RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 16.145047-24, 05.165234-25 en 05.224661-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 22 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats].
Raadsvrouw: mr. M. Hoekzema, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 16.145047-24
hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Amersfoort een Ipad en/of een laptop en/of een of meer munten (ongeveer 80 euro) en/of zes VVV-bonnen van elk 50 euro en/of een tas en/of een of meer lollies en/of repen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
parketnummer 05.165234-25
1 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Harderwijk, een fiets (fat-bike), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Harderwijk een fiets (fat-bike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Nationale Politie (eenheid Oost-Nederland), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Harderwijk, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beiden hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte door - zich (met kracht) in een richting te bewegen, anders dan voornoemde agenten hem trachtten te bewegen, - zijn spieren te spannen, en/of - zijn armen los te rukken/trekken;
parketnummer 05.224661-25
1 hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 230 microgram cocaïne per liter bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
2 hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Mastmeen, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
parketnummer 16.145047-24
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, voor zover het betreft de diefstal van een bedrag van € 50,00, een tas, lolly’s en repen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd, zij het dat volgens haar slechts bewezen kan worden de diefstal van de door de officier van justitie genoemde goederen.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 5-6;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2025.
Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een geldbedrag van (ongeveer) € 50,00, een tas, lolly’s en repen. Van de overige in de tenlastelegging opgenomen goederen zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken.
parketnummer 05.165234-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten. Van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dient verdachte te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, indien zijn verklaring wordt gevolgd dat hij zeer hardhandig door de politie is behandeld. Als daaraan voorbij wordt gegaan zijn de processen-verbaal van de politie voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 8-11;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2025.
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, te weten opzetheling.
Feit 2
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben tijdens hun dienst op donderdag 29 mei 2025 een zogeheten lokfiets als opsporingsmiddel ingezet. Deze lokfiets werd weggezet op een locatie in Harderwijk. Omstreeks 14:40 uur kregen zij de melding dat de lokfiets was weggenomen. Zij zagen dat deze uitstraalde op een locatie gelegen aan het [adres 2] in Harderwijk, nabij de woning van de hen bekende [naam]. Terwijl verbalisanten voor de toegangsdeur van het appartementencomplex stonden, kwam [naam] naar buiten. Zij vertelde onder meer dat [verdachte] met een elektrische step bij haar was aangekomen, dat hij na enige tijd lopend de woning had verlaten en daarna weer bij haar woning aankwam met een fatbike, die hij vervolgens in de berging van haar woning had geplaatst. [naam] gaf een signalement van deze [verdachte]. Verbalisanten troffen [verdachte] niet in de woning aan. Omstreeks 15:45 uur werd [verbalisant 1] door een buurvrouw erop geattendeerd dat er een jongeman een verdieping hoger tegen de voordeur van een appartement zat en dat hij daar niet thuis hoorde. [verbalisant 1] liep vervolgens de trap op, waar hij een jongeman zag zitten die aan het signalement voldeed dat [naam] had doorgegeven. Hij maakte zich kenbaar als zijnde politie en legitimeerde zich met zijn politielegitimatiebewijs. Hij deelde de man mee dat hij was aangehouden ter zake van heling en dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hij hoorde de man zeggen dat hij niet aangehouden kon worden omdat hij niks gedaan had. [verbalisant 1] deelde hem nogmaals mee dat hij mee ging naar het politiebureau en dat hij was aangehouden. Hij pakte de man daarbij bij zijn linkerschouder. Hij voelde dat de man zijn schouder onder zijn hand probeerde weg te halen, waardoor hij de man optilde zodat hij op twee benen stond. [verbalisant 1] hoorde dat de man bleef herhalen dat hij niet mee ging en dat hij niet aangehouden kon worden. [verbalisant 1] pakte de man vervolgens vast bij zijn armen om hem te fixeren. Hij voelde dat de man niet meewerkte. Hij voelde dat de man met kracht zijn armen probeerde los te rukken en hij hoorde dat hij daarbij zei dat hij niet mee ging. Hierop riep [verbalisant 1] zijn collega [verbalisant 2] ter ondersteuning. [verbalisant 2] liep vervolgens naar
boven en zag dat de man zich hevig verzette tegen zijn aanhouding. [verbalisant 2] riep diverse malen dat hij zijn verzet moest staken en dat zij anders geweld gingen gebruiken, maar hij voelde en zag dat de man hier geen gehoor aan gaf. Verbalisanten stonden samen met de man erg dichtbij een trap waardoor de kans aanwezig was dat minimaal één van hen van de
trap zou komen te vallen. Verbalisanten praatten constant op de man in dat hij zijn verzet
moest stoppen. Zij hoorden hem zeggen dat zij hem niks konden maken. Verbalisanten moesten hierop diverse keren geweld toepassen. [verbalisant 2] moest bij de man diverse keren een arm- en polsklem aanleggen. [verbalisant 1] pakte de man na diverse waarschuwingen bij zijn hoofd dan wel neus, waarbij de man in een dusdanige onbalans werd gebracht dat [verbalisant 2] de transportboeien kon aanleggen. Daarna werd de man overgebracht naar een gereedstaand politiedienstvoertuig en vervolgens naar het politiebureau in Harderwijk. Op het politiebureau werd via het paspoort van de man vastgesteld dat het om verdachte ging.
Toen [verbalisant 1] de man voor het eerst zag en vertelde dat hij was aangehouden, zat de man op de grond. Omdat hij niet meewerkte en vertelde dat hij niet aangehouden kon worden, pakte [verbalisant 1] hem bij zijn linkerschouder. [verbalisant 1] voelde dat de man zijn schouder onder zijn hand probeerde weg te halen. [verbalisant 1] vertelde dat de man mee moest werken omdat hij anders geweld zou gebruiken. Hij tilde de man op zodat hij stond. Hij voelde dat de man niet meewerkte. [verbalisant 1] wilde de man fixeren, maar dit lukte niet, omdat de man zich bewoog in de tegenovergestelde richting van waar hij hem wilde bewegen. Dat deed de man met kracht. Hierdoor onderstond er een worsteling waarbij [verbalisant 1] voelde dat de man continu tegenwerkte. Dit duurde zeker twee minuten. Hierdoor kwam [verbalisant 1] meerdere malen tegen een muur aan, waardoor hij schrammen op zijn rechterhand had. In deze twee minuten vertelde [verbalisant 1] meerdere
malen dat de man mee moest werken en dat hij was aangehouden. De man bleef herhalen dat hij niet aangehouden kon worden. Hij bleef continu tegenwerken. Dit deed hij door zijn armen in tegengestelde richting te brengen dan [verbalisant 1] wilde. Hij deed dit met kracht. Tevens wilde hij continu weglopen waardoor verbalisanten zich uiteindelijk een meter of negen verplaatsten. Uiteindelijk konden zij de man aanhouden en handboeien aanleggen. Dit aanleggen ging ook moeizaam omdat de man zich bleef verzetten door zijn armen in de tegengestelde richting te bewegen. Toen de man uiteindelijk was aangehouden voelde [verbalisant 1] pijn aan zijn rechterhand en linker ellenboog.
De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid.
parketnummer 05.224661-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Feit 1
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 8-10;
- het rapport ‘Drugs in het verkeer’ van Maasstad Ziekenhuis, d.d. 4 augustus 2025, p. 26-27;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2025.
Feit 2
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 8;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 september 2025.
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 16.145047-24
hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Amersfoort een Ipad en/of een laptop en/of een of meer munten (ongeveer 80 50 euro) en/of zes VVV-bonnen van elk 50 euro en/of een tas en/of een of meer lollies en/of repen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
parketnummer 05.165234-25
1 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Harderwijk, een fiets (fat-bike), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Harderwijk, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], beiden hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte door - zich (met kracht) in een richting te bewegen, anders dan voornoemde agenten hem trachtten te bewegen, - zijn spieren te spannen, en/of - zijn armen los te rukken/trekken;
parketnummer 05.224661-25
1 hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, een voertuig, te weten een snorfiets, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 230 microgram cocaïne per liter bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
2 hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Mastmeen, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 16.145047-24
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van parketnummer 05.165234-25
feit 1 primair
Opzetheling;
feit 2
Wederspannigheid;
Ten aanzien van parketnummer 05.224661-25
feit 1:
Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:
Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ten aanzien van de misdrijven zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de overtreding (feit 2 van parketnummer 05.224661-25) heeft de officier van justitie gevorderd dit feit af te doen met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat hiervoor geen oplegging van de ISD-maatregel mogelijk is en een extra straf niets toevoegt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte niet voldoet aan de definitie van een stelselmatige dader zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers, nu er tegen verdachte niet meer dan tien processen-verbaal in de afgelopen vijf jaren zijn opgemaakt en ingestuurd aan het Openbaar Ministerie. Om die reden kan de ISD-maatregel niet worden opgelegd.
Indien de ISD-maatregel wel kan worden opgelegd, dient verdachte volgens de raadsvrouw nog een kans te krijgen, nu de ISD-maatregel een ultimum remedium is en niet alle opties zijn benut. Verdachte kan namelijk begeleiding ontvangen terwijl hij zich in de beschermde omgeving van zijn familie bevindt. Gelet op het feit dat verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis zit, is er geen ruimte meer voor een hogere straf en dient hij onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten. Zo heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal en opzetheling. Dit soort misdrijven zijn ergerlijke vormen van criminaliteit, die voor de gedupeerden schade en veel hinder opleveren. Het handelen van verdachte getuigt van weinig respect voor de eigendommen van anderen. De rechtbank neemt hem dit kwalijk. Verder heeft verdachte zich verzet tijdens zijn aanhouding. Dit getuigt niet alleen van onbeheerst gedrag, maar vooral ook van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Ten slotte is verdachte niet in het bezit van een geldig rijbewijs en heeft desondanks een scooter bestuurd op de openbare weg. Bovendien was hij op dat moment onder invloed van cocaïne.
Uit het strafblad van verdachte van 5 september 2025 blijkt dat hij in de afgelopen jaren veelvuldig voor soortgelijke (vermogens)delicten onherroepelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 8 augustus 2025. Volgens de reclassering is het gelet op het patroon van middelengebruik, de beïnvloedbaarheid en het gebrek aan overzicht over consequenties aannemelijk dat verschillende factoren mogelijk van invloed zijn geweest op het ten laste gelegde. Daarnaast is bij verdachte sprake van Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH), waardoor hij functioneert op een verstandelijk beperkt niveau. Dit uit zich onder meer in beperkt probleembesef, moeite met het overzien van gevolgen en ernstige impulsregulatieproblemen. De NAH-problematiek, in combinatie met zijn verslaving, vergroot het risico op impulsief of ontremd gedrag. Ook zijn beperkte financiële draagkracht heeft mogelijk een rol gespeeld, aangezien verdachte middelengebruik zelf niet kan bekostigen en daarvoor mogelijk delicten pleegt. Het sociale netwerk van verdachte bestaat grotendeels uit personen uit het gebruikers- en dealerscircuit. Er zijn signalen dat hij beïnvloedbaar is en in het verleden is ingezet als drugsrunner en katvanger. Hoewel verdachte op dit moment gemotiveerd lijkt voor een klinische opname, blijkt uit het toezichtverloop van de afgelopen jaren dat zijn bereidheid wisselend is. Zo is eerder ingezet op zowel ambulante als klinische trajecten, maar kwamen deze door beperkte medewerking niet of onvoldoende van de grond. Het verslavingsprobleem is hardnekkig, en in combinatie met de NAH-problematiek is er sprake van complexe problematiek.
De reclassering adviseert de ISD-maatregel op te leggen. Zij acht deze maatregel noodzakelijk om verdachte de juiste hulp en begeleiding te kunnen bieden. Binnen dat kader zijn er mogelijkheden voor een langdurige klinische opname, waar zowel aandacht is voor zijn verslavingsproblematiek als voor zijn niet-aangeboren hersenletsel (NAH). De ISD-maatregel biedt daarnaast een stevig juridisch kader waarin hulpverlening kan worden afgedwongen. Dit is van belang, omdat verdachte ambivalent is in zijn houding ten aanzien van hulp. Enerzijds geeft hij aan open te staan voor opname, maar uit het verleden blijkt dat hij een eerdere klinische behandeling voortijdig heeft afgebroken. Ten slotte biedt de ISD-maatregel ook de mogelijkheid om verdachte bij onvoldoende medewerking direct terug te plaatsen in de Penitentiaire Inrichting, zonder dat hij eerst op vrije voeten komt en hij mogelijk terugvalt in middelengebruik en delictgedrag. Binnen de ISD kan dan steeds opnieuw worden onderzocht of, en onder welke voorwaarden, een nieuwe behandelroute alsnog mogelijk is.
Bij oplegging van een reguliere (deels) voorwaardelijke straf vreest de reclassering dat het voorwaardelijke kader onvoldoende ruimte biedt voor een klinisch traject met de benodigde duur en intensiteit. Ook zou in dat geval de 'stok achter de deur' mogelijk te beperkt zijn om verdachte blijvend te motiveren tot medewerking.
De rechtbank overweegt het volgende.
De gepleegde strafbare feiten zijn relatief lichte vergrijpen, die doorgaans met relatief milde straffen worden gesanctioneerd. In het onderhavige geval is echter sprake van een hardnekkig delictpatroon. De rechtbank dient daarom de vraag te beantwoorden of het opleggen van een ISD-maatregel voor verdachte de meest passende straf is.
In dat verband dient eerst de vraag te worden beantwoord of aan de vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan. Het gaat dan om de wettelijke vereisten van artikel 38m Sr. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie ingevolge de ‘Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie de ISD-maatregel uitsluitend indien is voldaan aan voornoemde wettelijke vereisten en verdachte kan worden aangemerkt als een ‘zeer actieve veelpleger’. Een zeer actieve veelpleger wordt in de richtlijn omschreven als een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden. Daarbij moet worden teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank constateert dat aan de vereisten is voldaan die artikel 38m Sr stelt aan het opleggen van de ISD-maatregel, maar dat niet is voldaan aan de in voornoemde richtlijn genoemde definitie van een zeer actieve veelpleger. Er is namelijk niet voldaan aan het vereiste dat, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, er in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal zijn opgemaakt tegen verdachte voor meer dan tien misdrijffeiten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat er in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal zijn opgemaakt tegen verdachte voor negen misdrijffeiten, waarbij de onderhavige feiten zijn meegerekend. De richtlijn vereist dat er sprake moet zijn van méér dan tien misdrijffeiten, wat hier dus niet het geval is.
De Hoge Raad heeft overwogen (HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9943) dat de richtlijn een aanwijzing is als bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). De richtlijn moet worden beschouwd als recht in de zin van artikel 79 Wet RO. De richtlijn bevat door het College van procureurs-generaal vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakte regels over de uitoefening van het beleid van het Openbaar Ministerie. Weliswaar kan de richtlijn niet gelden als een algemeen verbindend voorschrift, maar het Openbaar Ministerie is op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde wel aan de richtlijn gebonden. De regels die in de richtlijn staan, kunnen door hun inhoud en strekking geschikt zijn om als rechtsregels te worden toegepast.
In voornoemde richtlijn staan strikte grenzen over wanneer het Openbaar Ministerie oplegging van de ISD-maatregel mag vorderen. Gelet hierop staan de beginselen van een behoorlijke rechtspleging eraan in de weg dat de rechter die vaststelt dat een vordering is gedaan in strijd met de richtlijn toch de ISD-maatregel oplegt (zie Hoge Raad 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de ISD-maatregel niet aan verdachte kan worden opgelegd, zodat de vordering van de officier van justitie wordt afgewezen.
De rechtbank constateert dat de reclassering geen advies heeft uitgebracht over een andere afdoening dan de ISD-maatregel, behoudens de opmerking dat de reclassering vreest dat bij oplegging van een reguliere (deels) voorwaardelijke straf het voorwaardelijke kader onvoldoende ruimte biedt voor een klinisch traject met de benodigde duur en intensiteit.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke gevallen wordt opgelegd en heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet hierop, en in het bijzonder op het strafblad van verdachte en de eerdere veroordelingen wegens soortgelijke (vermogens)delicten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig weken passend en geboden. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op deze gevangenisstraf.
Voor het rijden zonder rijbewijs (feit 2 van parketnummer 05.224661-25) legt de rechtbank een aparte straf op, omdat dit feit een overtreding betreft. De rechtbank acht hiervoor een geldboete van € 500,00 passend.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 23, 24 c, 57, 62, 63,180, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;
- 8, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
wijst af de vordering van de officier tot oplegging van de ISD-maatregel;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) weken;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt ten aanzien van feit 2 van parketnummer 05.224661-25 op een geldboete van
€ 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien (10) dagen hechtenis;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra, voorzitter, mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2025.