RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/377997-24 en 05/274775-22 (tul)
Datum uitspraak : 6 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats] .
raadsman: mr. J.W. Bosman, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Epe, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen,een of meer goederen, te weten een geldbedrag en/of een mobiele telefoon (Samsung) en/of een portemonnee en/of een sleutelbos en/of een pakje vloei en/of een autosleutel en/of een huissleutel, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,welke diefstal werd vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meerdere personen, [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bijbetrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer 1] bij de kraag te grijpen en/of- die [slachtoffer 1] een taser en/of vuurwapen in zijn mond te stoppen en/of- die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: ‘geef alles, ik wil geld’ en/of ‘geef op, geef op, anders knal ik je door je kop’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of- die [slachtoffer 1] met de hand/vuist een klap in zijn gezicht te geven;2.hij in of omstreeks de periode van 5 april 2023 tot en met 8 april 2024 te Epe, in elk geval in Nederland,(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 2] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 37,50 euro en/of[slachtoffer 3] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 1140,08 euro en/of[slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte/betaling 551,20 euro en/of[slachtoffer 5] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 254,70 euro,in elk geval (telkens) van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid- die [slachtoffer 2] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 26 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 2] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of een betaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 3] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 23/24 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 3] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of een betaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 4] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 24 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 4] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/ofbetaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 5] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 5] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of betaalverzoek ten behoeve van reiskosten,waardoor die benadeelde(n) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)/betaling(en).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tweede gedachtestreepje onder feit 1 en vordert voor dat deel vrijspraak.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tweede en vierde gedachtestreepje van het onder feit 1 tenlastegelegde. De raadsman bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tweede gedachtestreepje. Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje voert de raadsman aan dat de klap niet werd gegeven om de vlucht te vergemakkelijken aangezien de vlucht al was ingezet.
Beoordeling door de rechtbank van het onder feit 1 tenlastegelegde
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 10 maart 2024 werden in Epe een geldbedrag, een mobiele telefoon, een portemonnee, een sleutelbos, een pakje vloei, een autosleutel en een huissleutel van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) weggenomen.
Bewijsmiddelen
[slachtoffer 1] maakte op 10 maart 2024 een seksafspraak met ene [naam] . Toen hij op de afgesproken plek aankwam riep iemand ‘staan blijven, staan blijven’. [slachtoffer 1] zag twee mannen op zich af komen rennen. Eén van de daders greep [slachtoffer 1] bij zijn kraag. Vervolgens werd meermaals geroepen: ‘Geef alles, ik wil geld’ en ‘geef op, geef op, anders knal ik je door je kop’. Toen er een ander voertuig in de richting van [slachtoffer 1] kwam rijden kreeg [slachtoffer 1] een klap tegen zijn mond. De daders zijn allebei in een andere richting weggerend.
Op 10 maart 2024 reden verbalisanten ter controle op de Renderklippenweg in Epe. Zij zagen daar dat [slachtoffer 1] wankelend op hun af kwam lopen en dat hij bloed in zijn mond had.
Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie bekend dat hij samen met iemand anders een beroving heeft gepleegd. Via een datingsite is contact met het latere slachtoffer ( [slachtoffer 1] ) gelegd. Het slachtoffer is vervolgens naar een afgelegen plaats gelokt. Verdachte en zijn mededader zijn naar het slachtoffer gelopen en verdachte heeft hem een platte hand gegeven. Verdachte heeft geld van het slachtoffer gepakt.
Conclusie De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met een ander spullen van [slachtoffer 1] heeft weggenomen om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij [slachtoffer 1] bij zijn kraag is gegrepen en door verdachte is geslagen en waarbij is gedreigd. Het geweld en de bedreiging hebben plaatsgevonden om het bezit van de gestolen spullen te verzekeren en de vlucht mogelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat dat ook het geval is voor wat betreft de klap in het gezicht. Die is namelijk gegeven tijdens het delict. Uit het feit dat verdachte [slachtoffer 1] een klap gaf, blijkt dat hij zich op dat moment kennelijk nog in de buurt van [slachtoffer 1] bevond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de klap is gegeven om te voorkomen dat [slachtoffer 1] achter verdachte en zijn mededader aan zou komen en dus om de vlucht mogelijk te maken en het bezit van de gestolen spullen te verzekeren. Dat verdachte en zijn medeverdachte de gestolen spullen reeds onder zich hadden doet daar niet af.
Medeplegen
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de medepleger een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict.
Verdachte is samen met een ander naar [slachtoffer 1] toe gegaan. Zij zijn met een gezamenlijk plan naar aangever gegaan en hebben beiden een aandeel gehad in de diefstal met geweld. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte kan daarom als medepleger van de diefstal met geweld worden aangemerkt.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder feit 1 tenlastegelegde. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het tweede gedachtestreepje van het onder feit 1 tenlastegelegde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Beoordeling door de rechtbank van het onder feit 2 tenlastegelegde
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 213-214;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 244-246;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 304-305;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 334-335;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 241;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 332;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Epe, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, een of meer goederen, te weten een geldbedrag en/of een mobiele telefoon (Samsung) en/of een portemonnee en/of een sleutelbos en/of een pakje vloei en/of een autosleutel en/of een huissleutel, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,welke diefstal werd vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meerdere persoonen, [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bijbetrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- die [slachtoffer 1] bij de kraag te grijpen en/of - die [slachtoffer 1] een taser en/of vuurwapen in zijn mond te stoppen en/of- die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: ‘geef alles, ik wil geld’ en/of ‘geef op, geef op, anders knal ik je door je kop’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of- die [slachtoffer 1] met de hand/vuist een klap in zijn gezicht te geven;
2.hij in of omstreeks de periode van 5 april 2023 tot en met 8 april 2024 te Epe, in elk geval in Nederland,(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/ofdoor een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 2] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 37,50 euro en/of[slachtoffer 3] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 1140,08 euro en/of[slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte/betaling 551,20 euro en/of[slachtoffer 5] heeft bewogen tot afgifte/betaling van 254,70 euro,in elk geval (telkens) van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid- die [slachtoffer 2] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 26 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 2] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of een betaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 3] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 23/24 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 3] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of een betaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 4] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was van 24 jaar oud en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 4] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/ofbetaalverzoek ten behoeve van reiskosten en/of- die [slachtoffer 5] via een datingapp en/of Whatsapp gezegd dat hij een vrouw was en wilde afspreken, waarna hij, verdachte, heeft gezegd dat die [slachtoffer 5] (telkens) een geldbedrag moest overmaken via een tikkie en/of betaalverzoek ten behoeve van reiskosten,waardoor die benadeelde(n) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)/betaling(en).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
Diefstal, gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
Oplichting, meermalen gepleegd.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is van het taakstrafverbod en dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een langere proeftijd passend zou zijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Allereerst rekent de rechtbank het verdachte ernstig aan dat hij samen met een ander, na een daartoe gemaakt plan, het nietsvermoedende slachtoffer naar een afgelegen plaats heeft gelokt en hem op lafhartige en gewelddadige wijze geld en goederen afhandig heeft gemaakt. Verdachte heeft zich daarbij naar eigen zeggen voorgedaan als een minderjarige om zo de kans te verkleinen dat het slachtoffer aangifte zou doen. Daarnaast heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en enkel oog te hebben gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. Feiten als deze brengen veelal gevoelens van onzekerheid en onveiligheid met zich mee, niet alleen voor de slachtoffers maar ook voor de maatschappij in het algemeen. Verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven. Een dergelijke overval is in het algemeen zeer traumatiserend voor een slachtoffer.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere oplichtingen over een langere periode. Meerdere personen zijn door het handelen van verdachte benadeeld. Verdachte heeft ten koste van anderen op een makkelijke en snelle manier geld verkregen en heeft zich daarbij geen rekenschap gegeven van de schade die dit aan anderen heeft toegebracht. Verdachte heeft ingespeeld op de behoefte aan contact van de slachtoffers en heeft daar misbruik van gemaakt.
Het is algemeen bekend dat de aangiftebereidheid klein is in zaken als deze, mede als gevolg van de schaamte over de aard van de aangeboden diensten en het kennelijke gemak waarmee men is misleid. De verdachte heeft op deze schaamte ingespeeld en daarmee op gehaaide wijze zichzelf en zijn ‘verdiensten’ veilig trachten te stellen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij dermate berekenend te werk is gegaan.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
Op 30 september 2025 heeft GGZ Tactus Zwolle een adviesrapportage over verdachte uitgebracht. Hieruit blijkt dat verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens een proefperiode van 6 juni 2023 tot en met 4 juni 2024 terwijl hij onder toezicht stond van de William Schrikker Reclassering. Verdachte toont in zijn gedrag tekenen van onwil maar ook van onmacht. Hij functioneert op zwakbegaafd niveau en heeft ODD en ADHD. Daarnaast is er in het verleden een gokverslaving geweest en is er een vermoeden van middelengebruik. Empathisch- en inlevingsvermogen richting slachtoffers lijken nagenoeg afwezig. Verdachte toont geen oprechte spijt, enkel zorg over de gevolgen die de straf voor hemzelf kunnen hebben, met name een mogelijke detentie. Hierdoor lijkt de huidige motivatie vooral extern gemotiveerd en tijdelijk van aard. De verwachting is dat, zodra de druk van de rechtszitting verdwijnt of de straf in zijn ogen meevalt, de kans op recidive opnieuw toeneemt. Behandeling van verdachte is noodzakelijk om zicht te krijgen op de onderliggende psychische- en cognitieve problematiek maar ook om de recidiverisico’s te beperken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om te volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij de strafbepaling wijkt de rechtbank af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank een groter deel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden acht. In dat kader overweegt de rechtbank dat ondanks het tijdsverloop, verdachte nog niets op de rit heeft weten te krijgen. Hij is nog jong, maar de rechtbank neemt in haar beslissing ook mee dat een veelheid aan in het verleden aangeboden hulp tot nu toe nog tot niks heeft geleid. De rechtbank acht daarom een flinke stok achter de deur nodig, om een traject met hulp en begeleiding in gang te zetten en op de rit te houden om het recidiverisico in te perken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht passend is. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 30 september 2025, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of beschermd wonen, dagbesteding, schuldhulpverlening, middelencontrole en een verbod op kansspelen.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met oplichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.400,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk, namelijk voor een bedrag van € 551,20, kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Verder vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de benadeelde partij het formulier niet op de juiste wijze heeft ingevuld.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de ingevulde en ondertekende vordering en de aanvullingen daarop blijkt dat de benadeelde partij stelt €1.400 kwijt te zijn en dat de benadeelde partij een schadevergoeding wenst.
Uit het dossier blijkt dat benadeelde partij schade ter hoogte van € 551,20 heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De overige gevorderde schade is onvoldoende onderbouwd.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor een bedrag € 551,20 kan worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de laatste betaling, zijnde 17 april 2024.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 551,20 aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met oplichting een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 70,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering onjuist is onderbouwd nu de gegevens in de vordering niet overeenkomen met de aangifte.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de benadeelde partij een onjuiste onderbouwing van het schadebedrag heeft gebruikt.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Uit het dossier blijkt dat benadeelde partij schade ter hoogte van € 37,50 heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De overige gevorderde schade is onvoldoende onderbouwd.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor een bedrag € 37,50 kan worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de laatste betaling, zijnde 20 maart 2024.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 37,50 aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging (05/274775-22)
De kinderrechter heeft verdachte op 22 mei 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 28 uur.
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van die straf gevorderd. Ter zitting heeft zij haar standpunt gewijzigd en gesteld dat zij gezien haar eis uitvoering van een werkstraf niet passend vind.
Oordeel van de rechtbank
Bewezen is verklaard dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd en zal de vordering dan ook toewijzen.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 36f, 47, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
o verdachte zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Tactus Reclassering op het adres Dr. Stolweg 58 te Zwolle en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de instelling dat noodzakelijk acht. Verdachte houdt zich aan aanwijzingen en werkt mee aan huisbezoeken;
o verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Verdachte werkt mee aan het afnemen van een diagnostisch onderzoek;
o verdachte gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht, mee zal werken aan begeleid wonen of een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
o verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, of een andere vorm van dagbesteding met vaste structuur;
o verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijk Personen en Bewindvoering. Verdachte geeft de reclassering en zijn bewindvoerder inzicht in zijn financiën en schulden;
o verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
o verdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen.
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt de tenuitvoerlegging van de op 22 mei 2023 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 28 uur taakstraf subsidiair 14 dagen jeugddetentie (05/274775-22);
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 37,50 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.