ECLI:NL:RBGEL:2025:11716

ECLI:NL:RBGEL:2025:11716

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 28-08-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 315523-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Vrijspraak poging moord en poging doodslag, veroordeling poging tot zware mishandeling door met een auto op het slachtoffer in te rijden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.315523.24

Datum uitspraak : 28 augustus 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats].

Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging/tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Doetinchem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een auto op/tegen het lichaam van die, [slachtoffer], is (aan-/in-)gereden, waardoor die [slachtoffer] (met kracht) met zijn hoofd en/of lichaam tegen en/of op de voorruit en/of motorkap van die auto terecht is gekomen/gebotst, en/of meerdere malen, althans eenmaal met een vuurwapen op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij die [slachtoffer] in zijn linker(boven)b een en/of rechterbil en/of rechterschouder, althans in het lichaam is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aaneen ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto op/tegen het lichaam van die, [slachtoffer]

, is (aan-/in-)gereden, waardoor die [slachtoffer] (met kracht) met zijn hoofd en/of lichaam tegen en/of op de voorruit en/of motorkap van die auto terecht is gekomen/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat verdachte de schutter is geweest of dat sprake was van medeplegen. Verdachte heeft bekend dat hij de bestuurder van de auto was en aangever heeft aangereden, maar niet kan worden vastgesteld dat dit met dusdanige snelheid is geweest dat sprake is van een poging tot doodslag.

De officier van justitie en de verdediging hebben betoogd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiaire ten laste gelegde poging tot zware mishandeling door met een auto op aangever in te rijden.

De beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag

De rechtbank is, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de schutter is geweest en dat ook niet kan worden vastgesteld dat sprake was van medeplegen.

De rechtbank stelt op basis van het dossier, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, vast dat verdachte aangever heeft aangereden. Verdachte heeft verklaard dat hij stil stond en toen hij aangever zag heeft hij gas gegeven. De auto is aangetroffen in de eerste versnelling. Aangever heeft verklaard dat hij de auto zag staan en dat toen gas werd gegeven. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte op een dusdanige wijze op aangever in heeft gereden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte met een personenauto aangever opzettelijk heeft aangereden. Verdachte heeft verklaard dat hij met een snelheid van 10 à 20 km/u per uur reed toen hij aangever raakte. Er is geen onderzoek gedaan naar de snelheid van de auto op het moment van de botsing, maar de rechtbank stelt vast dat aangever op de voorruit van de auto is beland, waarna de voorruit is gebarsten. Verdachte heeft aangever dus met enige kracht geraakt. Door met een auto op deze wijze op een voetganger in te rijden, bestaat de aanmerkelijke kans dat die persoon bij een aanrijding zwaar lichamelijk letsel oploopt, bijvoorbeeld door onder het voertuig te komen of, in dit geval, tegen het voertuig aan te komen. Dit mede gelet op de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam ten opzichte van een motorvoertuig. Een dergelijk risico mag bij een ieder bekend worden verondersteld, dus ook bij verdachte. Door met die wetenschap toch op deze manier op aangever in te rijden, heeft verdachte het risico op zwaar lichamelijk letsel bij aangever bewust aanvaard. Aldus is sprake van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto op/tegen het lichaam van die, [slachtoffer]

, is (aan-/in-)gereden, waardoor die [slachtoffer] (met kracht) met zijn hoofd en/of lichaam tegen en/of op de voorruit en/of motorkap van die auto terecht is gekomen/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

5. De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair een beroep gedaan op putatief noodweer. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het slachtoffer ongeveer een half uur daarvoor op medeverdachte heeft geschoten. Verdachte wist dus dat het slachtoffer in het bezit was van een vuurwapen en er niet voor terugdeinsde om deze te gebruiken. Verdachte had daardoor angst dat er opnieuw op hen zou worden geschoten. Op het moment dat verdachte samen met medeverdachte het slachtoffer tegenkwam waren zij in de veronderstelling dat het slachtoffer gewapend was met een echt vuurwapen en bereid was dit te gebruiken. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer een bepaalde beweging maakte waardoor hij dacht dat aangever een wapen wilde trekken en ermee wilde gaan schieten. Verdachte was verschoonbaar in de veronderstelling dat aangever een wapen bij zich had en dat wilde gaan gebruiken. Tegen dit dreigende gevaar mocht en moest hij zich beschermen, in de gedachtegang van verdachte.

Subsidiair is aangevoerd dat sprake is van (putatief) noodweerexces, vanwege de hevige gemoedstoestand van verdachte, met name angst en stress.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte dat hij een dreigende beweging van het slachtoffer zag geen steun vindt in het dossier en dus niet aannemelijk is gemaakt. Ook de hevige gemoedsbeweging van verdachte is onvoldoende onderbouwd, gelet op het feit dat niet hij maar medeverdachte die avond een conflict had met aangever en beschoten was.

De beoordeling door de rechtbank

Een beroep op noodweer kan slagen als sprake is van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 oktober 2024 rond 21:30 uur werd medeverdachte beschoten door aangever. Medeverdachte heeft verdachte om 21:37 uur hierover geappt “er is op mij geschoten” en “3 keer”, waarna verdachte hem heeft opgehaald. Zij zijn naar de woning van een vriendin van medeverdachte gereden. De telefoon van de medeverdachte heeft om 21:49 uur verbinding gemaakt met een Wi-Fi netwerk waarbij het adres [adres 2] naar voren kwam, de vriendin van de medeverdachte woont aan het [adres 2] (p. 220). De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte en medeverdachte rond 21:49 uur bij de vriendin van de medeverdachte waren. Daarna zijn zij naar Albert Heijn gereden. Verdachte is in de winkel geweest van ongeveer 21:54 tot 21:59 uur. Vanaf Albert Heijn zijn zij om 22:00 uur vertrokken en rechtstreeks naar de [adres 3] gereden, waar de flat staat waar aangever verbleef. Zij kwamen daar om 22:02 uur aan (het proces-verbaal van bevindingen, p. 231), waar zij op de parkeerplaats stilstonden. Zeer kort daarna verplaatsen zij de auto naar de hoek/rotonde van de [adres 3], om daar vervolgens weer stil te staan (proces-verbaal verhoor [verdachte], p. 48 en 54 (persoonsdossier [verdachte])). Vanaf deze plek is zicht op de in-/uitgang van de flat waar aangever verbleef: [adres 3] 86 (p. 71). Op de [adres 3] is aangever eerst aangereden en toen beschoten. Om 22:03 uur heeft de politie een melding doorgegeven van een schietpartij aan de [adres 3] .

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte en medeverdachte, nadat de medeverdachte is beschoten door aangever, via een korte stop bij een vriendin van medeverdachte naar Albert Heijn zijn gereden en wederom na een korte stop vanuit de parkeerplaats van Albert Heijn rechtstreeks in twee minuten naar de [adres 3] zijn gereden, waar zij de auto hebben geparkeerd en vervolgens hebben geherpositioneerd. Een locatie waar zij niets te zoeken hadden.

De rechtbank kan niet vaststellen wat precies de bedoeling van verdachte (en medeverdachte) is geweest door naar de [adres 3] te rijden, omdat zij daar beiden geen openheid van zaken over hebben gegeven. Dat zij, nadat zij Albert Heijn hadden bezocht gewoon rondjes aan het rijden waren, zoals door verdachte verklaard, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Feit is dat de medeverdachte op de [adres 3] over een geladen wapen beschikte en dat ook gebruikt heeft. Hoewel het dossier geen bewijs bevat dat verdachte van dat wapen op de hoogte was, is dit voor de rechtbank een aanwijzing dat van gewoon rondjes rijden en een beetje tot rust komen geen sprake was. Het eerdere schietincident, de afgelegde route (in één rechte lijn vanaf de Albert Heijn) en het korte tijdspad leiden de rechtbank tot de conclusie dat naar de uiterlijke verschijningsvorm het niet anders kan dan dat zij uit waren op een confrontatie met aangever. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit het dossier volgt dat verdachte al langer een conflict met aangever had. Op een video op de telefoon van medeverdachte is namelijk te zien dat verdachte aangever op 22 september 2024 met een auto van zijn fiets rijdt (het proces-verbaal van bevindingen, p. 222 en 223).

Verdachte wist dat de confrontatie op 1 oktober 2024 waarschijnlijk zeer gewelddadig zou worden. Medeverdachte was immers ongeveer een half uur eerder door aangever beschoten. Verdachte was er dus van op de hoogte dat aangever die avond een wapen had en dat hij niet schuwde deze ook te gebruiken. Uit zijn eigen verklaringen blijkt ook dat hij dacht dat hij mogelijk gevaar liep. Toen hij medeverdachte naar de flat van diens vriendin bracht, heeft hij in de trappengang van die flat op hem gewacht. Verdachte heeft verklaard dat hij dit deed omdat hij zich in de auto niet veilig voelde vanwege de beschieting op medeverdachte die avond.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met de medeverdachte onder de genoemde omstandigheden vrijwel rechtstreeks naar de verblijfsplaats van aangever te rijden de gewelddadige confrontatie met aangever heeft opgezocht. Dit handelen is in de kern aanvallend en niet verdedigend van aard. Hem komt daarom geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toe. Door de confrontatie op te zoeken was immers geen sprake tot noodzakelijke verdediging. De vraag of aangever een bedreigende beweging heeft gemaakt toen het inderdaad tot de opgezochte confrontatie kwam, is dan niet meer van belang.

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 450 dagen, waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, met aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een straf wordt opgelegd conform de periode het voorarrest, te weten 274 dagen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het oriëntatiepunt van de LOVS voor het jeugdstrafrecht een jeugddetentie tussen 3 en 6 maanden is en verdachte daarbij verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich op 1 oktober 2024 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een auto aan te rijden, waarna het slachtoffer door de medeverdachte is beschoten. Het slachtoffer hield aan de aanrijding in ieder geval een verwonding aan zijn gezicht over. Aan de beschieting heeft hij meerdere verwondingen over gehouden. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat verdachte ervoor kiest om op deze manier een reactie te geven op wat een half uur eerder die avond tussen het latere slachtoffer en de medeverdachte is gebeurd, is een vorm van eigenrichting die grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Daarbij zijn er aanwijzingen dat vermoedelijk sprake was van een langer durend conflict in de drugswereld.

Verdachte is door een psycholoog onderzocht. Uit het Pro Justitia-rapport van 27 februari 2025 volgt dat bij verdachte sprake is van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling, ADHD (onoplettendheid) en verslaving (cannabis). Ook is er sprake van gezinsproblematiek (ouder-kind relatieprobleem). De combinatie van voorgaande hebben elkaar in negatieve zin beïnvloed en geleid tot zulk zelfbepalend gedrag bij verdachte dat voldaan wordt aan de classificatie

van een oppositionele-opstandige stoornis (regelovertredend gedrag, verbale agressie, voegproblemen). Daarnaast zijn er zorgen over school, omdat het verdachte niet is gelukt om optimaal gebruik te maken van zijn leercapaciteit en zich te houden aan de regels. Deze problematiek speelde ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedde verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen. De psycholoog adviseert dan ook het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Ook adviseert de psycholoog het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en past het minderjarigenstrafrecht toe.

De psycholoog en de reclassering adviseren een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder onder meer begeleiding door de Jeugdreclassering (met ITB Harde Kern Plus Variant).

Uit het advies van de reclassering volgt dat verdachte positieve stappen heeft gezet tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Hij heeft laten zien dat hij begeleidbaar is, aansluiting vindt bij een meer beschermende structuur en gemotiveerd lijkt voor gedragsverandering. Ook heeft hij afstand genomen van een groot deel van zijn sociale netwerk in Doetinchem. Zijn huidige contacten zijn pro sociaal en ondersteunen hem op een positieve manier. Voortzetting van de begeleiding, opleiding, toezicht, structuur en het nog opstarten van ambulante behandeling zijn noodzakelijk om het recidiverisico verder te beperken. Een voorwaardelijke gevangenisstraf kan als stok achter de deur dienen het ingezette traject goed te volbrengen.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte een auto als wapen heeft gebruikt en dat hij zich heeft bemoeid in een heftig conflict, vermoedelijk binnen de drugswereld. Hier past een stevige straf bij, zodat niet kan worden volstaan met het in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) genoemde uitgangspunt.

De rechtbank acht het verder van belang dat verdachte een strak kader krijgt met een flinke stok achter de deur.

Tot slot acht de rechtbank het van belang dat, hoewel pril, de positieve weg die verdachte is ingeslagen niet wordt doorkruist. Zij zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Alles afwegende vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het bewezenverklaarde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.577,75 aan materiële schade en € 35.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade de posten ‘reiskosten politie’ (€ 18,48) en ‘slippers’ (€ 45,-) kunnen worden toegewezen, en dat het gevorderde smartengeld kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, allebei met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De proceskosten ‘reiskosten advocaat’ en ‘reiskosten SHN’ kunnen tot een bedrag van € 67,32 worden toegewezen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de vordering te belastend is voor het strafproces wegens haar complexiteit.

Overweging van de rechtbank

Uit het dossier volgt dat het incident waarbij de benadeelde partij gewond is geraakt, diezelfde avond vooraf is gegaan door een schietincident waarbij de benadeelde partij de schutter was en de medeverdachte de beschotene. De benadeelde partij is inmiddels veroordeeld voor dit incident. Door de verdediging is, onder meer, een gemotiveerd beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. Dat verweer heeft, indien het slaagt, mogelijk gevolgen voor zowel de materiële als de immateriële post van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat een verder debat hierover een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 450 dagen;

- verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering van JB West en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt. Ook werkt hij gedurende 4,5 maand mee aan de ITB Harde Kern Plus variant, aan huisbezoeken en het weekschema dat door de jeugdreclassering wordt opgesteld;

- verdachte zich laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt zolang de jeugdreclassering en Forensische Zorg Zeeland dat nodig vinden. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

- verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De jeugdreclassering bepaalt of en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met aangever en medeverdachte, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- verdachte gedurende het ITB Harde Kern Plus Variant op de vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van het ITB Harde Kern weekschema en de dagbesteding. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatiegebod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de jeugdreclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland blijft. Het huidige verblijfadres is een geheim adres, maar bekend bij de reclassering en het Openbaar Ministerie. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de jeugdreclassering daarvoor toestemming geeft;

- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding in de vorm van een opleiding en/of werk, dan wel een dagbesteding die de jeugdreclassering verdachte aanwijst met een vaste dagstructuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- er te zijner tijd wordt toegewerkt naar een vorm van begeleid zelfstandig wonen bij Vivet of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;

 stelt als overige voorwaarden dat:

 geeft opdracht aan JB West tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.M. Vogel
  • mr. A. Bril

Griffier

  • mr. T.J. Schoen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?