RECHTBANK GELDERLAND
Team Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/186721-24; 05/212449-24; 05/203492-24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 7 oktober 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. M. Broere, advocaat in Roosendaal.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Onder parketnummer 05/186721-24 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en sigaretten, in elk gevalenig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)door- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, te pakken en/of te tonen,- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, te richten op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zitten,- de slede van het pistool naar achter te halen, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht houdt en/of- dreigend de woorden toe te voegen "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wilje telefoon en je scooter sleutels";
2.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf ommet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van telefoons en/of descooter(sleutels), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] ,[slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)immers heeft hij en/of zijn mededaders- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, gepakt en/of getoond,- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, gericht op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zaten,- de slede van het pistool naar achter gehaald, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht hielden en/of- dreigend de woorden toegevoegd "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wil jetelefoon en je scooter sleutels",terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Onder parketnummer 05/212449-24 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 te Arnhem,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij n of omstreeks de periode van 24 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 te Arnhem,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeftovergedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 teArnhem,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeftovergedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3.hij op of omstreeks 27 mei 2024 te Arnhem, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een of meerdere scooters, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeftgehad en/of heeft overgedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Onder parketnummer 05/203492-24 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Arnhem,zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzettegen ambtenaren,[ambtenaar 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein openbaarvervoer, [ambtenaar 2] , buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein openbaarvervoer en/of [ambtenaar 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar in het domeinopenbaar vervoer,werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten teraanhouding van verdachtedoor- één of meermalen zijn spieren (volledig) aan te spannen,- één of meermalen zijn arm los te rukken en/of- trachten op te staan.
2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de dagvaarding deels nietig te verklaren. Feit 3 onder parketnummer 05/212449-24 is onvoldoende feitelijk omschreven en valt samen met feit 1 en feit 2 van hetzelfde parketnummer.
De officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Eén van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de terechtzitting plaatsvindt op grondslag van de tenlastelegging, zodat zowel verdachte als het Openbaar Ministerie en de rechtbank op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging berust. Op grond van artikel 261 eerste lid Sv dient de dagvaarding daarom, voor zover van belang, een opgave te bevatten van het feit dat aan verdachte ten laste wordt gelegd. Dat brengt ook met zich mee dat de dagvaarding voldoende feitelijk moet zijn omschreven in combinatie met de inhoud van het dossier.
De rechtbank overweegt dat het dossier met parketnummer 05/212449-24 ziet op de diefstal/heling van drie scooters van drie verschillende aangevers. De diefstal en subsidiair heling van de scooter van aangever [slachtoffer 3] is ten laste gelegd onder feit 1. De diefstal en subsidiair van de scooter van aangeefster [slachtoffer 4] is ten laste gelegd onder feit 2. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de derde betrokken scooter van aangeefster [slachtoffer 5] is en daarmee valt onder de tenlastelegging van feit 3. In feit 3 is daarnaast (alternatief) ten laste gelegd: meerdere scooters terwijl het dossier ziet op niet meer dan drie scooters. De rechtbank is dus met de verdediging van oordeel dat onduidelijk is gebleven waarom meerdere scooters in feit 3 worden genoemd naast de tenlasteleggingen van feit 1 en 2. De tenlastelegging had op dit punt preciezer moeten zijn om te kunnen voldoen aan de eis van artikel 261 Sv. De rechtbank zal daarom het deel van feit 3 dat ziet op meerdere scooters nietig verklaren en de dagvaarding voor het overige in stand laten.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen buiten hetgeen zojuist overwogen, geldig zijn. Ook is de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
4. De bewezenverklaring
Parketnummer 05/186721-24 :
Feit 1 en feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het wegnemen van de telefoon onder feit 1 moet worden vrijgesproken nu hij de telefoon heeft teruggegeven. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van de afgifte van de telefoon onder feit 1. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2 en een overweging opnemen over de afgifte van de telefoon.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 8 en 9;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 11 en 12;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 september 2025.
De telefoon
Onder feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte en zijn medeverdachte aangever [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot afgifte van zijn telefoon. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er twee verdachten waren, een lange jongen en een wat kleinere jongen. De lange verdachte richtte een pistool naar het hoofd van aangever [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] . Zij werden gesommeerd om hun zakken te legen en de telefoons en scootersleutels af te geven. De lange verdachte haalde daarbij ook de slede van het pistool naar achteren. Aangever [slachtoffer 1] gaf zijn telefoon af aan de kleine verdachte. Kort daarna liepen de verdachten weg en zijn beide aangevers achter de verdachten aan gelopen. Aangever [slachtoffer 1] vroeg aan de kleine verdachte of hij de muziek op de eerder afgegeven telefoon uit mocht zetten. Dat mocht van de kleine verdachte. Toen trok aangever [slachtoffer 1] de telefoon uit de handen van de kleine verdachte. Daarna liepen de aangevers snel weg. Aangeefster [slachtoffer 2] bevestigt deze verklaring.
De rechtbank overweegt dat de afpersing van de telefoon voltooid was op het moment dat de telefoon weer in handen kwam van aangever. De telefoon was daarvoor immers al in het bezit van de verdachten en zij waren weggelopen van aangevers. Het is vervolgens door het handelen van aangever en niet dat van verdachte geweest dat de telefoon later weer terechtkwam bij aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank passeert daarom het verweer van de verdediging.
Daarmee zijn feit 1 en feit 2 in een eendaadse samenloop wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 05/212449-24 :
Feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat verdachte op een andere dan de in feit 1 ten laste gelegde scooter werd aangetroffen door de politie. Uit het dossier blijkt verder onvoldoende dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal of de heling van de scooter van aangever [slachtoffer 3] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit feit.
Feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu verdachte geen intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de scooter. De heling, subsidiair ten laste gelegd, kan wettig en overtuigend bewezen worden.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van de diefstal van haar scooter op 26 mei 2024. Zij parkeerde die dag haar scooter op station Arnhem Zuid. Toen zij later die avond terug kwam, waren haar scooter en helm weg.
Verdachte is in de nacht van 26 op 27 mei 2024 samen met twee medeverdachten staande gehouden door de politie bij een tankstation in Arnhem. Alle drie de verdachten zaten op dat moment op een scooter. Verdachte zat op de scooter van aangeefster [slachtoffer 4] .
Primair is het medeplegen van de diefstal van die scooter ten laste gelegd. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van verdachte moet daarbij van voldoende materieel en intellectueel gewicht zijn.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 26 en 27 mei 2024 samen was met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en dat door hen toen twee scooters zijn gestolen. Verdachte heeft bij deze bewuste scooter van aangeefster [slachtoffer 4] geprobeerd het stuurslot te verbreken door hard aan het stuur te draaien. Hij wilde naar eigen zeggen op de scooter rijden. Het verbreken van het stuurslot lukte verdachte niet. Eén van de medeverdachten verbrak daarna het stuurslot. Verdachte is vervolgens met deze scooter weggereden.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Er was een gezamenlijk idee om scooters te stelen en verdachte deed een poging de scooter te ontgrendelen. Dat lukte niet. Nadat zijn medeverdachte hem had geholpen, nam verdachte alsnog de scooter mee. Met dit handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage aan de diefstal geleverd. De rechtbank passeert daarom het verweer van de verdediging en vindt het primair ten laste gelegde, het medeplegen van de diefstal van de scooter, wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank overweegt dat verdachte op een andere dan de in feit 3 ten laste gelegde scooter werd aangetroffen door de politie. Uit het dossier blijkt verder onvoldoende dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal of de heling van de scooter ten laste gelegd onder dit feit. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij.
Parketnummer 05/203492-24 :
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) handelden niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank concludeert dat het proces-verbaal van bevindingen van één van de BOA’s in het dossier over de aanleiding en de aanhouding van verdachte niet overeenkomt met de (beschrijving van de) camerabeelden van het incident, die zich ook in het dossier bevinden. De rechtbank heeft daarom ernstige redenen om te twijfelen of de BOA bij de aanhouding van verdachte in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde en of verdachte zich dus tegen zijn aanhouding heeft verzet. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit feit.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05/186721-24:
1.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en sigaretten, in elk gevalenig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)door- een op een pistool gelijkend voorwerp te pakken en/of te tonen,- een op een pistool gelijkend voorwerp op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zitten,- de slede van het pistool naar achter te halen, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht houdt en/of- dreigend de woorden toe te voegen "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wilje telefoon en je scooter sleutels";
2.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf ommet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van telefoons en/of descooter(sleutels), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)immers heeft hij en/of zijn mededaders- een op een pistool gelijkend voorwerp gepakt en/of getoond,- een op een pistool gelijkend voorwerp gericht op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zaten,- de slede van het pistool naar achter gehaald, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht hielden en/of- dreigend de woorden toegevoegd "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wil jetelefoon en je scooter sleutels",terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 05/212449-24:
2. hij op of omstreeks26 mei 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten deleaan [slachtoffer 4] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen.5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05/186721-24:
eendaadse samenloop van:
feit 1:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
feit 2:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Parketnummer 05/212449-24:
feit 2 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen
6. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
7. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor maximaal veertig uren zodat verdachte een opleiding bij Defensie kan gaan doen. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en de kleine rol van verdachte bij de feiten.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waarbij het zwaartepunt voor de rechtbank ligt bij de (poging tot) straatroof op 17 januari 2024. Verdachte heeft die dag samen met zijn medeverdachte twee jonge slachtoffers in een park gedwongen tot afgifte van hun spullen. Dat deden zij door een op een pistool lijkend voorwerp op het hoofd van een van de slachtoffers te richten en het pistool ‘door te laden’. De buit is beperkt gebleven tot een pakje sigaretten vanwege het handelen van de slachtoffers. De beroving heeft een diepe indruk bij de slachtoffers achtergelaten en zij hebben nog lang last gehad van de gevolgen hiervan.
Verdachte is enkele maanden later op 27 mei 2024 door de politie aangetroffen op een scooter die eerder die avond was gestolen. Verdachte heeft die avond samen met medeverdachten deze scooter gestolen. Diefstallen zijn hinderlijke feiten die bovendien voor veel overlast en schade zorgen. Het slachtoffer kreeg in dit geval haar scooter beschadigd en niet werkend terug. Ook dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De straf
De Raad heeft over verdachte gerapporteerd. Net zoals de Raad vindt de rechtbank het zorgelijk dat verdachte, met een blanco strafblad, ineens in beeld komt met deze ernstige feiten. Verdachte kent een belaste voorgeschiedenis en ervaart daar vele negatieve gevolgen van. De rechtbank vindt net als de Raad en de inmiddels betrokken jeugdreclasseerder dat verdachte hulpverlening en begeleiding door de jeugdreclassering moet (blijven) krijgen. In dat kader vindt de rechtbank, ondanks dat de feiten dit wel rechtvaardigen, jeugddetentie niet passend. Verdachte krijgt op dit moment hulpverlening van Ik ben Ik doe. De rechtbank vindt het van belang dat deze hulpverlening blijft doorgaan en dat verdachte ook behandeling bij Kairos gaat volgen indien de jeugdreclassering dit nodig vindt. De rechtbank zal dit als bijzondere voorwaarde opleggen. De behandeling moet zich richten op middelengebruik, emotie- en gedragsregulatie en delictanalyse zodat het hoge recidiverisico verminderd kan worden. Verdachte verblijft bij JeugdX en lijkt het daar goed te doen. Hij zal mogelijk op korte termijn naar een plek voor beschermd wonen kunnen gaan. De rechtbank vindt het belangrijk dat deze woonplek of iets soortgelijks gecontinueerd wordt en zal dit daarom als bijzondere voorwaarde opleggen. Tot slot is het van belang dat verdachte een zinvolle dagbesteding krijgt. Aangezien het tot nu toe niet gelukt is om een baan te behouden, ondanks de inzet van verdachte, vindt de rechtbank de door de jeugdreclassering geadviseerde begeleiding vanuit Vloww Coaching voor ondersteuning (jobcoach) ook noodzakelijk. De rechtbank zal dagbesteding en deze begeleiding van de jobcoach als bijzondere voorwaarden opleggen.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straatroof (vanaf 60 uur werkstraf danwel dienovereenkomstige jeugddetentie) en diefstal (40 uur) en ziet op grond daarvan geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Het is van belang dat verdachte ervaart dat zijn handelen consequenties heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf niet kan uitvoeren. Bovendien geeft een deels voorwaardelijke taakstraf verdachte ook de ruimte om aan zijn problematiek te werken. Het verzoek van de raadsman om het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf te beperken tot veertig uren, passeert de rechtbank omdat niet is onderbouwd dat enkel dit gegeven de grens zou zijn voor het al dan niet kunnen volgen van een opleiding bij Defensie. De rechtbank legt daarom aan verdachte op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht.
9. De beoordeling van de civiele vorderingen
Parketnummer 05/186721-24:
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 en feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 61,74 aan materiële schade en
€ 3.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade volledig kan worden toegewezen en voor wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht deze te matigen. De raadsman heeft tot slot verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu minderjarigen niet met een verdeling van betaling dienen te worden belast.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst daarom het gehele bedrag van € 61,71 toe.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Benadeelde heeft voldoende onderbouwd dat zij door de strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Verdachte is vanaf 18 september 2025 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Over het bedrag aan immateriële schadevergoeding is verdachte vanaf 17 januari 2024 (datum feiten) rente verschuldigd.
Voor zowel beide bedragen geldt verder:
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op grond van de groepsaansprakelijkheid zoals vervat artikel 6:166 BW. In hetgeen de raadsman hierover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit wettelijke uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 1 en feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.800,- aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade volledig kan worden toegewezen en voor wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor de materiële kosten niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard aangezien uit de overgelegde loonstroken niet kan worden afgeleid dat de benadeelde partij gedurende 20 weken niet volledig heeft kunnen werken, door het handelen van verdachte. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht deze te matigen. De raadsman heeft tot slot verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu minderjarigen niet met een verdeling van betaling dienen te worden belast.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en na verweer voldoende toegelicht. De rechtbank overweegt hierbij dat de benadeelde partij voldoende heeft gesteld dat zij door de straatroof gedurende langere tijd niet in de avonduren heeft durven werken, waardoor zij minder diensten kon draaien. Uit de overgelegde loonstroken kan vervolgens het uurtarief worden afgeleid, waardoor de berekening van het gevorderde bedrag redelijk voorkomt. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst daarom het gehele bedrag van € 1.800,- toe.
Immateriële schade
Door het feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast gelet op de aard en ernst van de normschending. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Verdachte is vanaf 31 oktober 2024 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd.
Over het bedrag aan immateriële schadevergoeding is verdachte vanaf 17 januari 2024 (datum feiten) rente verschuldigd.
Voor zowel beide bedragen geldt verder:
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op grond van de groepsaansprakelijkheid zoals vervat artikel 6:166 BW. In hetgeen de raadsman hierover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit wettelijke uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
Parketnummer 05/212449-24:
[slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.177,65 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht het materiële bedrag te matigen tot € 102,50. Dat zijn de kosten voor vervanging van het slot. Voor de overige kosten kan niet worden vastgesteld dat deze zijn ontstaan door het handelen van verdachte. De raadsman heeft tot slot verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu minderjarigen niet met een verdeling van betaling dienen te worden belast.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De scooter is op 26 mei 2024 door de benadeelde partij onbeschadigd geparkeerd en vervolgens, na de diefstal door verdachte en zijn medeverdachten, op 27 mei 2024 door de politie aan de benadeelde partij teruggegeven. Door de benadeelde partij is bij vordering en ter zitting voldoende gesteld en onderbouwd dat de scooter op dat moment fors beschadigd was en niet meer kon rijden. Immers, de scooter moest worden weggetakeld. De gevorderde kosten zien gelet op de omschrijving daarvan (takelkosten, reparatie aan buitenzijde en motor van de scooter) op kosten voor herstel die past bij deze gang van zaken. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de ontstane schade. De schadepost is bovendien na verweer voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst daarom het gehele bedrag van € 1.177,65 toe.
Verdachte is vanaf 27 oktober 2024 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op grond van de groepsaansprakelijkheid zoals vervat artikel 6:166 BW. In hetgeen de raadsman hierover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit wettelijke uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de dagvaarding van parketnummer 05/212449-24 bij feit 3 partieel nietig met betrekking tot het onderdeel ‘meerdere scooters’;
spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/212449-24 feit 1 primair en subsidiair en feit 3 en onder parketnummer 05-203492-24 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf, te weten een werkstraf van 100 (honderd) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
bepaalt dat van die werkstraf 50 (vijftig) uren niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
zich laat behandelen en begeleiden door Ik ben Ik doe en Kairos of soortgelijke zorgverleners, te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling richt zich op middelengebruik, emotie- en gedragsregulatie en delictanalyse;
verblijft bij JeugdX of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
meewerkt aan het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding, te bepalen door de jeugdreclassering;
meewerkt aan begeleiding vanuit Vloww Coaching voor Ondersteuning (jobcoach);
alles voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
geeft opdracht aan de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Gelderland, locatie Arnhem , om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden;
en onder de voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht;
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
05/186721-24, feit 1 en feit 2:
[slachtoffer 1]
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
[slachtoffer 2]
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
05/212449-24, feit 2:
[slachtoffer 4]
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;