RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.390060.24
Datum uitspraak : 24 juli 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] (Filipijnen), wonende aan [adres 1] in [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsman: mr. M.C. Jonge Vos, advocaat in Amsterdam .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 6 december 2024 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] , (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar medeverdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] (gelegen aan de [adres 2] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar medeverdachte toebehoorde(n)
welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het- met (deels) gezichtsbedekkende kleding dat tankstation betreden en/of- op dreigende/intimiderende wijze benaderen van die [aangever] en/of- agressief dichtbij die [aangever] gaan staan, en/of- tegen die [aangever] zeggen “Geld, geld”, en/of- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of- duwen van die [aangever] in de richting van de toonbank, en/of- verder achter de toonbank (in de richting van de zich aldaar bevindende kassa) duwen van die [aangever] , en/of- plaatsen/duwen van het vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de (linker) zijde van het lichaam van die [aangever] , en/of- met een dreigende/intimiderende houding [aangever] de kassalade doen openen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 6 december 2024 te Zutphen, althans in Nederland meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] , (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte] en/of [verdachte] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] (gelegen aan de [adres 2] ) in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte] en/of [verdachte] toebehoorde(n)
welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het- met (deels) gezichtsbedekkende kleding dat tankstation betreden en/of- op dreigende/intimiderende wijze benaderen van die [aangever] en/of- agressief dichtbij die [aangever] gaan staan, en/of- tegen die [aangever] te zeggen “Geld, geld”, en/of- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of- duwen van die [aangever] in de richting van de toonbank, en/of- verder achter de toonbank (in de richting van de zich aldaar bevindende kassa) duwen van die [aangever] , en/of- plaatsen/duwen van het vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de (linker)zijde van het lichaam van die [aangever] , en/of- met een dreigende/intimiderende houding [aangever] de kassalade doen openen;bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte [verdachte] op of omstreeks 6 december 2024 in de gemeente Zutphen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door- de medeverdachte [medeverdachte] in een door haar, verdachte, bestuurde auto naar en/of van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of- in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats van het misdrijf zich op te houden en/of op de uitkijk te gaan staan.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Vrijspraak medeplegen (primair)
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld.
De rechtbank acht het medeplegen, gelijk aan het standpunt van de verdediging, echter niet wettig en overtuigend bewezen, omdat het dossier geen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte dan wel onbekend gebleven derden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.
Bekennende verdachte medeplichtigheid (subsidiair)
Er is sprake van een (grotendeels) bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 292 en 293;
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 297 en 298;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 310 en 311;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2025.
De bekennende verklaring van verdachte strekt tot haar aandeel in het tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft verdachte immers aangegeven dat zij alleen over haar aandeel wenst te verklaren. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of het medeverdachte [medeverdachte] (05.39755.24) was die verdachte behulpzaam bij de overval is geweest, zoals die is tenlastegelegd.
Aangeefster, [aangever] , heeft aangifte gedaan van een overval op 6 december 2024 bij [bedrijf] aan de [adres 2] in Zutphen, waar zij aan het werk was. De overvaller, een man, kwam met deels gezichtsbedekkende kleding het tankstation binnen. Hij ging op agressieve wijze dichtbij [aangever] staan en zei tegen haar ‘geld, geld’. Hij toonde haar een vuurwapen en duwde haar in de richting van de toonbank en verder achter de toonbank in de richting van de kassa. Toen aangeefster bij de kassa stond, duwde de man het vuurwapen in haar linkerzijde. Hij had continu een dreigende/intimiderende houding richting [aangever] . Zij heeft onder deze dreiging de kassalade geopend. De man heeft al het briefgeld, ter waarde van € 290,00, uit de kassa gepakt en is weggegaan.
Herkenning door aangeefster
Aangeefster [aangever] is aanvullend verhoord naar aanleiding van de pro formazitting op 20 maart 2025, alwaar medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting is verschenen. Zij verklaart hierover dat zij de [medeverdachte] binnen zag komen lopen en dat zij direct naar achteren schoof toen zij hem zag. Zij herkende [medeverdachte] direct als degene die haar in het tankstation heeft overvallen. Hij had tijdens de overval iets over zijn mond en neus zitten, aangeefster kon wel de bovenste helft van zijn gezicht zien. Aangeefster herkende [medeverdachte] aan zijn gezicht, zijn blik en zijn stem.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de herkenning door aangeefster, dit geldt te meer gelet op al het onderstaande.
Getuige [getuige]
Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij op 6 december 2024 rond het tijdstip van de overval op het [bedrijf] , aan het wandelen was over de parkeerplaats van het tankstation. Toen hij net voorbij het midden van de parkeerplaats liep zag hij door de bosschages een persoon rennen. Hij had hier een raar gevoel bij. Deze persoon rende via het trappetje naar beneden de parkeerplaats op. Hij stapte aan de bijrijderskant in een auto met het kenteken [kenteken] . De rechtbank stelt, gelet op de datum, het tijdstip en de locatie waarop getuige [getuige] de persoon zag rennen, vast dat de persoon die hij gezien heeft de overvaller op het [bedrijf] was.
De vluchtauto en de daarin aangetroffen spullen
De auto met het kenteken [kenteken] is van verdachte. Deze auto is doorzocht en daarin zijn onder meer een fleece col, zwart van kleur, op de grond voor de voorstoel van de bijrijder, een portemonnee met daarin het identiteitsbewijs van [medeverdachte] in het portiervak van de deur van de bijrijder en in het dasboardkastje twee ringen en twee stuks munitie aangetroffen.
De gevonden fleece col is aan de binnenzijde ter hoogte van de vermoedelijke voorzijde bemonsterd op biologisch sporenmateriaal. Dit materiaal is onder meer vergeleken met het DNA-profiel van [medeverdachte] . Het resultaat van deze vergelijking is dat er een DNA-hoofdprofiel is afgeleid van [medeverdachte] waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat op de fleece col DNA-materiaal van [medeverdachte] is aangetroffen en dat hij deze heeft gedragen.
Herkenning door politie
De politie heeft naar aanleiding van het aantreffen van het identiteitsbewijs van [medeverdachte] met daarop zijn gegevens, onderzoek gedaan op Facebook. Zij troffen daar een account aan met de naam [medeverdachte] en een profielfoto die sterke overeenkomsten vertoond met de foto op het gevonden identiteitsbewijs. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] heet op Facebook. De rechtbank concludeert dat de door de politie aangetroffen Facebookpagina
aan [medeverdachte] toebehoort en dat hij degene is die op de profielfoto van dit account is te zien.
De politie heeft de camerabeelden van de overval op het tankstation op 6 december 2024 bekeken en vergeleken met de foto’s van [medeverdachte] op zijn Facebookpagina. Zij zien gelijkenissen in de vorm van wallen dan wel huidplooien onder de ogen van [medeverdachte] en die van de overvaller, de vorm van de wenkbrauwen is gelijk, het haar is bij beide personen op dezelfde plek dunner en er is te zien dat zowel [medeverdachte] als de overvaller op de camerabeelden hoogstwaarschijnlijk een oorbel dragen. De verbalisant concludeert op grond hiervan dat hij [medeverdachte] herkent als de overvaller op de camerabeelden van het tankstation. De rechtbank heeft geen reden om aan deze herkenning te twijfelen en neemt deze conclusie over als de hare.
Conclusie rechtbank
De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het medeverdachte [medeverdachte] is geweest die de overval op het Argos tankstation heeft gepleegd.
De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 december 2024 medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, zoals subsidiair tenlastegelegd.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
[medeverdachte] op of omstreeks 6 december 2024 te Zutphen, althans in Nederland meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] , (gelegen aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte] en/of [verdachte] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] (gelegen aan de [adres 2] ) in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte] en/of [verdachte] toebehoorde(n)
welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het- met (deels) gezichtsbedekkende kleding dat tankstation betreden en/of- op dreigende/intimiderende wijze benaderen van die [aangever] en/of- agressief dichtbij die [aangever] gaan staan, en/of- tegen die [aangever] te zeggen “Geld, geld”, en/of- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of- duwen van die [aangever] in de richting van de toonbank, en/of- verder achter de toonbank (in de richting van de zich aldaar bevindende kassa) duwen van die [aangever] , en/of- plaatsen/duwen van het vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de (linker)zijde van het lichaam van die [aangever] , en/of- met een dreigende/intimiderende houding [aangever] de kassalade doen openen;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte [verdachte] op of omstreeks 6 december 2024 in de gemeente Zutphen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door- de medeverdachte [medeverdachte] in een door haar, verdachte, bestuurde auto naar en/of van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of- in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats van het misdrijf zich op te houden en/of op de uitkijk te gaan staan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Subsidiair:
Medeplichtigheid aan diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op de impact van het feit op het slachtoffer, de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte en het reclasseringsadvies over verdachte, gevorderd dat zij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden wordt de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd. Daarnaast verzoekt de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de strafeis van de officier van justitie aanzienlijk gematigd moet worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van medeplichtigheid en dat verdachte niets wist van het bij de overval gebruikte vuurwapen. Verdachte wil bovendien graag geholpen worden door de reclassering om haar leven positief te veranderen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 6 december 2024 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op het [bedrijf] in Zutphen, alwaar [aangever] op dat moment als kassamedewerker aan het werk was. De medeverdachte is de tankshop binnengegaan en heeft [aangever] met (bedreiging met) geweld gedwongen om hem toegang tot de kassalade te geven, waaruit hij meerdere bankbiljetten ter waarde van in totaal € 290,00 heeft weggenomen. Verdachte is hierbij behulpzaam geweest door de medeverdachte naar de plek van de overval te brengen, op hem te wachten en hem weer weg te brengen. Verdachte had sterke vermoedens over wat de medeverdachte ging doen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Dit soort delicten behoort tot een categorie van strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, in het bijzonder bij [aangever] , hetgeen ook volgt uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. [aangever] ondervindt tot op heden de psychisch nadelige gevolgen van deze traumatische gebeurtenis. Ook is er financiële schade toegebracht aan de eigenaar van het tankstation.
Ter terechtzitting heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor haar daden en zij heeft tegenover het slachtoffer ook haar spijt betuigd. De rechtbank komt anders dan de officier van justitie niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen en ziet daarin en in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals naar voren gekomen uit het strafdossier en in het verhandelde ter terechtzitting, grond om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank sluit aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging voor de rechtspraak.
Alles overwegende komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank zal deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu zij geen direct ernstig gevaar voor herhaling aanneemt van dergelijke feiten. Het dossier geeft hier geen aanleiding toe.
De rechtbank zal verdachte voorts, ter beveiliging van de maatschappij en het slachtoffer [aangever] in het bijzonder, een locatieverbod opleggen ten aanzien van het terrein van het Argos tankstation en een contactverbod ten aanzien van [aangever] , ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 1 week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De volgende benadeelde partijen hebben in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend.
Allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is door beide benadeelden om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de beide benadeelde partijen hoofdelijk kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [bedrijf] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de vordering van [aangever] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze ten aanzien van het gevorderde smartengeld moet worden gematigd tot een bedrag van € 750,00. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
De vordering van [bedrijf]
De gestelde schade bestaat uit het weggenomen geldbedrag. De rechtbank acht de schade voldoende onderbouwd en is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De vordering zal daarom worden toegewezen.
De vordering van [aangever]
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet zijn betwist en dat deze voldoende zijn onderbouwd en de rechtbank redelijk voorkomen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de overval heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 6 december 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
Hoofdelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De beoordeling van het beslag
De rechtbank zal de personenauto PL0600-2024572763-G3348588, zwart, merk: Peugeot die aan verdachte toebehoort met behulp waarvan het feit is begaan, verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank zal de teruggave van de volgende voorwerpen aan de rechthebbende gelasten, omdat geen sprake is van de gevallen als genoemd in de artikelen 33a of 36c, waardoor deze voorwerpen niet voor verbeurdverklaring of onttrekking in aanmerking komen:
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 48, 49 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
o meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
o zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16A, 7201 ES Zutphen, 088 8041404 meldt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit nodig vindt;
o meewerkt aan het reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
o zich laat behandelen door Transfore, afdeling de Tender of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk na detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met de medeverdachte, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
o zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of een passende dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
bepaalt dat als de medeverdachte het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat als de medeverdachte het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;