ECLI:NL:RBGEL:2025:11761

ECLI:NL:RBGEL:2025:11761

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 16-10-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 207266-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte heeft bekend te hebben geholpen bij het dumpen van de drugs. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 285 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 100 uur op.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer: 05/207266-23

Datum uitspraak : 16 oktober 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige economische kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ( [postcode] ) [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2025.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, op en/of om de bodem een handeling al bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft verricht, bestaande uit het storten en/of lozen en of neerleggen en/of vervoeren en/of overslaan en/of opslaan van (gevaarlijke) (afval)stoffen afkomstig van/voor de vervaardiging/bereiding van synthetische drugs, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 17 augustus 2023 nabij de kruising van de Laakoever en de Grote Molenstraat te

Arnhem, een of meer (afval)stoffen, te weten (restanten van) een chemische vloeistof en/of

(gevaarlijke) (afval) stoffen en/of een of meer jerrycan(s) en/of vat(en) afvalstoffen afkomstig van de vervaardiging van (meth)amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of op/in de

bodem gebracht terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn mededader(s) kon(den) worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

feit 2

hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk (een) handeling(en) met afvalstoffen heeft verricht en/of heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(en) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor

het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn mededaders(s) konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen en/of te beperken, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, een (grote) hoeveelheid vat(en) en/of jerrycan(s) met

(restanten) van (gevaarlijke) stoffen, althans afval afkomstig van de vervaardiging van (meth)amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of op/in de bodem gebracht in en/of

nabij de kruising van de Laakoever en de Grote Molenstraat te Arnhem.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de drugsdumping zoals ten laste gelegd onder feiten 1 en 2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen LFO, p. 110, 111;

- het proces-verbaal van bevindingen milieufeiten, p. 5, 6;

- een rapport van het NFI betreffende drugsonderzoek, p. 4, 5;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2025.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

feit 1

hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, op en/of om de bodem een handeling als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming heeft verricht, bestaande uit het storten en/of lozen en of neerleggen en/of vervoeren en/of overslaan en/of opslaan van (gevaarlijke) (afval)stoffen afkomstig van/voor de vervaardiging/bereiding van synthetische drugs, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 17 augustus 2023 nabij de kruising van de Laakoever en de Grote Molenstraat te Arnhem, een of meerdere (afval)stoffen, te weten (restanten van) een chemische vloeistof en/of (gevaarlijke) (afval) stoffen en/of een of meerdere jerrycan(s) en/of vat(en) afvalstoffen afkomstig van de vervaardiging van (meth)amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of op/in de bodem gebracht terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn mededader(s) kon(den) worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

feit 2

hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk (een) handeling(en) met afvalstoffen heeft verricht en/of heeft nagelaten, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(en) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor

het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet aan zijn/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn mededaders(s) konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen en/of te beperken, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op of omstreeks 17 augustus 2023 te Arnhem, een (grote) hoeveelheid vat(en) en/of jerrycan(s) met

(restanten) van (gevaarlijke) stoffen, althans afval afkomstig van de vervaardiging van (meth)amfetamine uit BMK, gestort en/of achtergelaten en/of op/in de bodem gebracht in en/of

nabij de kruising van de Laakoever en de Grote Molenstraat te Arnhem.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan;

feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie licht toe dat zij bij de eis rekening heeft gehouden met de samenloop van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte niet terug de gevangenis in zou moeten wegens zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte is enigszins op leeftijd, heeft de nodige fysieke klachten en heeft een hond. Daarnaast dreigt verdachte zijn woning te verliezen als gevolg van de overlast die is veroorzaakt door mensen die in zijn woning zijn gekomen toen hij in voorarrest zat. Verder verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met het tijdsverloop en dan in het bijzonder met de, weliswaar beperkte, overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw wijst ook op de kleine rol die verdachte in deze feiten heeft gehad. Hierdoor verzoekt de raadsvrouw geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, maar in plaats daarvan een langere voorwaardelijke straf, bijzondere voorwaarden en/of een taakstraf te overwegen.

Verder bepleit de raadsvrouw dat de bijzondere voorwaarden ten aanzien van het begeleid wonen en de behandeling worden gespecificeerd door in deze voorwaarden op te nemen dat zij slechts noodzakelijk zijn indien de reclassering dit nodig acht.

Tot slot verzoekt de raadsvrouw tot het beperken van de proeftijd tot 2 jaar omdat er de afgelopen 2 jaar geen sprake is geweest van recidive.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft samen met een ander een groot aantal jerrycans vol met drugsafval gedumpt in de natuur. Door dit handelen hebben zij gevaar voor de gezondheid van personen die met de gedumpte stoffen in aanraking zouden kunnen komen gecreëerd, alsmede gevaar voor de natuur inclusief het waterleven en de waterkwaliteit. Dat er geen sprake was van daadwerkelijke verontreiniging komt door de snelle melding door getuigen en het kordate optreden van de hulpdiensten en is niet te danken aan het handelen van verdachte. Het opruimen van dit drugsafval kost veel gemeenschapsgeld, waardoor er minder van deze gelden overblijven voor essentiële maatschappelijke doeleinden zoals de zorg en het onderwijs. Dit is een groot maatschappelijk probleem.

Daarnaast hebben verdachte en zijn mededader door dit handelen een bijdrage geleverd aan de productie van synthetische harddrugs en de criminelen die daar, al dan niet in een samenwerkingsverband, achter zitten, gefaciliteerd . Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 6 september 2025 blijkt dat verdachte na 2002 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd met uitzondering van het rijden onder invloed van drugs in 2024. De rechtbank houdt rekening met het gestelde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht vanwege de strafbeschikking die verdachte voor dat feit heeft gekregen.

De reclassering heeft op 10 september 2025 een advies over verdachte uitgebracht. De reclassering concludeert dat het niet goed gaat met verdachte en dat er op veel vlakken sprake is van een instabiel leven. De woningcorporatie is een zaak tegen verdachte gestart om hem, wegens langdurige overlast, uit zijn woning te zetten. Deze procedure loopt nog en veroorzaakt veel stress bij verdachte. De reclassering wijst erop dat de kans groter is dat verdachte zal recidiveren indien hij zijn woning kwijt raakt. Verder heeft verdachte ook geen positief sociaal netwerk. Hij heeft zich, tot voor kort, omringd met criminelen, drugsgebruikers en mensen die in de prostitutie zitten. Omdat verdachte hiervan afstand heeft genomen, ervaart hij veel eenzaamheid. Ook heeft verdachte structurele lichamelijke klachten. Hoewel verdachte een fikse drugsverslaving heeft, is dit volgens de reclassering niet direct aan het delict te relateren. Verdachte krijgt hulp van het RIBW, hetgeen door de reclassering als positief wordt gezien. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, maar het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan bijzondere voorwaarden bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel wordt ingeschat als laag. De reclassering acht een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De volgende bijzondere voorwaarden worden door de reclassering geadviseerd: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport en neemt de conclusies in dit advies over.

Redelijke termijn

De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met deze overschrijding.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval is verdachte op 17 augustus 2023 aangehouden, zodat vanaf 17 augustus 2025 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in beperkte mate, te weten met minder dan twee maanden, is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij bij de strafoplegging in vergaande mate rekening zal houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat bij strafbare feiten van deze ernst in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur op zijn plek is. Het meewerken aan het dumpen van een flink aantal jerrycans met drugsafval is bijzonder kwalijk. Aangenomen kan echter worden dat hij niet vooraf afwist van het plan de vaten te dumpen en dat hij daarmee pas kort voor het gepleegde feit werd geconfronteerd. Voorts heeft verdachte na zijn aanhouding van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank ziet daarin redenen om de straf te matigen. De op te leggen straf zal daarbij anders zijn en lager uitvallen dan geëist door de officier van justitie, mede omdat de rechtbank in grotere mate rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast zal de rechtbank gelet op de ouderdom van de zaak een kortere proeftijd opleggen. Daarbij neemt de rechtbank in acht dat verdachte afgelopen 2 jaar niet heeft gerecidiveerd en afstand heeft genomen van zijn criminele netwerk. De rechtbank acht het verder onwenselijk dat verdachte terug moet naar de gevangenis.

Daarom legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 285 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden verbonden, waarbij de voorwaarde van het begeleid wonen wordt aangescherpt naar aanleiding van het verzoek van de verdediging ter zitting. De rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uren, bij niet verrichten te vervangen door een hechtenis van 50 dagen.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1 a, 2 en 6 van de Wet Economische delicten;

- 13 van de Wet bodembescherming (oud);

- 10.1 van de Wet milieubeheer.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 285 dagen;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat:

o verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan meldt bij verslavingsreclassering IrisZorg aan [adres 2] in Arnhem. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o verdachte zich, indien de reclassering dit nodig acht, diagnostisch laat onderzoeken en laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

o verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

o verdachte verblijft, indien de reclassering dit nodig acht, bij De Samengroei of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de

huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

o verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

 legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.P.E.E. van Groeningen
  • mr. E.S.M. van Bergen

Griffier

  • mr. E.M. Breed

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?