ECLI:NL:RBGEL:2025:11714

ECLI:NL:RBGEL:2025:11714

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 01-09-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 282572-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet en het overtreden van de Geneesmiddelenwet tot een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats [plaats]

Parketnummer: 05/282572-24

Datum uitspraak : 1 september 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].

Raadsvrouw: mr. K. Taha, advocaat in [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.een of meer tot op heden onbekend gebleven (mede)verdachten op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 3 september 2024, te [woonplaats], in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van van een hoeveelheid harddrugs, in elk geval een onbekend gebleven hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft/hebben voorbereid en/of bevorderd en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feit(en) heeft/hebben verschaft, in elk geval goederen bestemd tot hetplegen van die feit(ten) voorhanden heeft/hebben gehad,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks de periode gelegen tussen 1 september 2023 en 3 september 2024 te [woonplaats], meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door (aan) die onbekend gebleven persoon/personen (telkens)

- zijn, verdachtes berging/schuur/kelder, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], ter beschikking te stellen voor het (tijdelijk) opslaan van vier dozen met (in totaal) ongeveer 100 kilogram procaïne, althans een hoeveelheid van voornoemde procaïne;

2.hij op een of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 3 september 2024 te [woonplaats], in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende procaïne, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode tussen 2 september 2024 en 3 september 2024 te [woonplaats], in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk in voorraad heeft gehad ongeveer 100 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende procaïne, zijnde een geneesmiddel, waarvoor geen handelsvergunning geldt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

Hiertoe heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat procaïne op zichzelf een legale stof is en dat verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de pakketten die hij in ontvangst nam. Verder ontbreekt wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde medeplegen.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat procaïne geen werkzame stof is als bedoeld in de Geneesmiddelenwet, dat er geen sprake is van bedrijfsmatig handelen en dat verdachte geen opzet had op het handelen zonder de vereiste registratie, nu hij, zoals gezegd, geen wetenschap had van de inhoud van de pakketten die hij in ontvangst nam.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat procaïne geen geneesmiddel is als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en dat verdachte geen beschikkingsmacht over de pakketten had.

Beoordeling door de rechtbank

De bewijsmiddelen

Op 2 september 2024 troffen medewerkers van de postdienst DPD een pakket aan, dat als verdacht werd aangemerkt, omdat het opviel door de manier van verpakken. Het pakket was in verhouding erg zwaar voor het formaat en voelde erg vol en vast aan. In het pakket werd een zak met wit poeder aangetroffen, maar er zat geen inhoudslabel op. Volgens de hoofdbeveiliging van DPD wijst dit vaak op drugs of versnijdingsmiddelen. Het witte poeder testte indicatief op procaïne.

Volgens het label bedroeg het bruto gewicht van het pakket 26,2 kilogram. Het pakket was geadresseerd aan ‘[naam 1], [adres], [woonplaats]’. Op dit adres staat verdachte ingeschreven, maar niemand genaamd [naam 1]. Het telefoonnummer dat op het pakket stond, bleek op naam te staan van ene [naam 2], die verder onbekend is gebleven.

Het pakket is op 3 september 2024 gecontroleerd bezorgd op het afleveradres, de [adres] te [woonplaats], waar de deur werd open gedaan door verdachte, die zei: ‘(…) Ik weet wat je komt bezorgen’. Verder zei verdachte tegen de ‘bezorger’: ‘Als je wil, kan je controleren dat het pakket voor mij is, ik heb nog meer pakketten in de berging staan, die zijn precies hetzelfde’. In zijn berging bleken inderdaad drie dozen opgestapeld te staan.

De pakketten kwamen qua kleur, formaat en opschrift redelijk met elkaar overeen. Alle pakketten bleken te zijn verstuurd en betaald vanuit Duitsland, waardoor een specifiek(e) verzendadres of betaalrekening niet kon worden achterhaald. Het bruto gewicht van de vier pakketten bedroeg in totaal ongeveer 101,2 kilo.

Alle pakketten bevatten wit poeder. Het bleek te gaan om vrijwel zuivere procaïne HCI. Dit is een kortwerkend plaatselijk verdovingsmiddel dat voldoet aan de omschrijving van het ‘werkzame stof’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub x.1 van de Geneesmiddelenwet. Het wordt in relatie tot drugs gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne.

In de telefoon van verdachte werd een gesprek aangetroffen met ‘[naam 3]’, waarin op 2 september 2024 om 19:42 uur het volgende bericht werd verstuurd door ‘Owner’ (de rechtbank begrijpt: verdachte):

Je zei zelf vandaag wordt opgehaald ook en geregeld met mij. En ik wil het ook dan vandaag geregeld hebben en dat hier ook vanavond weer weg is. Ik hou rekening met jouw en sta klaar voor je. Dus vraag ik jou ook nu te doen. Oke.

Daarnaast werd er op de telefoon van verdachte een screenshot aangetroffen van een gesprek met [naam 3], waarin de volgende berichten werden verstuurd:

Verder werden er in zijn telefoon meerdere screenshots aangetroffen van pakketdetails met informatie over verschillende pakketjes die via DPD werden verzonden op 30 augustus 2024 met dezelfde track-and-trace codes die [naam 3] doorgaf in het gesprek dat op de telefoon van verdachte is aangetroffen.

Verdachte, die verslaafd is aan cocaïne, heeft verklaard dat hij wat pakketten moest aannemen en in de kelder zetten voor [naam 3], die ook met die naam in zijn telefoon staat. Daarna moest verdachte hem bellen en kwam [naam 3] of een chauffeur ze ophalen. [naam 3] heeft hem de track-and-trace codes van de vier pakketten doorgestuurd. De avond voor de aanhouding (de rechtbank begrijpt: 2 september 2024) kwam [naam 3] langs, niet om de pakketten op te halen, maar om te bekijken hoe ze verpakt waren. Verdachte stuurde daarop het bericht van 2 september 2024. Op het pakket dat door de politie is onderschept, stond niet zijn naam, maar een andere naam, die hij niet kende.

Hij doet dit nog geen jaar, maar het is de eerste keer dat de pakketten zo groot zijn. De avond voor de aanhouding (de rechtbank begrijpt: 2 september 2024) kreeg verdachte er drie en op de dag van de aanhouding (de rechtbank begrijpt: 3 september 2024) nog een. Verdachte denkt dat er in totaal acht pakketten bij hem zijn opgehaald. Op de pakketten stond niet altijd dezelfde naam.

Verdachte is met [naam 3] in aanraking gekomen via een bovenbuurjongen, van wie verdachte weet dat hij het verkeerde pad op is gegaan en vermoedelijk te maken heeft met verdovende middelen. Toen [naam 3] hem vroeg wat pakketten aan te nemen, vroeg verdachte aan hem of er drugs in zat. Verdachte zei toen dat [naam 3] alles mocht laten bezorgen, zolang het maar niet gerelateerd was aan drugs. Hiervoor kreeg verdachte contant geld. Verdachte kent de volledige of echte naam van [naam 3] niet. Hij weet dat [naam 3] in [plaats] woont, maar niet precies waar.

Verdachte neemt ook wel eens pakketjes aan voor buren, maar vraagt dan nooit of dit te maken heeft met verdovende middelen.

Aan verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet. Verdachte heeft verklaard dat hij hiervan op de hoogte is.

Feit 1

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zijn berging ter beschikking heeft gesteld voor het (tijdelijk) opslaan van vier dozen. Deze dozen bevatten in totaal ongeveer 100 kilo procaïne, een stof die gebruikt kan worden als versnijdingsmiddel voor cocaïne.

De legaliteit van procaïne

De rechtbank is van oordeel dat procaïne, zeker in de aangetroffen hoeveelheid, geen legaal gebruik heeft en alleen wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2022:2464). Uit het procesdossier blijkt dat dit oordeel wordt ondersteund door zowel de politie als het NFI. Bovendien acht de rechtbank het, gelet op de manier waarop de pakketten waren verzonden (in een zak zonder inhoudslabel, die weer in een kartonnen doos zat) en de hoeveelheid (ongeveer 100 kilo), volstrekt onaannemelijk dat de aangetroffen procaïne werd verzonden met het oog op gebruiksmogelijkheden buiten het drugsproces.

Het opzet van verdachte ten aanzien van de procaïne

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de pakketten. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verdachte is verslaafd aan cocaïne. Via zijn bovenbuurjongen, van wie verdachte weet dat hij op het verkeerde pad terecht is gekomen, vermoedelijk gerelateerd aan verdovende middelen, heeft hij ‘[naam 3]’ leren kennen. Verdachte wist eigenlijk vrij weinig van hem, zoals zijn echte of volledige naam en zijn adres, anders dan dat hij in [plaats] woonde. [naam 3] bood hem geld om een pakketje in ontvangst te nemen. Verdachte is hiermee akkoord gegaan nadat hij enkel de vraag stelde of het te maken had met verdovende middelen, een vraag die hij niet stelt aan andere buren voor wie hij pakketjes in ontvangst heeft genomen. De pakketten werden telkens bezorgd bij verdachte in [woonplaats], terwijl [naam 3] in [plaats] woont. Hiervoor werd verdachte contant betaald. Als de pakketten bezorgd waren, moest verdachte telefonisch contact opnemen met [naam 3], waarna de pakketten werden opgehaald door [naam 3] zelf of door een chauffeur. Verdachte heeft in het afgelopen jaar ongeveer acht pakketten in ontvangst genomen. Op 2 september 2024 stuurde verdachte een bericht aan [naam 3] waaruit blijkt dat verdachte geïrriteerd was dat [naam 3] de pakketten die avond niet kwam ophalen, zoals afgesproken. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte kennelijk wilde dat de pakketten zo snel mogelijk werden opgehaald. Bovendien stond de naam van [naam 3] of van verdachte niet op de pakketten, maar waren zij geadresseerd aan andere, wisselende, personen wier naam verdachte niet kende.

De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken hoogst ongebruikelijk is en vraagtekens had moeten oproepen bij verdachte. Door desondanks de pakketten aan te nemen heeft verdachte zich bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze een voorwerp of stof met een illegale bestemming zou bevatten, zoals procaïne.

Dat verdachte rekening hield met de mogelijk illegale inhoud van de pakketten, volgt reeds uit de verklaring van verdachte dat hij eerst bij [naam 3] heeft geïnformeerd of de pakketten te maken hadden met verdovende middelen, iets wat hij niet aan andere buren vroeg voor wie hij pakketjes aannam.

Nu verdachte de pakketten met procaïne in zijn berging heeft opgeslagen, is de rechtbank van oordeel dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van die pakketten. Verdachte heeft ingestemd met het verzoek van [naam 3], zonder enige nadere informatie te vragen over de (inhoud van de) pakketten, anders dan de vraag of het verdovende middelen betrof, terwijl hij ook naliet (de inhoud van de) pakketten te controleren. Daarmee heeft hij onder de hiervoor geschetste omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de pakketten een voorwerp of stof met een illegale bestemming zouden bevatten.

Daarmee is de rechtbank van oordeel dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op het ter beschikking stellen van zijn berging voor het (tijdelijk) opslaan van vier dozen met in totaal ongeveer 100 kilo procaïne.

De tenlastegelegde voorbereidingshandelingen

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of dit voorbereidingshandelingen oplevert in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.

De rechtbank stelt voorop dat voor de toepassing van artikel 10a van de Opiumwet niet is vereist dat bekend is welk concreet strafbaar feit in de zin van artikel 10, vierde en/of vijfde lid, van de Opiumwet aan de orde is, noch dat kan worden vastgesteld dat de (voorhanden) voorwerpen of stoffen daadwerkelijk bij een dergelijk strafbaar feit zijn gebruikt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte, door zijn berging ter beschikking te stellen voor het (tijdelijk) opslaan van vier dozen met in totaal ongeveer 100 kilo procaïne, een stof die enkel nog wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne, voorbereidingshandelingen heeft gepleegd, bestaand uit het voorbereiden en/of bevorderen en/of het verschaffen van gelegenheid of in ieder geval het voorhanden hebben van goederen, om een feit, bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, mogelijk te maken, te weten het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid harddrugs, in elk geval een onbekend gebleven hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Het tenlastegelegde medeplegen

De rechtbank overweegt dat verdachte het verzoek van [naam 3] om pakketjes in ontvangst te nemen telkens accepteerde. Vervolgens hield [naam 3] hem op de hoogte door hem de track-and-trace code van de pakketjes door te sturen. Vervolgens maakten ze een afspraak en werd het pakketje opgehaald door [naam 3] of zijn chauffeur. Uit het bericht dat verdachte hem op 2 september 2024 heeft gestuurd, leidt de rechtbank af dat er een redelijk gelijkwaardige verhouding bestond tussen verdachte en [naam 3], want verdachte voelde zich vrij genoeg om zijn onvrede te uiten richting [naam 3]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen – in ieder geval – verdachte en de onbekend gebleven persoon of personen die [naam 3] genoemd wordt/worden. De rechtbank acht daarmee ook het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte ongeveer 100 kilo (vrijwel zuivere) procaïne in voorraad heeft gehad. Uit de productbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) blijkt dat dit een werkzame stof is. Dat het tegenwoordig zuiver wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne, doet daar niet aan af. Juist het feit dat procaïne een kortwerkend plaatselijk verdovingsmiddel is, maakt dat het uitermate geschikt is voor dit doel.

Ten aanzien van het opzet van verdachte verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van feit 1. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het in voorraad hebben van de procaïne, terwijl hij geen registratie had. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde.

Dat er geen sprake zou zijn van bedrijfsmatig handelen, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, doet daar niet aan af, nu dit geen vereiste is om tot bewezenverklaring te kunnen komen.

De (on)deugdelijkheid van het onderzoek

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat het onderzoek door het Openbaar Ministerie ondeugdelijk is, nu de overige betrokken personen niet zijn geïdentificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van overige, onbekend gebleven, personen niets afdoet aan de strafbaarheid van het handelen van verdachte. Bovendien heeft de politie alle gegevens onderzocht die verdachte over [naam 3] heeft verstrekt, maar dit heeft tot niets geleid. Verdachte heeft verder pas op de terechtzitting zijn vermoeden uitgesproken dat [naam 3] en zijn bovenbuurjongen samenwerken. Sterker nog, bij de politie heeft hij juist verklaard dat zijn bovenbuurjongen er niet tussen zit. Tot slot is er onderzoek gedaan naar de afzender van de pakketten, maar dit kon niet worden achterhaald, omdat de pakketten zijn verzonden en betaald door iemand in Duitsland.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de overige betrokkenen onbekend zijn gebleven niet maakt dat de kwaliteit van het onderzoek ondeugdelijk is. Er is dus geen sprake van een schending van het verdedigingsrecht. De rechtbank verwerpt dit verweer.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij een of meer tot op heden onbekend gebleven (mede)verdachten op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 3 september 2024, te [woonplaats], in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van van een hoeveelheid harddrugs, in elk geval een onbekend gebleven hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feit(en) te verschaffen, in elk geval goederen bestemd tot het plegen van die feit(ten) voorhanden te hebben,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks de periode gelegen tussen 1 september 2023 en 3 september 2024 te [woonplaats], meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door (aan) die onbekend gebleven persoon/personen (telkens)

- zijn, verdachtes berging/schuur/kelder, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], ter beschikking heeft gesteld voor het (tijdelijk) opslaan van vier dozen met (in totaal) ongeveer 100 kilogram procaïne, althans een hoeveelheid van voornoemde procaïne;

2. primairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2024 tot en met 3 september 2024 te [woonplaats], in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende procaïne, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of goederen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 2 primair:

overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat toepassing van artikel 9a Sr recht doet aan de beperkte rol en kwetsbaarheid van verdachte.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijk deel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, samen met één of meer onbekend gebleven anderen, schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen tot het onder meer bereiden en verwerken van harddrugs door in totaal ongeveer 100 kilo procaïne, een kortdurend plaatselijk verdovingsmiddel dat gebruikt wordt voor het versnijden van cocaïne, in zijn berging op te slaan.

Hiermee heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in Nederland. Door de handel in en het gebruik van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Bovendien veroorzaken drugs veelal, direct en indirect, vele vormen van criminaliteit. Blijkbaar heeft verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, want hij heeft zich laten overhalen tot het plegen van deze feiten doordat hij hiervoor contant geld kreeg. Verdachte heeft dit geld gebruikt om in zijn verslaving te kunnen voorzien.

Hoewel het handelen van verdachte hoe dan ook strafbaar is, had hij ook nog eens niet de registratie die op grond van de Geneesmiddelenwet vereist is voor het in voorraad hebben van procaïne. Met zijn handelen heeft verdachte het systeem van gecontroleerde handel in geneesmiddelen, dat van essentieel belang is voor de gezondheidszorg in Nederland, ondermijnd en daarmee de volksgezondheid in gevaar gebracht. Het gebruik van voornoemde middelen kan namelijk grote gevaren opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Dat maakt het handelen van verdachte extra kwalijk.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie en justitie.

IrisZorg heeft op 1 augustus 2025 een reclasseringsadvies uitgebracht over verdachte. De reclassering ziet zijn middelengebruik, financiële situatie en psychische gesteldheid als delictgerelateerde factoren. Het contact met zijn ouders lijkt een beschermende factor te zijn.

De voorlopige hechtenis van verdachte is op 6 september 2024 onder voorwaarden geschorst, maar de situatie van verdachte is feitelijk nog niet veel anders dan ten tijde van onderhavige delicten. Hij gebruikt nog dagelijks cocaïne. Hij heeft geen structurele, zinvolle dagbesteding die controleerbaar is voor de reclassering en er is nog weinig zicht op eventuele psychische problematiek en/of trauma’s. Een eigen woning is normaal gesproken een beschermende factor, maar in deze zaak is dat de vraag, aangezien verdachte de pakketten op zijn eigen adres heeft laten bezorgen. Al deze factoren maken dat de reclassering het risico op recidive inschat als gemiddeld. Verdachte is niet bekend met geweldsdelicten, wat maakt dat het risico op geweld wordt ingeschat als laag. Verdachte is, ondanks zijn uitgesproken motivatie, niet altijd afsprakentrouw. Hij vergeet regelmatig afspraken en/of komt te laat. Hierdoor wordt het risico op onttrekken aan voorwaarden ingeschat als gemiddeld. Daarnaast moet nog blijken of hij daadwerkelijk gemotiveerd is voor verandering.

De reclassering adviseert om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:

Verder heeft IrisZorg verdachte twee waarschuwingen gegeven, omdat hij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden waaronder zijn voorlopige hechtenis is geschorst. Verdachte heeft op 10 juni 2025 een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij zich niet aan de behandelverplichting heeft gehouden. Op 4 juli 2025 heeft hij een tweede officiële waarschuwing gekregen, omdat hij zich niet aan de meldplicht, behandelverplichting en de verplichting tot het verkrijgen en behouden van dagbesteding heeft gehouden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting een e-mailbericht van IrisZorg voorgehouden, dat zij op 15 augustus 2025 heeft ontvangen. Verdachte heeft, ondanks meerdere opvolgingen, inmiddels één berisping en drie waarschuwingen gekregen. Er heeft een voorwaardengesprek plaatsgevonden over zijn behandeling en dagbesteding. Verdachte komt afspraken niet na en meldt zich niet af. Desondanks blijft de reclassering bij haar advies. De reclassering geeft aan dat dit de laatste kans is voor verdachte.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat onderhavige feiten niet van geringe ernst zijn. Verder ziet zij in de persoonlijkheid van verdachte eveneens geen zodanige bijzonderheden dat toepassing van artikel 9a Sr op zijn plaats is.

In beginsel staat op feit 1 alleen al een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het echter van belang dat verdachte hulp krijgt om de problematiek die (mede) ten grondslag ligt aan zijn delictgedrag aan te pakken. De reclassering heeft verdachte een laatste kans geboden. De rechtbank vindt het heel belangrijk dat verdachte die kans krijgt en hoopt dan ook dat verdachte deze met beide handen aanneemt.

Daarom zal zij hem veroordelen tot:

De rechtbank acht het vanwege de ernst van de feiten niet passend om, zoals door de verdediging subsidiair verzocht, enkel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Daarom legt zij tevens de door de officier van justitie geëiste taakstraf op.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van de tijd dat verdachte in verzekering gesteld is geweest;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Tarweweg 20 in Nijmegen;

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door IrisZorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslaving van verdachte, alsmede de onderliggende problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken, indien de zorgverlener dit nodig vindt.

- Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie en/of stabilisatie en/of observatie en/of diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en

mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2025.

mr. Van Bergen en mr. Hoedeman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.S.M. van Bergen
  • mr. M. Hoedeman

Griffier

  • mr. M.M. Aalbers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?