RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-261597-24
Datum uitspraak : 20 oktober 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsvrouw: mr. R.M. Tjong Kim Sang, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommelter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijkvan het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of meermalen, althans eenmaal, met een stalen pijp, althans met een hard voorwerp die [slachtoffer] op zijn gezicht en/of arm en/of benen, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommelter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenmeermalen, althans eenmaal, met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of meermalen, althans eenmaal, met een stalen pijp, althans met een hard voorwerp die [slachtoffer] op zijn gezicht en/of arm en/of benen, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommel
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik maak je kapot” en/of “ik steek je neer” en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans van het lichaam, van die [slachtoffer] te maken en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een stalen pijp, althans met een hard voorwerp die [slachtoffer] op zijn gezicht en/of arm en/of benen, althans op/tegen het lichaam, te slaan.
2.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommelopzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1, primair) en vernieling (feit 2).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet gericht op plekken die (direct) tot levensbedreigend letsel of de dood van het slachtoffer hadden kunnen leiden. Het enkel maken van stekende of snijdende bewegingen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Ook volgt uit het dossier niet dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer of daartoe een aanmerkelijke kans bestond.
De meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging kan volgens de raadsvrouw wettig en overtuigend worden bewezen, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Niet ter discussie staat het volgende. Verdachte is op 14 augustus 2024 naar de woning van zijn ex-vrouw in Zuilichem gegaan, waar haar nieuwe partner, [slachtoffer] , op dat moment was. Verdachte heeft een mes en een stalen pijp (van een autokrik) meegenomen uit zijn auto en is hiermee de tuin ingelopen. Daar vond vervolgens een confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer] .
Verdachte heeft verklaard dat er iets in hem knapte toen hij [slachtoffer] in de achtertuin trof. Vanaf dat moment is alles één grote waas en hij weet niet meer weet wat er is gebeurd.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte de tuin in kwam lopen en zei: “Vuile teringhond! Ik maak je kapot!”. Verdachte liep met versnelde pas richting aangever waarna hij direct een stekende beweging met het mes richting de buik van aangever maakte. Aangever moest wegspringen om te voorkomen dat het mes in zijn buik kwam. Verdachte was niet te stoppen en maakte met het mes meerdere steekbewegingen in de richting van aangever. Door één messteek is er een gat ontstaan in zijn T-shirt. Tijdens de stekende bewegingen sloeg verdachte aangever meerdere keren met de stalen pijp op zijn gezicht, arm en benen. Aangever heeft geprobeerd zichzelf te verweren door verdachte op enig moment met een hamer op zijn hoofd te slaan, in de hoop dat het geweld zou stoppen. Dat was niet het geval. Aangever was bang dat hij het niet zou overleven en riep meerdere keren om hulp. Pas toen meerdere buurtbewoners het gevecht probeerden te stoppen, is verdachte vertrokken.
Getuige [getuige] , de overbuurvrouw, verklaarde dat zij uit het keukenraam keek en zij haar oude overbuurman, [verdachte] , op de oprit van nummer [nummer] zag staan. Zij zag dat hij een ijzeren staaf van ongeveer 40 centimeter uit de kofferbak van zijn auto pakte en hiermee het erf opliep. Omdat zij direct het gevoel had dat dit fout zou gaan, is zij achter hem aan gelopen. [slachtoffer] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ] stond achterin de tuin en [verdachte] stond tegenover hem, de afstand was minder dan een halve meter. In één hand had [verdachte] een mes vast en in de andere hand de ijzeren staaf. Hij zei drie keer tegen [slachtoffer] dat hij hem zou neersteken. Vervolgens maakte hij met het mes meer dan tien keer stekende bewegingen richting de buik en borstkas van [slachtoffer] . Ook sloeg hij [slachtoffer] meerdere keren met de stalen pijp. Op enig moment verdedigde [slachtoffer] zich door met een hamer op het hoofd van [verdachte] te slaan. [verdachte] zocht vervolgens de aanval weer op en hij bleef als een dolle stier aanvallen. Hij bleef [slachtoffer] opzoeken en stekende bewegingen maken in zijn richting. De punt van het mes ging meerdere keren rakelings langs de buik van [slachtoffer] . De getuige heeft [verdachte] meerdere malen geprobeerd over te halen om met haar mee te komen naar haar woning. Op enig moment besloot hij de aanval te staken. Voordat hij wegliep, hoorde zij hem zeggen: “Je hebt vandaag geluk gehad. Ik kom nog een keer terug en probeer het dan nog een keer”.
Verbalisanten die naar aanleiding van de melding ter plaatse waren, zagen onder meer dat in het T-shirt van het slachtoffer een gat zat van ongeveer vijf centimeter breed, dat de vorm had van een lemmet van een mes. Naar het oordeel van de rechtbank past dit bij het steken in de richting van de buik en het rakelings langs de buik gaan met een mes.
Het mes dat verdachte bij zich had is onderzocht. Het mes had een lemmet van ongeveer 20 centimeter lang met twee gekartelde snijkanten.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte, wild en met een groot mes, alsmaar stekende bewegingen heeft gemaakt richting de buik van het slachtoffer. Daarbij is het mes meermaals rakelings langs de buik van het slachtoffer gegaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een kwetsbaar deel is van het lichaam, waarin zich vitale organen bevinden en dat het met een mes steken in de buik de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Integendeel, uit de uitlatingen die verdachte voor en na de aanval deed, volgt dat hij het slachtoffer daadwerkelijk wilde ‘kapotmaken’.
De rechtbank overweegt verder dat uit de verklaringen in het dossier volgt dat verdachte het slachtoffer ook meerdere malen heeft geslagen met een stalen pijp. De rechtbank is van oordeel dat het slaan met een stalen pijp op het gezicht, de armen en de benen niet zonder meer in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans meebrengt dat iemand hierdoor komt te overlijden. Zonder nadere deskundige onderbouwing kan de rechtbank niet vaststellen dat ook ten aanzien van deze handelingen sprake was van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. In zoverre dragen deze handelingen dan ook niet bij aan het bewijs voor het onder 1, primair ten laste gelegde.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere keren met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik van het slachtoffer.
Ten aanzien van feit 2
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat verdachte weg was, zag dat de achterruit van zijn auto kapot was.
Verdachte heeft verklaard dat hij de achterruit van de auto heeft ingeslagen met de staaf van de krik.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de autoruit van aangever [slachtoffer] heeft vernield.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommelter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijkvan het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of meermalen, althans eenmaal, met een stalen pijp, althans met een hard voorwerp die [slachtoffer] op zijn gezicht en/of arm en/of benen, althans op/tegen het lichaam, heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Zuilichem, althans in de gemeente Zaltbommelopzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
poging tot doodslag;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 358 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Daarnaast is gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur wordt opgelegd.
Verder vordert de officier van justitie de oplegging van een contact- en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Dit contactverbod ziet op het slachtoffer en het locatieverbod dient te gelden voor de woning van het slachtoffer en de woning van de ex-partner van verdachte. De maatregel dient te worden opgelegd voor de duur van drie jaren, waarbij wordt bepaald dat per overtreding één week vervangende hechtenis kan worden toegepast tot een maximum van zes maanden. Ook ten aanzien van deze maatregel heeft de officier van justitie gevorderd dat deze dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en bepleit dat – ingeval van een bewezenverklaring van het onder 1 primair of subsidiair ten laste gelegde – aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een maximale taakstraf. De proeftijd dient te worden beperkt tot twee jaar, nu inmiddels meer dan een jaar is verstreken en verdachte in die periode heeft laten zien zich te houden aan de afspraken en er alles aan te doen om een confrontatie te voorkomen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij koestert wrok richting de nieuwe partner van zijn ex-vrouw en opgebouwde woede en frustratie hebben ertoe geleid dat hij deze partner heeft opgezocht en met een groot mes en een krik heeft aangevallen. Verdachte heeft het slachtoffer overrompeld met een explosie van geweld, waarbij hij veelvuldig stekende bewegingen maakte met het mes richting de buik van het slachtoffer en hij hem meerdere keren met de stalen pijp sloeg. Het mes ging daarbij rakelings langs de buik van het slachtoffer. Dat het slachtoffer niet in de buik geraakt is door het mes en niet (levensbedreigend) gewond is geraakt, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Zelfs een klap op het hoofd met een hamer deed verdachte namelijk niet stoppen. Pas nadat een buurvrouw ingreep, staakte verdachte zijn aanval en verliet hij het erf. Daarbij vernielde hij de autoruit van het slachtoffer.
Verdachte heeft het slachtoffer aangevallen in de tuin van de woning van de partner van het slachtoffer, een plek waar het slachtoffer zich veilig moest kunnen voelen. Door zijn handelen heeft verdachte getracht op zeer ernstige wijze inbreuk te maken op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het voorval moet daarnaast ook impact hebben gehad op de buurtbewoners die werden geconfronteerd met dit buitensporige geweld.
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 september 2025 dat over verdachte is opgemaakt. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van een
beneden gemiddelde intelligentie, een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een onrijpe persoonlijkheid. In het schorsingstoezicht heeft hij zich meewerkend opgesteld en hij heeft zich ingespannen om mee te werken aan de voorwaarden en hulpverlening. De behandeling die hij heeft ondergaan, heeft ertoe geleid dat zijn woede en preoccupatie richting de nieuwe partner van zijn ex-vrouw wat zijn afgenomen. Hij blijft echter kwetsbaar voor terugval in extreme gedachten en gevoelens van onrecht en blijft daardoor soms negatieve en vijandige gevoelens uiten richting het slachtoffer. Ambulante behandeling en begeleiding blijven van belang voor het behouden van stabiliteit en om te voorkomen dat zijn negatieve gedachtenpatronen en spanningen weer oplopen.
Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de reclassering niet wenselijk, omdat verdachte hiermee de belangrijke beschermende factoren kan verliezen, namelijk werk, inkomen en de zorg voor zijn kinderen. Hierdoor zal hij naar alle waarschijnlijkheid nog meer wrok gaan koesteren richting het slachtoffer en dat zou voor nieuwe risico's zorgen. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod.
De rechtbank stelt voorop dat de poging tot doodslag in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Echter, hiermee zouden de beschermende factoren wegvallen, waardoor de kans op herhaling toeneemt. Gelet op het feit dat de situatie onveranderd is en de onverwerkte emoties nog altijd niet (volledig) onder controle lijken te zijn, acht de rechtbank dit onwenselijk. Zij ziet daarin dan ook aanleiding om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
In plaats daarvan zal de rechtbank, zoals geëist door de officier van justitie, een maximale taakstraf van 240 uren opleggen en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en brengt ook de ernst van het feit tot uitdrukking.
De rechtbank acht het van belang dat verdachte de ambulante behandeling, waarmee hij in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis al is gestart, voortzet. Daarom verbindt zij dit als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel, evenals een meldplicht bij de reclassering. Daarbij acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren geboden.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Er is namelijk sprake van aanhoudende woede richting het slachtoffer en verdachte is kwetsbaar om terug te vallen in negatieve gedachtenpatronen, waardoor spanningen weer oplopen. Om die reden zal de rechtbank bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende drie jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen met het slachtoffer en hij gedurende die periode een locatieverbod heeft voor de adressen van de woning van zijn ex-partner en de woning van het slachtoffer.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt één week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer, zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Hiervoor verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden reeds heeft overwogen.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 582,95 aan materiële schade en € 3.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het gevorderde bedrag voor het kapotte T-shirt op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Meer subsidiair is bepleit dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd. Hiertoe is aangevoerd dat de bijgevoegde uitdraai van een webshop een ander bedrag vermeldt en niet kan worden vastgesteld wanneer het T-shirt is gekocht, in welke staat het zich ten tijde van het incident bevond en wat de waarde op dat moment was. Ten aanzien van de kapotte autoruit is geen verweer gevoerd.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wordt verklaard, dan wel de vordering wordt afgewezen. De vordering is volgens de verdediging op dit punt onvoldoende onderbouwd, nu er geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Door de stekende bewegingen met het mes is het T-shirt van de benadeelde kapot gegaan en verdachte heeft de autoruit vernield. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de schadeposten voldoende onderbouwd en deze komen redelijk voor. Dat het T-shirt klaarblijkelijk op het moment van opstellen van de vordering was afgeprijsd, doet aan het voorgaande niets af.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die is aan te merken als ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Verdachte heeft de benadeelde overrompeld door hem aan te vallen met een groot mes en een stalen pijp. Met het mes heeft hij veelvuldig en zeer wild stekende bewegingen gemaakt in de richting van de buik van de benadeelde, die hierdoor voor zijn leven heeft moeten vrezen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een zeer ernstige normschending, waarvan de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat ook zonder onderbouwing met stukken kan worden aangenomen dat hij door het bewezen verklaarde handelen van verdachte op andere wijze in de persoon is aangetast en schade is ontstaan. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank heeft hierbij betrokken de handelwijze van verdachte, zijn bedreigende uitlatingen, de intensiteit van de situatie (het gebruik van een mes, het als een dolle stier tekeergaan, het niet stoppen ondanks een klap met een hamer door het slachtoffer en pogingen van een buurvrouw verdachte mee te nemen), de locatie (de tuin van de woning van de partner van het slachtoffer, waar het slachtoffer zich veilig zou moeten voelen) en de (grote) mate van gevaarzetting voor het slachtoffer door het veelvuldig en wild steken in de richting van diens buik. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen.
Verdachte is vanaf 14 augustus 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de opgelegde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contact- en locatieverbod voor een periode van 3 jaren;
Het contactverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 3 jaren onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1963.
Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 3 jaren niet bevindt in een straal van 200 meter van de volgende locaties:
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslissing op de civiele vordering