een strafzaak immers een civiele schadevordering indienen tot op de dag van de zitting. Een dergelijke vordering kan, gelet op het eerder geformuleerde uitgangspunt, echter alleen worden ontvangen als die vordering enigszins overzichtelijk is en de rechtbank en de overige procespartijen (de verdediging en de officier van justitie) voldoende tijd en ruimte hebben om de vorderingen te kunnen bestuderen en daarop te kunnen reageren. In een omvangrijke zaak als deze, waarbij sprake is van veelal complexe vorderingen, is het des te meer van belang dat de vorderingen tijdig worden ingediend.

In totaal hebben zestien benadeelde partijen zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het betreffen omvangrijke vorderingen met meerdere schadeposten en meerdere bijlagen (soms meer dan 50 pagina’s). Een deel van de vorderingen is ingediend, dan wel van bijlagen voorzien, korter dan drie dagen voor de zitting. Ter terechtzitting is gelet hierop de vraag aan de orde gekomen of de rechtbank toe kan komen aan de beoordeling van alle schadevorderingen die door de benadeelde partijen zijn ingediend, gezien de omvang en de complexiteit van de schadeposten en de geringe voorbereidingstijd aan de zijde van de verdediging. Van de hierna genoemde vorderingen heeft de rechtbank (tijdens de inhoudelijke behandeling) op voorhand aangegeven dat deze niet zullen worden behandeld en niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. Deze vorderingen zijn ingediend na de genoemde termijn van drie dagen voor de zitting. Een aantal vorderingen zelfs pas een dag voor de zitting. Gezien de complexiteit en de omvang van de vorderingen heeft de rechtbank moeten concluderen dat het voor de verdediging redelijkerwijs niet mogelijk was om deze vorderingen met de verdachte te bespreken en daar een zinvol en inhoudelijk debat over te voeren. De behandeling van deze vorderingen zou dientengevolge hebben geleid tot uitstel van de strafzitting en daarmee was in het onderhavige geval sprake van een onevenredige belasting voor het strafgeding. Het opnieuw plannen van de inhoudelijke behandeling, waarbij rekening gehouden zou moeten worden met de agenda’s van de rechtbank, de officier van justitie, de advocaten van drie verdachten, twee advocaten van benadeelde partijen en de benadeelde partijen zelf, was geen reële optie.

De rechtbank ziet geen aanleiding om bij vonnis terug te komen op deze beslissing. Dit betekent dat de rechtbank de benadeelde partijen [naam] , [bedrijf] , [bedrijf] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] niet-ontvankelijk zal verklaren in de door hen ingediende vorderingen. Deze vorderingen kunnen (overeenkomstig de hoofdregel) bij de civiele rechter worden aangebracht.

De overige vorderingen zijn ter terechtzitting behandeld en worden in het hiernavolgende besproken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - na voeging van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel met betrekking [bedrijf] - op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voldoende zijn onderbouwd en (hoofdelijk) toewijsbaar zijn, met toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en de familie [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, omdat deze vorderingen zijn ingediend na de termijn van drie werkdagen voor de zitting en er (daardoor) sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces. Gelet daarop is door de verdediging op deze vorderingen geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de omvang van de schade niet kan worden vastgesteld. Ook is de optelsom zoals gemaakt in de vordering niet juist. Op het schadeformulier staat bovendien aangegeven dat de verzekering mogelijk nog bedragen zou uitkeren. Het is niet bekend of dat daadwerkelijk is gebeurd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf] heeft de verdediging opgemerkt dat de gevraagde proceskosten voor de juridische bijstand van Care Letselschade dienen te worden berekend overeenkomstig het liquidatietarief Kantonzaken.

Tot slot heeft de verdediging verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, omdat gezien de draagkracht van verdachte op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van de belasting voor het strafproces

Door de verdediging is betoogd dat de vorderingen ingediend door dan wel namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en de familie [benadeelde 2] niet tijdig zijn ingediend en daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces vormen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] merkt de rechtbank op dat de oorspronkelijke vordering reeds in juli 2025 is ingediend, en dat nadien enkel nog een – voor de verdachte veelal gunstige – wijziging is doorgevoerd.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 2] merkt de rechtbank op dat in eerste instantie een gezamenlijke vordering werd ingediend die nadien slechts is uitgesplitst. De schadeposten en het gevorderde bedrag zijn daarbij niet meer gewijzigd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en de familie [benadeelde 2] dat deze vorderingen ter terechtzitting zijn behandeld en dat er gedurende de zitting – mede gezien het aantal onderbrekingen – voldoende tijd en de ruimte is geboden om de vorderingen te bestuderen en deze te bespreken met verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet alle schadeposten ingewikkeld van aard zijn. Ook heeft de verdediging voldoende mogelijkheid gehad om verweer te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het debat over de vorderingen van de benadeelde partijen daarmee voldoende adequaat kunnen plaatsvinden en is er geen sprake van een onevenredige belasting van het strafproces.

Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om ook deze vorderingen op voorhand niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank komt daarmee toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Materiële schade

Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het gevorderde bedrag van € 109.731,- wordt onderbouwd met een schadetaxatie die door de verzekeraar en de contra-expert gezamenlijk is opgesteld en ondertekend. Het stuk is onafhankelijk en professioneel opgesteld en zat al bij de stukken die door curator [naam] namens [benadeelde 1] zijn aangeleverd ten behoeve van de oorspronkelijke vordering die reeds in juli 2025 werd ingediend. Het bedrag van € 3.388,- voor de contra-expertise komt de rechtbank voor als redelijke kosten ter vaststelling van de schade. Door de verdediging is geen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank zal het gevraagde totaalbedrag van

€ 115.759,- aan materiële schadevergoeding in het geheel toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. De vordering is door de verdediging op dit punt niet betwist. De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 1] door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast, nu zij als gevolg van de brandstichting geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de vordering blijkt dat zij kampt met psychische klachten op grond waarvan een posttraumatische stressstoornis werd gediagnostiseerd en dat er EMDR-behandelingen hebben plaatsgevonden. [benadeelde 1] was eigenaar van de schoenenwinkel [bedrijf] , die zij als gevolg van de brand letterlijk in rook heeft zien opgaan. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op het gevorderde bedrag van € 3.000,- vaststellen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf]

Bevoegde vertegenwoordiging [naam] heeft als vertegenwoordiger van [bedrijf] een vordering tot schadevergoeding ingediend. Na afloop van de zitting, maar voordat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, heeft de officier van justitie de rechtbank schriftelijk verzocht een uittreksel van de Kamer van Koophandel van de vennootschap te voegen in het dossier. De officier van justitie heeft daarbij toegelicht dat benadeelde partij de vordering inclusief dit uittreksel op 3 november 2025 had ingediend bij het Openbaar Ministerie, maar dat het stuk door het Openbaar Ministerie per abuis niet is geüpload waardoor het niet zichtbaar was voor partijen. De rechtbank heeft het verzoek het uittreksel aan het dossier toe te voegen gehonoreerd. Uit het uittreksel blijkt dat [naam] bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen.

De rechtbank constateert dat de vordering van [bedrijf] ter terechtzitting is behandeld en dat daar door de verdediging (inhoudelijk) verweer op is gevoerd. Ook is de verdediging na de voeging van het uittreksel in de gelegenheid gesteld om - op dit punt - nader verweer te voeren. Nu de verdediging zowel voor als na het voegen van het stuk in de gelegenheid is gesteld om een inhoudelijk standpunt in te nemen over de vordering, is de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de verdedigingsrechten en artikel 6 EVRM.

Materiële schade

Het kantoor van [bedrijf] was gevestigd op het adres [adres] .

In de laatste bijlage bij de vordering wordt gesproken over een door de verzekeraar te vergoeden schadebedrag van € 42.968,57. De vergoeding die in deze procedure wordt gevorderd voor huurdersbelang en extra kosten (in totaal € 7.382,-) en opruimingskosten (€ 1.586,-) komt overeen met het bedrag dat door de verzekeraar vergoed lijkt te zijn of worden voor deze posten. Het gevorderde bedrag voor inventaris (€ 36.068,-) is iets hoger dan het door de verzekeraar vastgestelde schadebedrag (€ 35.104,38). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is echter niet duidelijk waarom een hoger bedrag vergoed zou moeten worden dan het bedrag dat door de schadetaxateur is vastgesteld.

Verder vordert de benadeelde partij vergoeding van € 16.701,- aan inkomstenderving. Ter onderbouwing is een overzicht van de maandomzetten over de jaren 2024-2025 overgelegd. Het gevorderde bedrag lijkt te bestaan uit het verschil tussen de omzet over de maanden april, mei en juni 2025 ten opzichte van die maanden in 2025. Uit het omzetoverzicht blijkt echter een sterk fluctuerende maandomzet. Zo is over de maanden februari, maart en juli 2025 juist sprake van een flink hogere maandomzet dan in 2024 (in totaal € 26.945,-). Gelet op de summiere onderbouwing van de schadepost en de betwisting door de verdediging, is hierover naar het oordeel van de rechtbank een nader debat nodig. Een nader inhoudelijk debat en eventuele bewijslevering levert echter een onevenredige belasting op voor het strafproces.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan haar vordering nog wel aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam] en [bedrijf]

Materiële schade

[naam] woont op het adres [adres] , boven haar winkel [bedrijf] (een vennootschap onder firma, waarvan zij vennoot is). Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voor de gevorderde reiskosten van en naar de rechtsbijstandverlener Care Letselschade geldt dat deze kosten volgens vaste jurisprudentie niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit, dan wel als kosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade. Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. Deze kosten zijn bovendien verdisconteerd in het liquidatietarief voor de proceskosten (waarover hierna meer). De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.

De gevorderde materiële schade is door de verdediging niet betwist. Het bedrag komt de rechtbank bovendien redelijk voor, waardoor de rechtbank de materiële schadevergoeding tot het bedrag van € 250,- zal toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde [naam] als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank constateert dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen in deze zaak de aard en ernst van de normschending mee dat deze gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Blijkens de toelichting op de vordering is de benadeelde partij door het aanschouwen van de brand en de angst die zij daarbij voelde voor zichzelf en voor haar bedrijf getraumatiseerd geraakt en heeft zij daarvoor een aantal sessies EMDR gevolgd. Zij wordt nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de brand. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 3.000,-.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 839,44 aan proceskosten voor de rechtsbijstand van Care Letselschade.

Bij het beoordelen van de vordering houdt de rechtbank conform de lijn van de Hoge Raad rekening met de verschillen tussen werkzaamheden van advocaten in civiele procedures en de werkzaamheden die een rechtsbijstandsverlener in een voegingsprocedure moet verrichten. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding zal de rechtbank daarom aansluiten bij het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. In de omstandigheid dat het in dit geval gaat om beperkte werkzaamheden voor een relatief beperkte vordering, zal de rechtbank deze werkzaamheden waarderen op 1 punt.

De rechtbank zal het bijbehorende bedrag van € 271,- toekennen ter zake van de proceskosten en zal het meer gevorderde afwijzen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam] , mede namens [bedrijf]

Materiële schade

is gevestigd aan [adres] twee winkels verwijderd van de kinderschoenenwinkel. Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist. De rechtbank acht de vordering, met de door de benadeelde gegeven toelichting ter terechtzitting, voldoende onderbouwd. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank ook niet onredelijk voor, waardoor de rechtbank het totaalbedrag van € 20.289,38 aan materiële schadevergoeding in het geheel zal toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde [benadeelde 2] als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank constateert dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen in deze zaak de aard en ernst van de normschending mee dat deze gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht is de benadeelde partij getroffen door het aanschouwen van de brand en de machteloosheid die zij daarbij heeft gevoeld. Ook wordt zij nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de brandstichting. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 750,-.

Proceskosten

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 462,83 aan proceskosten voor de rechtsbijstand van Care Letselschade.

Bij het beoordelen van de vordering houdt de rechtbank conform de lijn van de Hoge Raad rekening met de verschillen tussen werkzaamheden van advocaten in civiele procedures en de werkzaamheden die een rechtsbijstandsverlener in een voegingsprocedure moet verrichten. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding zal de rechtbank daarom aansluiten bij het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. In de omstandigheid dat het in dit geval gaat om beperkte werkzaamheden voor een relatief beperkte vordering, zal de rechtbank deze werkzaamheden waarderen op 1 punt.

De rechtbank zal het bijbehorende bedrag van € 271,- toekennen ter zake van de proceskosten en zal het meer gevorderde afwijzen.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam]

Materiële schade (gevorderd door [naam] )

De familie [benadeelde 2] woont op het adres [adres] (boven de winkel [bedrijf] ). Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voor de gevorderde reiskosten van en naar de advocaat en de rechtbank geldt dat deze kosten volgens vaste jurisprudentie niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit, dan wel als kosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade. Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.

De vordering is door de verdediging niet betwist en komt de rechtbank (voor het overige) niet onredelijk voor, waardoor de rechtbank het resterende bedrag van € 22.629,30 geheel zal toewijzen.

Immateriële schade [naam] en [naam]

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelden als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade hebben geleden. De rechtbank constateert dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen in deze zaak de aard en ernst van de normschending mee dat deze gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht zijn bij de benadeelden ernstige stress- en spanningsklachten vastgesteld als gevolg van de brandstichting. De woning van de familie bevindt zich slechts een paar deuren van het pand waar brand is gesticht en het gezin lag ten tijde van de brandstichting thuis te slapen. De ouders werden wakker gemaakt door hun jonge dochters, die volledig in paniek waren. Nog dagelijks worden zij geconfronteerd met de gevolgen van de brandstichting. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. De vordering is door de verdediging op dit punt niet betwist. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor beide benadeelde partijen naar billijkheid vaststellen op € 3.000,-.

Immateriële schade [naam] (minderjarige dochter)

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank constateert dat de benadeelde door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en ernst van de normschending mee dat deze gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Blijkens de toelichting op de vordering en het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht heeft het meisje als gevolg van de brand een trauma opgelopen. Zij kampt met angstklachten en er is een vermoeden van een posttraumatische stressstoornis, waarvoor EMDR-therapie wordt ingezet. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De vordering is door de verdediging op dit punt niet betwist. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 3.000,-.

Immateriële schade [naam] en [naam] (minderjarige dochters)

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelden als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade hebben geleden. De rechtbank constateert dat de meisjes door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen in deze zaak de aard en ernst van de normschending mee dat deze gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Blijkens de toelichting op de vorderingen kampen de meisjes als gevolg van de brandstichting met psychische problemen en gevoelens van angst en onveiligheid. Daarmee is een ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. De vordering is door de verdediging niet betwist. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor beide benadeelde partijen naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 2.500,-.

Wettelijke rente en hoofdelijkheid

Verdachte is over de toegewezen bedragen wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 februari 2025.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen voor de toegewezen bedragen.

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om het aantal dagen gijzeling dat kan worden toegepast bij niet-betaling op nihil te stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6.4.20 van het Wetboek van Strafvordering beslist het openbaar ministerie over toepassing van het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden. Ook volgt uit dit artikel dat gijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

Bij het bepalen van de duur van de gijzeling – die bij niet-betaling kan worden toegepast – heeft de rechtbank acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Daaronder moet een termijn van 365 dagen (twaalf maanden van dertig dagen) worden verstaan. De rechtbank zal dit maximale aantal dagen gijzeling evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen als het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen.

9. De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van het tenlastegelegde is onder verdachte beslag gelegd op:

- 1 telefoontoestel merk Apple ( [nummer] ).

De officier van justitie heeft verzocht om het voorwerp verbeurd te verklaren, omdat de telefoon is gebruikt bij het plegen van het feit.

De raadsman heeft verzocht dat het telefoontoestel wordt teruggegeven aan verdachte, omdat het toestel niet dienstig is geweest aan het strafbare feit.

De rechtbank zal beslissen dat het in beslag genomen telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, nu er sprake is van een voorwerp met behulp van welke het tenlastegelegde is begaan.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

1. [naam] € 22.629,30 en € 3.000,-

2. [naam] € 3.000,-

3. [naam] € 3.000,-

4. [naam] € 2.500,-

5. [naam] € 2.500,-

1. [naam] € 25.629,30

2. [naam] € 3.000,-

3. [naam] € 3.000,-

4. [naam] € 2.500,-

5. [naam] € 2.500,-

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [naam] , [bedrijf] , [bedrijf] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [bedrijf]

 verklaart de benadeelde partijen [naam] , [bedrijf] , [bedrijf] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [bedrijf] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] en [bedrijf]

 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 250,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam] van € 3.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 wijst de vordering van [naam] tot materiële schade af voor zover deze ziet op de vergoeding van reiskosten naar Care Letselschade;

 verklaart de benadeelde partijen [bedrijf] en [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen [bedrijf] en en [naam] hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moet maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 271,-.

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] een bedrag te betalen van € 250,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [naam] een bedrag te betalen van € 3.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 19 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] , mede namens [bedrijf]

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [naam] , een bedrag te betalen van € 21.039,38 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 67 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam]

 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen van de volgende bedragen aan materiële schade/smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

Benadeelde partij Bedrag

 wijst de vordering van [naam] af voor zover deze ziet op de vergoeding van reiskosten naar de advocaat en de rechtbank;

 verklaart de benadeelde partijen [naam] , [naam] en [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hierna te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 140 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Beslissing op het beslag

 verklaart verbeurd het onder verdachte in beslag genomen telefoontoestel van het merk Apple ( [nummer] ).

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Vogel (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.

mr. Graat is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?