RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.344629.24
Datum uitspraak : 28 augustus 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging/tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Doetinchem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven met een auto op/tegen het lichaam van die, [slachtoffer] , is (aan-/in)gereden, waardoor die [slachtoffer] (met kracht) met zijn hoofd en/of lichaam tegen en/of op de voorruit en/of motorkap van die auto terecht is gekomen/gebotst, en/of meerdere malen, althans eenmaal met een vuurwapen op en/of in de richting van die [slachtoffer]
heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer] in zijn linker(boven)been en/of rechterbil en/of rechterschouder, althans in het lichaam is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 1 oktober 2024 om 22.03 uur is [slachtoffer] in de [adres 2] in Doetinchem neergeschoten met een vuurwapen. [slachtoffer] is meermalen geraakt: in zijn linkerschouder, rechterbil en twee keer in zijn linkerbovenbeen.
Het vuurwapen dat op 11 juni 2025 in de kelderbox van [getuige 1] is aangetroffen is het vuurwapen waarmee [slachtoffer] is beschoten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake was van voorbedachte raad en ook niet van medeplegen en heeft daarom verzocht verdachte vrij te spreken van de poging tot moord. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het slachtoffer meermalen heeft beschoten en dat daarmee sprake is van een poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken. Verdachte ontkent ten stelligste dat hij aanwezig is geweest bij de aanrijding en de direct daarop volgende beschieting. Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij eerder die avond was beschoten door het latere slachtoffer, medeverdachte heeft gevraagd hem op te halen. Nadat zij naar de vriendin van verdachte en daarna naar Albert Heijn zijn gegaan, is verdachte ergens onderweg uitgestapt en heeft medeverdachte tegen hem gezegd dat hij het zou gaan fixen.
De raadsman heeft verzocht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , dat de bijrijder heeft geschoten, uit te sluiten van het bewijs, omdat deze verklaring onbetrouwbaar is. Op basis van het dossier is de conclusie te trekken dat [medeverdachte] juist degene is die heeft geschoten. [medeverdachte] verklaart volgens de raadsman enkel in zijn eigen belang.
Ook heeft de raadsman verzocht de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 1] en [medeverdachte] uit te sluiten van het bewijs, omdat deze onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Allereerst kwam de broer van medeverdachte, [medeverdachte] , pas acht maanden na het incident met onvolledige geluidsfragmenten tussen hem en de andere getuigen waarin hij evident druk uitoefent op de drie anderen om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Ten tweede zijn de getuigenverklaringen tegenstrijdig, niet consistent en alles lijkt door [medeverdachte] te zijn geïnstrueerd. De getuigen verklaren op essentiële punten afwijkend. Zo wijst [getuige 1] een heel andere plek aan waar de tas met het wapen is gepakt dan [medeverdachte] . Ook wordt heel wisselend verklaard wie op welke plek in de auto heeft gezeten toen verdachte zou hebben gezegd dat hij aangever had beschoten. Ook wordt wisselend verklaard over of verdachte vanuit of buiten de auto zou hebben geschoten. Tot slot geeft [medeverdachte] in het telefoongesprek met [getuige 1] aan niet te weten waar het vuurwapen verstopt is, terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij erbij was toen verdachte het vuurwapen schoonmaakte.
Dat verdachte de schutter is geweest kan enkel op basis van de verklaringen van bovengenoemde getuigen worden vastgesteld. Omdat deze van het bewijs moeten worden uitgesloten, is er volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de schutter is geweest.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat in onderhavige zaak meerdere en uiteenlopende verklaringen zijn afgelegd, niet alleen door verdachte en medeverdachte maar ook door getuigen die op een later moment zijn gehoord. Daarbij is de rechtbank zich ervan bewust dat er achterliggende conflicten met aangever spelen, waar de rechtbank onvolledig zicht op heeft gekregen. De rechtbank zal in haar beoordeling daarom zo veel mogelijk acht slaan op de grote lijn in het dossier en op dat wat wordt ondersteund door objectief bewijs.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij werd aangereden door een auto waarin twee personen zaten en dat hij direct daarna door hen vanuit de auto werd beschoten. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij van het slachtoffer meteen na de beschieting hoorde dat de daders twee personen in een zwarte Volkswagen Golf waren. Op camerabeelden aan de [adres 2] in Doetinchem is om 22.03 uur een donkerkleurig voertuig te zien. De binnenverlichting van de auto staat aan. Aan de silhouetten te zien lijkt het volgens de verbalisant dat er twee personen voorin het voertuig zitten, zijnde een bestuurder en een bijrijder.
De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat ten tijde van het beschieten van aangever [slachtoffer] twee personen in de auto zaten van waaruit werd geschoten.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij die avond berichten kreeg van een vriend dat hij was beschoten. Medeverdachte heeft zijn vriend toen met de auto opgehaald. Zij zijn daarna eerst naar het huis van de vriendin van die vriend en daarna naar de Albert Heijn gereden. Vervolgens gingen zij rondrijden en kwamen zij aangever tegen. Medeverdachte reed aangever aan. Vervolgens ging zijn vriend gelijk schieten.
Verdachte heeft verklaard dat hij die avond is beschoten door aangever. Hierna berichtte hij medeverdachte [medeverdachte] , die hem ophaalde met een zwarte Volkswagen. Zij zijn eerst naar het huis van de vriendin van verdachte en daarna naar de Albert Heijn gereden.
Verdachte heeft ontkend dat hij ten tijde van het schieten in de auto zat. Hij heeft verklaard dat hij, nadat hij en medeverdachte wegreden van de Albert Heijn, onderweg is uitgestapt en dat medeverdachte heeft gezegd dat hij het zou gaan fixen.
De rechtbank merkt allereerst op dat de verklaringen van verdachte op dit punt niet consistent zijn. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat hij werd afgezet bij een bos en ter zitting heeft hij verklaard dat hij bij een bushalte aan de [adres 3] is uitgestapt. Op een ander relevant punt wordt de verklaring van verdachte weerlegd door het dossier. Zo heeft verdachte volhardend verklaard dat, nadat hij door aangever was beschoten, hij 112 heeft gebeld en vervolgens, nadat hij contact had gelegd, zo lang aan de lijn moest blijven wachten dat hij de verbinding heeft verbroken. Zowel uit de telefoon van verdachte als de belgegevens van het Operationeel Centrum Apeldoorn en Driebergen blijkt dat er niet naar 112 is gebeld door verdachte. Verdachte heeft dus aantoonbaar gelogen over de vraag of hij toen hij was beschoten door [slachtoffer] zich bij de politie heeft gemeld voor hulp en bescherming. Dit roept vragen op over wat de intentie van verdachte was nadat hij door [slachtoffer] was beschoten. Zoals eerder overwogen zaten er ten tijde van het schietincident op [slachtoffer] twee personen in de auto. Het scenario van verdachte zou betekenen dat een onbekend gebleven andere persoon bij medeverdachte [medeverdachte] in de auto heeft gezeten ten tijde van de beschieting. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, mede in het licht van het tijdspad, zoals dat uit het dossier blijkt. Verdachte en medeverdachte zijn immers samen in de auto vertrokken vanaf de parkeerplaats van Albert Heijn om 22.00 uur en de auto is, blijkens de locatiegegevens van de telefoon van medeverdachte, om 22:02 uur aangekomen bij de [adres 2] . In die tussentijd zou niet alleen verdachte moeten zijn uitgestapt, maar zou een onbekend gebleven derde persoon moeten zijn ingestapt. Het dossier biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Zo blijkt uit de telefoons van verdachte en medeverdachte niet dat in het tijdsbestek tussen de twee schietpartijen contact is gelegd met een ander. Bovendien was het juist verdachte die die avond een conflict had met aangever. De rechtbank acht het scenario dat verdachte onderweg is uitgestapt daarom niet aannemelijk geworden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de tweede persoon bij medeverdachte in de auto was ten tijde van de beschietingen.
Vervolgens ligt de vraag voor wie de schutter is geweest. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn vriend, de bijrijder, heeft geschoten.
Getuigen [medeverdachte] (de broer van medeverdachte), [getuige 2] , [getuige 3] en
[getuige 1] hebben verklaard dat zij op 1 oktober 2024 na het incident in een auto zaten met verdachte en dat verdachte toen vertelde dat hij had geschoten.
Getuige [medeverdachte] heeft verder verklaard dat verdachte vertelde dat hij vijf of zes keer de trekker had overgehaald, terwijl [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer] ) op de grond lag. Getuige zag dat verdachte daarna buiten een tasje pakte. Vervolgens zijn getuige, [naam] (de rechtbank begrijpt: [getuige 1] ) en verdachte naar het huis van [naam] gelopen. Daar haalde verdachte een pistool uit de tas en maakte die goed schoon. Hij zei tegen [naam] dat hij het moest bewaren en dan zou verdachte het de volgende ochtend om 06:00 uur ophalen. Verdachte heeft het wapen echter niet meer opgehaald.
Getuige [getuige 1] heeft op 11 juni 2025 verklaard dat verdachte vertelde dat hij uit het raam van de auto had geschoten. Daarna zag hij dat verdachte ergens een tas vandaan haalde. Verdachte en [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) zijn met hem mee naar zijn huis gelopen. Verdachte liet vervolgens zien dat er een pistool in de tas zat en heeft toen het pistool schoongemaakt. Het wapen ligt nog bij getuige in de schuur.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte en de bovengenoemde vier getuigen onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten.
De rechtbank erkent dat er discrepanties zitten in en tussen de verklaringen van de getuigen [medeverdachte] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] . Zo wordt er bijvoorbeeld door [getuige 1] en [medeverdachte] verschillend verklaard over waar verdachte de tas met het wapen vandaan zou hebben gehaald. Ook wordt door de vier getuigen wisselend verklaard over wie op welke plek in de auto zat toen verdachte hen vertelde dat hij [slachtoffer] had beschoten.
Desalniettemin acht de rechtbank de verklaringen van medeverdachte en de getuigen op relevante punten betrouwbaar. Allereerst is de essentie van de getuigenverklaringen eensluidend: verdachte heeft die avond (in de auto verteld dat hij) iemand (had) beschoten. De verklaringen van de vier getuigen en die van de medeverdachte vinden daarbij steun in elkaar. Bovendien vinden de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige 1] steun in het objectieve gegeven dat het vuurwapen waarmee aangever is beschoten later bij [getuige 1] in de kelderbox is aangetroffen. Verder hebben de vier getuigen verklaard dat zij zowel vrienden zijn van medeverdachte als van verdachte, waardoor het niet voor de hand ligt dat zij allen ten nadele van de één (en daarmee ten gunste van de ander) verklaren. Ook de transcripties van de opgenomen telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en de andere drie getuigen wijzen daar niet op. Tot slot is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit de opgenomen telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en de andere drie getuigen niet blijkt dat hij hen geeft geïnstrueerd.
De rechtbank acht de verklaringen van medeverdachte en de vier getuigen op het punt dat verdachte (heeft gezegd dat hij) die avond iemand had beschoten dan ook geloofwaardig en betrouwbaar. Dat deze verklaringen van de vier getuigen op andere onderdelen niet overeenkomen doet daar, gelet op het voorgaande, niet aan af. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.
De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien vast dat verdachte, die in conflict was met aangever, op korte afstand meerdere malen op aangever heeft geschoten, nadat aangever was aangereden. Aangever is hierbij vier keer geraakt. De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever.
De rechtbank acht bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die op aangever is ingereden. De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat sprake was van medeplegen. Daarvoor is onvoldoende bewijs over een nauwe en bewuste samenwerking enerzijds bij het aanrijden door de medeverdachte en anderzijds bij het schieten door verdachte. Evenmin is er voldoende bewijs voor de aanwezigheid van een plan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het inrijden op aangever, het medeplegen en de voorbedachte raad.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Doetinchem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven met een auto op/tegen het lichaam van die, [slachtoffer] , is (aan-/in)gereden, waardoor die [slachtoffer] (met kracht) met zijn hoofd en/of lichaam tegen en/of op de voorruit en/of motorkap van die auto terecht is gekomen/gebotst, en/of meerdere malen, althans eenmaal met een vuurwapen op en/of in de richting van die [slachtoffer]
heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer] in zijn linker(boven)been en/of rechterbil en/of rechterschouder, althans in het lichaam is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist. Verdachte is niet eerder voor een misdrijf veroordeeld.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte is, nadat hij werd beschoten door het slachtoffer, ongeveer een half uur later samen met medeverdachte naar de straat van het slachtoffer gereden. Medeverdachte reed het slachtoffer aan, waarna verdachte met een vuurwapen meerdere keren op het slachtoffer schoot. Het slachtoffer is geraakt in zijn schouder, bil en twee keer in zijn bovenbeen. Hij is hierbij ernstig gewond geraakt. Twee kogels zitten nog in zijn lichaam, één daarvan heeft schade aangericht in zijn buik. Hij is in het ziekenhuis geopereerd en heeft tot de dag van vandaag een stoma. Het is nog de vraag in hoeverre hij hiervan zal herstellen. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat hij het heeft overleefd.
Dergelijk gewelddadig optreden op straat, midden in een woonwijk, is niet alleen levensbedreigend en angstaanjagend voor het slachtoffer, maar ook schokkend voor omwonenden en getuigen van het incident. Dat blijkt ook uit de verklaring van de getuige die het slachtoffer voor haar deur aantrof en heeft opgevangen. Dat verdachte ervoor kiest om op deze manier te reageren op de aanval van het latere slachtoffer een half uur eerder, is een ernstige vorm van eigenrichting die grote gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt. Daarbij zijn er aanwijzingen dat vermoedelijk sprake was van een langer durend conflict in de drugswereld.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
De reclassering heeft in haar rapport van 31 juli 2025 onderzoek gedaan of het jeugdstrafrecht toegepast zou moeten worden. Uit het ASR-wegingskader kwam naar voren dat er op het gebied van handelingsvaardigheden enkele vraagtekens gesteld kunnen worden bij het gedrag dat verdachte vertoont, rondom probleemoplossend vermogen en impulsiviteit. De reclassering ziet echter een jongeman die geen kinderlijker gedrag vertoont dan men gezien zijn kalenderleeftijd zou verwachten. Ook weet hij zijn eigen gedrag goed te organiseren. De reclassering ziet geen aanknopingspunten op het gebied van pedagogische mogelijkheden. Zij concludeert daarom dat er geen redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen en adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen. Verder heeft de reclassering geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.
De rechtbank volgt het advies van de reclassering en past het volwassenenstrafrecht toe. Zij houdt in haar strafoplegging wel rekening met de jonge leeftijd van verdachte.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.577,75 aan materiële schade en € 35.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.539,74, met uitzondering van de schadepost ‘jas’, die moet worden afgewezen, en het smartengeld tot een bedrag van € 15.000,-, allebei met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van het ziekenhuisdaggeld, de reiskosten, de behandelingen bij de fysiotherapeut en het eigen risico. De verdediging verzoekt de schadeposten kleding te matigen in verband met afschrijving. De schadepost ‘jas’ moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is aangetoond dat die jas die dag is gedragen. De immateriële schade moet ook worden gematigd. Daarin moet rekening worden gehouden met de mate van eigen schuld van het slachtoffer.
De toekomstige schade is niet voor toewijzing vatbaar en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus nog steeds de verdediging.
Overweging van de rechtbank
Uit het dossier volgt dat het incident waarbij de benadeelde partij gewond is geraakt, diezelfde avond vooraf is gegaan door een schietincident waarbij de benadeelde partij de schutter was en de medeverdachte de beschotene. De benadeelde partij is inmiddels veroordeeld voor dit incident. Door de verdediging is, onder meer, een gemotiveerd beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. Dat verweer heeft, indien het slaagt, mogelijk gevolgen voor zowel de materiële als de immateriële post van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat een verder debat hierover een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.