RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/189551-24
Datum uitspraak : 22 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsman: mr. J. Velthoven, advocaat in Tiel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg,
roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 159 kilometer per uur en/of
in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) (een) (dubbele) doorgetrokken stre(e)p(en), die zich tussen de rijstroken bevond(en), heeft overschreden en/of
(daarbij) een ander voertuig heeft ingehaald en/of
heeft gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer,
waardoor een voetganger aan de kant sprong/moest springen en/of een (tegemoetkomend) voertuig moest uitwijken en/of
zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met het door hem bestuurde voertuig in een slip is geraakt en/of
in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een middengeleider en/of een (zich daarop bevindend) (verkeers)bord/paal en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 62 jo bord D1 en/of D2 van bijlage I RVV90 een rotonde in tegengestelde richting is opgereden, althans met het door hem bestuurde voertuig aan de linkerzijde van die rotonde terecht is gekomen en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg,
terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed,heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 159 kilometer per uur en/of
in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) (een) (dubbele) doorgetrokken stre(e)p(en), die zich tussen de rijstroken bevond(en), heeft overschreden en/of(daarbij) een ander voertuig heeft ingehaald en/of
heeft gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer,
waardoor een voetganger aan de kant sprong/moest springen en/of een (tegemoetkomend) voertuig moest uitwijken en/of
zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met het door hem bestuurde voertuig in een slip is geraakt en/of
in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een middengeleider en/of een (zich daarop bevindend) (verkeers)bord/paal en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 62 jo bord D1 en/of D2 van bijlage I RVV90 een rotonde in tegengestelde richting is opgereden, althans met het door hem bestuurde voertuig aan de linkerzijde van die rotonde terecht is gekomen en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),
komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg,terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 159 kilometer per uur en/of
in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) (een) (dubbele) doorgetrokken stre(e)p(en), die zich tussen de rijstroken bevond(en), heeft overschreden en/of
(daarbij) een ander voertuig heeft ingehaald en/of
heeft gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer,
waardoor een voetganger aan de kant sprong/moest springen en/of een (tegemoetkomend) voertuig moest uitwijken en/of
zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met het door hem bestuurde voertuig in een slip is geraakt en/of
in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een middengeleider en/of een (zich daarop bevindend) (verkeers)bord/paal en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 62 jo bord D1 en/of D2 van bijlage I RVV90 een rotonde in tegengestelde richting is opgereden, althans met het door hem bestuurde voertuig aan de linkerzijde van die rotonde terecht is gekomen en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, gemeente Zaltbommel, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1310 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 7 juni 2024 omstreeks 20:19 uur vond een verkeersongeval plaats op de Maas-Waalweg in Aalst, waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt. Bij het ongeval waren verdachte, de bestuurder van een personenauto, een zwarte Audi A3 met kenteken [kenteken 1], en [slachtoffer], de bestuurder van een witte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2], betrokken. De Audi kwam uit de richting van Nederhemert-Noord en reed in de richting van Zuilichem.
De Maas-Waalweg is, bij het naderen van de rotonde in noordelijke richting, door middel van een dubbele doorgetrokken streep verdeeld in twee rijstroken voor verkeer in beide richtingen. De weg buigt af in een flauwe bocht naar rechts. Ter hoogte van de aansluiting naar de rotonde bevindt zich een middengeleider op de weg, waarop een verkeerszuil was geplaatst. Op de plaats van het ongeval waren de borden D02-RO (gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) en D01 (rotonde; verplichte rijrichting) van toepassing.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, waarbij volgens de officier van justitie de mate van schuld dient te worden gekwalificeerd als roekeloosheid. Bij het slachtoffer was sprake van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Ook het onder 2 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft hierbij de kanttekening geplaatst dat primair sprake is van een zeer hoge mate van schuld en subsidiair van een lichte vorm van roekeloosheid. Ten aanzien van het letsel heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De bewijsmiddelen
Verbalisanten hebben onderzoek gedaan naar het verkeersongeval. Aan de hand van hun bevindingen over de sporen op het wegdek, aan het wegmeubilair en de schade en de sporen aan de Audi, alsmede van de analyse van de EDR-data van de Audi, stellen zij vast dat de Audi bij het naderen van de rotonde met een door het voertuig geregistreerde snelheid van 159 kilometer per uur reed. De bestuurder van de Audi had kennelijk geen, althans onvoldoende, controle meer over zijn voertuig, waardoor de Audi in de flauwe bocht in een (beginnende) slip raakte en deels op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkwam. Vervolgens kwam de Audi terecht op de middengeleider die aansloot op de rotonde en raakte met een snelheid van 99 kilometer per uur de middengeleider en een verkeerszuil, die hierdoor omver gereden werd. Daardoor kwam de Audi (deels) los van de grond en kwam deze enkele meters verderop op de rijbaan van de rotonde terecht, waarbij de onderzijde van het motorblok het wegdek raakte. Door de klap waarmee dit gebeurde, tekende de Audi diepe krassen en vegen af op het wegdek en scheurde het motorblok open, waardoor de olie uit het motorblok liep. Vervolgens reed de Audi in een rechte lijn, tegen de verplichting rijrichting op de rotonde in, verder. De Volkswagen naderde de rotonde aan de andere zijde met een snelheid van 58 kilometer per uur en remde vervolgens af tot 8 kilometer per uur. Op dat moment kwam de Audi vanuit tegengestelde richting op de rotonde af en botste frontaal op de voorzijde van de Volkswagen. Door de hoek waaronder de botsing plaatsvond en de hoge energie-overdracht van de Audi op de Volkswagen, werd de Volkswagen achteruit weggeduwd en kwam deze via de middengeleider terecht op de andere rijstrook.
Over de oorzaak van het verkeersongeval hebben de verbalisanten gerelateerd dat de bestuurder van de Audi de maximumsnelheid heeft overschreden, waarbij zijn snelheid vlak voor de rotonde ongeveer 159 kilometer per uur bedroeg. De bestuurder van de Audi had zijn voertuig niet zodanig onder controle dat hij op zijn eigen weghelft kon blijven. Hij was ook niet meer in staat om genoeg af te remmen om een botsing met de middengeleider en de verkeerszuil die daarop stond, te voorkomen. Door deze botsing raakte de Audi (tijdelijk) onbestuurbaar, waardoor deze zijn weg vervolgde tegen de op de rotonde verplichte rijrichting in. Hierdoor belandde de Audi op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer en deze botste vervolgens tegen de Volkswagen.
[slachtoffer], de bestuurder van de Volkswagen, heeft verklaard dat hij op de Maas-Waalweg reed. Net voordat hij de rotonde bij Aalst op wilde rijden, zag hij dat er van de kant van Nederhemert een zwarte Audi aan kwam die vrij hard aan kwam rijden. In de bocht zag [slachtoffer] de Audi in de slip komen. In eerste instantie dacht [slachtoffer] dat die in de sloot zou belanden, maar de bestuurder heeft de auto, denkt deze getuige, kunnen corrigeren. De auto kwam rechtdoor over de rotonde en kwam opeens recht op [slachtoffer] af. Na het ongeval had [slachtoffer] last van zijn rug, waardoor hij ongeveer twee maanden zijn werk als stratenmaker niet kon uitvoeren.
[slachtoffer] is op 8 juni 2024 onderzocht door een arts. Hij bleek last te hebben van drukpijn midline cervicaal C2-C4, drukpijn C1-C2 en myalgene drukpijn. Ook was de range of motion van zijn nek zeer beperkt.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij op de Maas-Waalweg liep. Hij hoorde dat er een auto enorm hard aan kwam scheuren. Hij zag een zwarte Audi met buitenlands kenteken met hoge snelheid rijden op de Maas-Waalweg. Hij hoorde de motor van het voertuig hoge toeren draaien. De Audi reed zo hard dat hij de flauwe bocht in zijn geheel aan de verkeerde kant pakte en dat de wielen geen grip meer hadden. [getuige 1] kon namelijk duidelijk zien en vooral horen dat de banden gilden. [getuige 1] moest aan de kant springen voor de auto. De Audi reed over de middenstreep van de weg en reed vervolgens net voor de rotonde over een verkeersbord in het midden van de weg. De Audi werd zeker vijf meter door de lucht gelanceerd en kwam met alle vier de wielen los van de grond. De Audi vloog over de rotonde en kwam neer op de verkeerde rijbaan. Hij zag dat de Audi frontaal op een witte Volkswagen in reed, waarna het voertuig tot stilstand kwam.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij de flauwe bocht op de Maas-Waalweg door reed, in de richting van tankstation Esso. Ongeveer honderd meter verderop zag hij een zwarte Audi met wit kenteken gigantisch hard aan komen rijden. [getuige 2] schatte de snelheid op minstens 150 kilometer per uur. Vlak voor [getuige 2] haalde de Audi een ander voertuig in over de doorgetrokken streep. [getuige 2] zag dat de Audi hierdoor volledig op zijn, [getuige 2], weghelft reed. De auto kwam recht op hem af, waardoor [getuige 2] met zijn auto moest uitwijken en volledig de berm in moest rijden. Toen [getuige 2] later die avond terug kwam, zag hij dat dezelfde Audi betrokken was bij een frontale aanrijding.
Verdachte heeft verklaard dat hij de Audi A3 bestuurde ten tijde van het verkeersongeval. Hij was onder invloed van alcohol. Verdachte kent die weg (de rechtbank begrijpt: de Maas-Waalweg) erg goed. Hij heeft over een afstand van 4 kilometer gereden met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, maar het kan ook 170 kilometer per uur zijn geweest.
Op 7 juni 2024 om 21:50 uur is een ademanalyse bij verdachte afgenomen met een resultaat van 1.310 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Bewijsoverwegingen
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op de tenlastegelegde datum en plaats een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij uit de richting van Nederhemert-Noord kwam en ging in de richting van Zuilichem. Verdachte was ter plaatse bekend. Het alcoholgehalte in zijn adem bedroeg 1.310 microgram per liter uitgeademde lucht. Daarmee bevond hij zich in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WVW 1994.
Terwijl hij in/door een flauwe bocht reed, heeft hij gereden met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur, aanzienlijk hoger dan de maximumsnelheid van 80 kilometer per uur.
Hij heeft in strijd met artikel 76 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) een dubbele doorgetrokken streep overschreden en een ander voertuig ingehaald. Daarbij heeft hij gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer. Hierdoor moest een voetganger aan de kant springen en moest een tegemoetkomend voertuig uitwijken naar de berm.
Verdachte kon zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle houden en is met zijn voertuig in een slip geraakt. Vervolgens is hij gebotst tegen een middengeleider en het verkeersbord/paal dat zich daarop bevond. Daarmee heeft hij in strijd met artikel 19 RVV 1990 de snelheid van zijn voertuig niet zodanig geregeld dat hij in staat was het tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.
Vervolgens is hij de rotonde in tegengestelde richting opgereden, dit in strijd met artikel 62 RVV 1990 en borden D1 en D2 van bijlage I van het RVV 1990. Ook daarna heeft hij zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.
Vervolgens is verdachte frontaal gebotst tegen de Volkswagen Polo van [slachtoffer].
De mate van schuld van verdachte
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Bij de beantwoording van deze vraag komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.
Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid WVW 1994 bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW 1994 kan worden aangemerkt.
Artikel 5a WVW 1994
Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. schending van de verkeersregelsIn artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Gevaarlijk inhalen, overschrijding van de maximumsnelheid en tegen de verkeersrichting inrijden zijn dergelijke verkeersregels en worden uitdrukkelijk genoemd in het eerste lid, onder (respectievelijk) b, g en j van het artikel.
Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat verdachte een witte auto inhaalde en daarbij volledig op de verkeerde weghelft terecht kwam en dus tegen de verkeersrichting in reed. Hierdoor moest [getuige 2] volledig uitwijken naar de berm om een ongeluk te voorkomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de verkeersregels met betrekking tot het gevaarlijk inhalen en tegen de verkeersrichting inrijden heeft overtreden.
Verder blijkt uit het onderzoek van de politie dat verdachte met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur heeft gereden. De rechtbank stelt vast dat verdachte ook de verkeersregel met betrekking tot het overschrijden van de maximumsnelheid heeft overtreden. Bovendien heeft hij zijn snelheid niet tijdig aangepast om veilig de bocht door te kunnen rijden.
Daarbij komt dat verdachte onder invloed was van 1.310 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Hij verkeerde dus in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de WVW 1994.
b. in ernstige mate
Het in artikel 5a WVW 1994 vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt de rechtbank af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels.
De rechtbank stelt vast dat verdachte meerdere verkeersregels heeft overtreden. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij over een afstand van vier kilometer met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur of zelfs hoger heeft gereden. Hij heeft dus over een langere afstand met bijna de dubbele snelheid gereden als ter plaatse was toegestaan onder invloed bijna zes keer de toegestane hoeveelheid alcohol per liter uitgeademde lucht.
Daarmee heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
c. opzet
Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2018/19, 35086, 3, p. 12) bij artikel 5a WVW 1994 is opgenomen dat een aantal gedragingen – waaronder overschrijding van de maximumsnelheid – niet anders dan opzettelijk kunnen worden gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat de wil van verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het gevaarlijk inhalen, het tegen de verkeersrichting inrijden en het langdurig en in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid. Het procesdossier bevat verder geen aanwijzingen voor het tegendeel. Het ging hier telkens om bewuste acties die niet anders dan opzettelijk kunnen zijn verricht. Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan.
d. gevaar te duchtenOm vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of mensen zelfs kunnen overlijden wanneer iemand, die onder invloed is van veel te veel alcohol, op een weg waar 80 kilometer per uur mag worden gereden over een afstand van 4 kilometer rijdt met een snelheid van meer dan 150 kilometer per uur en daarbij ook nog eens gevaarlijk inhaalt en tegen de verkeersrichting inrijdt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere in artikel 5a WVW 1994 genoemde gedragingen, namelijk gevaarlijk inhalen, overschrijding van de maximumsnelheid en tegen de verkeersrichting inrijden. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte reed onder invloed van bijna zes keer meer alcohol per liter uitgeademde lucht dan is toegestaan. Omdat ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW 1994 is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW 1994.
De kwalificatie van het letsel van [slachtoffer]
Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] last gehad van pijn in zijn rug en nek. Hierdoor kon hij twee maanden lang zijn werk als stratenmaker niet uitoefenen.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 164-165;
- een geschrift, te weten een afdruk van een gekalibreerd ademanalyseapparaat op naam van verdachte, p. 168;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 december 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg,
roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed,
heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 159 kilometer per uur en/of
in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) (een) (dubbele) doorgetrokken stre(e)p(en), die zich tussen de rijstroken bevond(en), heeft overschreden en/of
(daarbij) een ander voertuig heeft ingehaald en/of
heeft gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer,
waardoor een voetganger aan de kant sprong/moest springen en/of een (tegemoetkomend) voertuig moest uitwijken en/of
zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met het door hem bestuurde voertuig in een slip is geraakt en/of
in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een middengeleider en/of een (zich daarop bevindend) (verkeers)bord/paal en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 62 jo bord D1 en/of D2 van bijlage I RVV90 een rotonde in tegengestelde richting is opgereden, althans met het door hem bestuurde voertuig aan de linkerzijde van die rotonde terecht is gekomen en/of
(vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto),
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2.hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, gemeente Zaltbommel, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1310 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van
feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet
en
feit 2:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (1.310 microgram)
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van 3 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van de maximale taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk bepleit. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet op zijn plaats, gelet op het blanco strafblad van verdachte. Bovendien zou dit ertoe leiden dat niet alleen hij, maar ook de collega met wie hij samenwoont, zijn woning zou verliezen, aangezien hun beide inkomens nodig zijn om de huur te kunnen betalen. Verder heeft verdachte sinds 1 november van dit jaar een nieuwe baan, die hij in geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook zou kwijtraken.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door bijna twee keer zo hard te rijden als ter plaatse was toegestaan, gevaarlijk in te halen en tegen de verkeersrichting in te rijden. Uiteindelijk is de auto van verdachte in een slip geraakt en is hij op de middengeleider, en het verkeersbord dat daarop stond, gebotst. Hierdoor werd de auto van verdachte gelanceerd en kwam hij aan de verkeerde kant van de rotonde terecht. Vervolgens is verdachte frontaal op de auto van het slachtoffer gebotst. Verdachte was ook nog eens onder invloed van alcohol, te weten 1.310 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bijna zes keer zoveel als toegestaan.
Verdachte heeft meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan. Daarmee heeft hij de overige weggebruikers in gevaar gebracht en letsel toegebracht aan het slachtoffer, dat daardoor twee maanden niet kon werken. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn, is enkel aan geluk te danken.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte woont al zeventien jaar in Nederland. Onderhavige zaak is zijn eerste contact met politie en justitie. Verdachte woont in een huurhuis met een andere persoon, die mede afhankelijk is van het inkomen van verdachte om die woning te behouden. Hij heeft sinds 1 november 2025 een nieuwe baan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat hij zowel zijn woning als zijn baan zou verliezen.
Verdachte is zijn rijbewijs 181 dagen kwijt geweest. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij sinds het ongeval geen auto meer rijdt en geen alcohol meer drinkt. Hij denkt nog dagelijks terug aan het ongeval.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
De rechtbank constateert dat in deze zaak pas na ongeveer anderhalf jaar na de pleegdatum uitspraak wordt gedaan en dat de gevolgen voor het slachtoffer gelukkig beperkt zijn gebleven. Daarbij komt dat verdachte zelf last heeft gehad van het ongeluk en hiervan geleerd heeft. Gelet hierop, evenals de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank het niet opportuun om in het geval van deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
In plaats daarvan zal de rechtbank hem veroordelen tot de maximale taakstraf, een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf en de door de officier van justitie geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot:
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan materiële schade (die uiteenvalt in onder meer de schadeposten van een telefoon à € 1.500,-, en diverse kledingstukken met een totale geschatte waarde van € 1.350,-) en € 5.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de materiële schade, omdat deze niet voldoende onderbouwd is.
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van het smartengeld worden toegewezen, mits deze wordt gematigd en met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van het smartengeld heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor het overige deel aan smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de materiële schade, omdat deze niet voldoende onderbouwd is.
Ten aanzien van het gevorderde smartengeld zou de vordering moeten worden gematigd tot € 1.250,-. Voor het overige moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Er is gesteld noch gebleken dat er enig verband bestaat tussen de opgevoerde schadeposten en het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Nu niet is gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door dit feit, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Smartengeld
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij niet heeft gesteld op welke grondslag hij aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade. De summiere omschrijving van de gevolgen lijkt te duiden op een zogenaamde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ (artikel 6:106 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek). Voor zover de benadeelde partij immateriële schade heeft bedoeld te vorderen op grond van geestelijk letsel is daarvoor door hem echter onvoldoende gesteld. Hiervoor is namelijk onderbouwing met concrete (medische) gegevens vereist.
Onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgrond stelt de rechtbank op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van pijn boven in de rug/nek, bestaande uit drukpijn aan een aantal wervels en spieren, en een zeer beperkte range of motion van de nek. Dit is aan verdachte toe te rekenen en hij is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de daardoor geleden immateriële schade van de benadeelde. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 7 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 55 van het Wetboek van Strafrecht en
- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;