ECLI:NL:RBGEL:2025:11719

ECLI:NL:RBGEL:2025:11719

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-07-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 05/397522-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling voor een gewapende overval op een tankstation met indirect bewijs en herkenning op de camerabeelden. Gevangenisstraf van 30 maanden, een gebiedsverbod voor het tankstation en een contactverbod met aangeefster in de vorm van een 38v Sr maatregel en een 38z Sr maatregel. Veroordeelde moet een schadevergoeding betalen aan het tankstation en aan de medewerkster die hij heeft overvallen waarbij de hoofdelijkheid met de medeverdachte is opgelegd. De vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling is toegewezen en zorgt ervoor dat veroordeelde nog een gevangenisstraf van 193 dagen moet uitzitten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.397522.24 + 99.000429.34 (VI)

Datum uitspraak : 24 juli 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in Curaçao , wonende aan [adres 1] in [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .

Raadsvrouw: mr. P.K. de Blieck – Willemsen, advocaat in Vaassen

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 december 2024 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 1] , (gelegen aan [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 1] (gelegen aan [adres 2] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte toebehoorde(n)

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met (deels) gezichtsbedekkende kleding dat tankstation betreden en/of

- op dreigende/intimiderende wijze benaderen van die [aangever] en/of

- agressief dichtbij die [aangever] gaan staan, en/of

- tegen die [aangever] zeggen “Geld, geld”, en/of

- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of

- duwen van die [aangever] in de richting van de toonbank, en/of

- verder achter de toonbank (in de richting van de zich aldaar bevindende kassa) duwen van die [aangever] , en/of

- plaatsen/duwen van het vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de (linker) zijde van het lichaam van die [aangever] , en/of

- met een dreigende/intimiderende houding [aangever] de kassalade doen openen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 december 2024 heeft een overval plaatsgevonden bij het [bedrijf 1] aan [adres 2] in Zutphen. Aangeefster, [aangever] , was aldaar aan het werk. De overvaller, een man, kwam met deels gezichtsbedekkende kleding het tankstation binnen. Hij ging op agressieve wijze dichtbij [aangever] staan en zei tegen haar ‘geld, geld’. Hij toonde haar een vuurwapen en duwde haar in de richting van de toonbank en verder achter de toonbank in de richting van de kassa. Toen aangeefster bij de kassa stond, duwde de man het vuurwapen in haar linkerzijde. Hij had continu een dreigende/intimiderende houding richting [aangever] . Zij heeft onder deze dreiging de kassalade geopend. De man heeft al het briefgeld, ter waarde van € 290,00, uit de kassa gepakt en is weggegaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, waarbij hij ook een vuurwapen heeft gebruikt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die het tankstation heeft overvallen met een vuurwapen. Verdachte was in Zutphen, maar op het tijdstip waarop de overval is gepleegd, was hij daar niet. Hij is vlak voor de overval uit Zutphen vertrokken en na de overval is hij weer teruggekomen. Bovendien is het vuurwapen niet gevonden. Verdachte moet dus worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die het tankstation heeft overvallen en overweegt als volgt.

Herkenning door aangeefster

Aangeefster [aangever] is aanvullend verhoord naar aanleiding van de pro formazitting op 20 maart 2025, alwaar verdachte ter terechtzitting is verschenen. Zij verklaart hierover dat zij verdachte binnen zag komen lopen en dat zij direct naar achteren schoof toen zij hem zag. Zij herkende verdachte direct als degene die haar in het tankstation heeft overvallen. Hij had tijdens de overval iets over zijn mond en neus zitten, aangeefster kon wel de bovenste helft van zijn gezicht zien. Aangeefster herkende verdachte aan zijn gezicht, zijn blik en zijn stem.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de herkenning door aangeefster, dit geldt te meer gelet op al het onderstaande.

Getuige [getuige]

Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij op 6 december 2024 rond het tijdstip van de overval op het [bedrijf 1] , aan het wandelen was over de parkeerplaats van het tankstation. Toen hij net voorbij het midden van de parkeerplaats liep zag hij door de bosschages een persoon rennen. Hij had hier een raar gevoel bij. Deze persoon rende via het trappetje naar beneden de parkeerplaats op. Hij stapte aan de bijrijderskant in een auto met het kenteken [kenteken] . De rechtbank stelt, gelet op de datum, het tijdstip en de locatie waarop getuige [getuige] de persoon zag rennen, vast dat de persoon die hij gezien heeft de overvaller op het [bedrijf 1] was.

De vluchtauto en de daarin aangetroffen spullen

De auto met het kenteken [kenteken] is van medeverdachte [medeverdachte] . Deze auto is doorzocht en daarin zijn onder meer een fleece col, zwart van kleur, op de grond voor de voorstoel van de bijrijder, een portemonnee met daarin het identiteitsbewijs van verdachte in het portiervak van de deur van de bijrijder en in het dasboardkastje twee ringen en twee stuks munitie aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat de portemonnee en de ringen van hem zijn.

De gevonden fleece col is aan de binnenzijde ter hoogte van de vermoedelijke voorzijde bemonsterd op biologisch sporenmateriaal. Dit materiaal is onder meer vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. Het resultaat van deze vergelijking is dat er een DNA-hoofdprofiel is afgeleid van verdachte waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat op de fleece col DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen en dat hij deze heeft gedragen.

Herkenning door politie

De politie heeft naar aanleiding van het aantreffen van het identiteitsbewijs van verdachte met daarop zijn gegevens, onderzoek gedaan op Facebook. Zij troffen daar een account aan met de naam [verdachte] en een profielfoto die sterke overeenkomsten vertoond met de foto op het gevonden identiteitsbewijs. Verdachte heeft verklaard dat hij [verdachte] heet op Facebook. De rechtbank concludeert dat de door de politie aangetroffen Facebookpagina aan verdachte toebehoort en dat hij degene is die op de profielfoto van dit account is te zien.

De politie heeft de camerabeelden van de overval op het tankstation op 6 december 2024 bekeken en vergeleken met de foto’s van verdachte op zijn Facebookpagina. Zij zien gelijkenissen in de vorm van wallen dan wel huidplooien onder de ogen van verdachte en die van de overvaller, de vorm van de wenkbrauwen is gelijk, het haar is bij beide personen op dezelfde plek dunner en er is te zien dat zowel verdachte als de overvaller op de camerabeelden hoogstwaarschijnlijk een oorbel dragen. De verbalisant concludeert op grond hiervan dat hij verdachte herkent als de overvaller op de camerabeelden van het tankstation. De rechtbank heeft geen reden om aan deze herkenning te twijfelen en neemt deze conclusie over als de hare.

Verklaring verdachte over zijn locaties

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij vlak voor de overval met medeverdachte [medeverdachte] heeft gegeten bij [bedrijf 2] (de rechtbank: uit openbare bronnen blijkt dit op 1,1 kilometer van het [bedrijf 1] te liggen). Hij herkent zichzelf ook op de camerabeelden van het eetcafé die zijn opgenomen om 16.22 uur. Ongeveer 75 minuten voordat de overval plaatsvond zijn verdachte en [medeverdachte] weggegaan bij het eetcafé. Na de overval, omstreeks 20.00 uur (de rechtbank: zo’n 90 minuten na de overval) was verdachte ook in Zutphen om weer naar medeverdachte [medeverdachte] te gaan.

Conclusie rechtbank

De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de overval op het [bedrijf 1] heeft gepleegd. De verklaring van verdachte dat hij precies in het tijdvak dat de overval plaatsvond niet in Zutphen was, acht de rechtbank ongeloofwaardig bij gebrek aan concrete en betrouwbare onderbouwing en bij afwezigheid van enige steun in het procesdossier voor deze verklaring. Dat er geen vuurwapen is aangetroffen dat aan de overval is te koppelen doet hier niet aan af.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld. De rechtbank acht het medeplegen niet bewezen, nu niet gebleken is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte of onbekend gebleven derden.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 6 december 2024 te Zutphen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 1] , (gelegen aan [adres 2] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere bankbiljetten, in elk geval een geldbedrag/enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 1] (gelegen aan [adres 2] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte toebehoorde(n)

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het- met (deels) gezichtsbedekkende kleding dat tankstation betreden en/of- op dreigende/intimiderende wijze benaderen van die [aangever] en/of- agressief dichtbij die [aangever] gaan staan, en/of- tegen die [aangever] te zeggen “Geld, geld”, en/of- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of- duwen van die [aangever] in de richting van de toonbank, en/of- verder achter de toonbank (in de richting van de zich aldaar bevindende kassa) duwen van die [aangever] , en/of- plaatsen/duwen van het vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de (linker)zijde van het lichaam van die [aangever] , en/of- met een dreigende/intimiderende houding [aangever] de kassalade doen openen.Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van medeplegen, er een vuurwapen is gebruikt en verdachte forse justitiële documentatie heeft met soortgelijke feiten erop. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht , de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt zij dat de eis gematigd moet worden, gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken hanteren.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich op 6 december 2024 schuldig gemaakt aan een gewapende overval op het [bedrijf 1] in Zutphen, alwaar [aangever] op dat moment als kassamedewerker aan het werk was. Hij is de tankshop binnengegaan en heeft [aangever] eerst geduwd, vervolgens een vuurwapen in haar zij gezet en heeft haar zo gedwongen om hem toegang tot de kassalade te geven waaruit hij meerdere bankbiljetten ter waarde van in totaal € 290,00 heeft weggenomen. Dit soort delicten behoort tot een categorie van strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, en in het bijzonder bij [aangever] zelf, hetgeen ook volgt uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. [aangever] ondervindt tot op heden de psychisch nadelige gevolgen van deze traumatische gebeurtenis. Ook is er financiële schade toegebracht aan de eigenaar van het tankstation.

De rechtbank overweegt dat uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke ernstige feiten. Hij was op het moment van het plegen van het feit ten aanzien van een eerder opgelegde gevangenisstraf vervroegd in vrijheid gesteld onder de voorwaarde dat hij geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om toch het tankstation te overvallen met gebruik van een vuurwapen. Gelet op de aard en de ernst van het feit zal de rechtbank aan hem dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Nu de rechtbank niet tot medeplegen komt en zij aansluit bij de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging voor de rechtspraak, komt zij tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast zal de rechtbank ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren een locatieverbod opleggenten aanzien van het terrein van [bedrijf 1] en een contactverbod ten aanzien van [aangever] , ter beveiliging van de maatschappij en in het bijzonder van het slachtoffer [aangever] .

De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt 1 week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaald persoon of bepaalde personen, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Verdachte heeft het feit gepleegd terwijl hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld met een strafrestant van 193 dagen. Hij laat zich hierdoor echter niet weerhouden van het opnieuw plegen van ernstige strafbare feiten, zodat de rechtbank het noodzakelijk vindt dat de maatregel direct uitvoerbaar zal zijn.

Ter bescherming van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zal de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Er is immers sprake van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Deze maatregel houdt in dat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen direct na de gevangenisstraf toegepast kunnen worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

De volgende benadeelde partijen hebben in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend:

Allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is door beide benadeelden om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de beide benadeelde partijen hoofdelijk kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [bedrijf 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de vordering van [aangever] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze ten aanzien van het gevorderde smartengeld moet worden gematigd tot een bedrag van € 750,00. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen.

Overweging van de rechtbank

De vordering van [bedrijf 1] .

De gestelde schade bestaat uit het weggenomen geldbedrag. De rechtbank acht de schade voldoende onderbouwd en is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De vordering zal daarom worden toegewezen.

De vordering van [aangever]

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadeposten niet zijn betwist en dat deze voldoende zijn onderbouwd en de rechtbank redelijk voorkomen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de overval heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 6 december 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.

Hoofdelijkheid

De rechtbank overweegt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

(parketnummer 99.000429.34)

Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft verdachte op 20 november 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 72 maanden. Op 24 augustus 2024 is verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld, waarbij als algemene voorwaarde is gesteld dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 193 dagen gevangenisstraf.

De officier van justitie vordert volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Op grond van artikel 6:2:13 (oud) Wetboek van Strafvordering kan de rechter op vordering van

de officier van justitie de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen indien de veroordeelde

een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Op grond van artikel IV lid 3 van de

Wet straffen en beschermen, zoals gewijzigd als gevolg van de Spoedreparatiewet herziening

tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, geldt dat bij veroordelingen tot vrijheidsstraf die

zijn uitgesproken voor 1 juli 2021, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden (HR 6 juli 2021, ECLE:NL:HR:2021:984).

Artikel 15a, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de voorwaardelijke

invrijheidsstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het

einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Volgens artikel 15g (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk

worden herroepen indien de veroordeelde de daaraan verbonden voorwaarden niet heeft

nageleefd.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De veroordeelde heeft immers het in dit vonnis bewezen verklaarde feit gepleegd en heeft zich daarmee niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De rechtbank overweegt dat de consequenties van het niet naleven van de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden dan ook geheel voor rekening en risico van de veroordeelde komen.

De rechtbank zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde herroepen voor de gehele periode van 193 dagen.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende

 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;

 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

 legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

 bepaalt dat als de medeverdachte het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 bepaalt dat als de medeverdachte het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;

 wijst de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling toe en beveelt dat de vrijheidsstraf, die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 193 dagen gevangenisstraf, moet worden ondergaan (parketnummer: 99.000429.34).

mr. A. van Veldhuizen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.W.R. Koch
  • mr. P. Verkroost

Griffier

  • mr. E.W.A. Nabbe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?