RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/269544-24
Datum uitspraak : 17 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1993 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. J.E.W. Jansen, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2024 tot en met 21 augustus 2024 te [plaats], gemeente Voorst en/of te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten € 30.000,--), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n),
immers is/zijn en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):
met betrekking tot aangever [slachtoffer 1],
-die [slachtoffer 1] (en/of zijn familie) meerdere malen (anoniem) gebeld(telkens in de Turkse taal), waarbij tegen die [slachtoffer 1] (en/of zijn familie) werd gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “je hebt nog een aantal uren om het geld te regelen” en/of “je hebt tot twaalf uur vannacht de tijd” en/of “anders pakken we je” en/of opzettelijk dreigend en/of intimiderend geroepen/gezegd tegen die [slachtoffer 1] “je bent een hoerenzoon” en/of-tegen die [slachtoffer 1] gezegd/medegedeeld dat hij –verdachte en/of zijn mededader(s) het geld (te weten de € 30.000,-) moeten hebben en/of net zo lang doorgaa(t)n tot hij – verdachte – het geld heeft en/of
-(vervolgens) naar de woning van die [slachtoffer 1] gegaan en/of aangeklopt en/of anderszins een geluid gemaakt op de deur, waarna die [slachtoffer 1] de deur heeft geopend en/of
-(vervolgens) opzettelijk dreigend en/of intimiderend een pistool, althans een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] gericht (gehouden) en/of aan die [slachtoffer 1] getoond/voorgehouden en/of
-(vervolgens) met voornoemd pistool, althans het vuurwapen, twee schoten, althans meerdere schoten afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1]
en/of
met betrekking tot aangever [slachtoffer 2],
-die [slachtoffer 2] (en/of zijn familie) meerdere malen (anoniem) gebeld(telkens in de Turkse taal), waarbij tegen die [slachtoffer 2](en/of zijn familie) werd gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “je hebt nog een aantal uren om het geld te regelen” en/of “je hebt tot twaalf uur vannacht de tijd” en/of “[slachtoffer 1] (te weten aangever [slachtoffer 1]) weet er wel vanaf” en/of
-tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “als je om 24:00 uur geen geld hebt, dan schiet ik jou, je vrouw en je gezin dood” en/of (nadat er op aangever [slachtoffer 1] is geschoten)
-die [slachtoffer 2] meerdere malen gebeld en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “heb je het al gehoord?“ en/of “Ik ben in [plaats] geweest” en/of “jij bent als volgende aan de beurt” en/of "ik schiet jou ook dood” en/of
-tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “ik moet al het geld hebben dat jullie hebben buitgemaakt” en/of “anders maak ik je dood” en/of “dan ben jij de volgende”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2024 tot en met 21 augustus 2024 te [plaats], gemeente Voorst en/of te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met - enig misdrijf tegen het leven gericht,
immers is/zijn en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
met betrekking tot die [slachtoffer 1]
-naar de woning van die [slachtoffer 1] gegaan en/of aangeklopt en/of anderszins een geluid gemaakt op/aan de deur, waarna die [slachtoffer 1] de deur heeft geopend en/of -opzettelijk dreigend en/of intimiderend een pistool, althans een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] gericht (gehouden) en/of aan die [slachtoffer 1] getoond/voorgehouden en/of -(vervolgens) met voornoemd pistool, althans het vuurwapen, twee schoten, althans meerdere schoten afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1]
en/of
met betrekking tot die [slachtoffer 2]
-die [slachtoffer 2] gebeld en/of (in de Turkse taal) tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “als je om 24:00 uur geen geld hebt, dan schiet ik jou, je vrouw en je gezin dood” en/of (nadat er op aangever [slachtoffer 1] is geschoten)
-die [slachtoffer 2] meerdere malen gebeld en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “heb je het al gehoord?“ en/of “Ik ben in [plaats](woonplaats van aangever [slachtoffer 1]) geweest” en/of “jij bent als volgende aan de beurt” en/of "ik schiet jou ook dood” en/of
-tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “ik moet al het geld hebben dat jullie hebben buitgemaakt” en/of “anders maak ik je dood” en/of “dan ben jij de volgende”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit. De verklaringen van aangevers moeten van het bewijs worden uitgesloten, omdat ze op meerdere punten niet consistent, geloofwaardig en betrouwbaar zijn. Bovendien bevat het procesdossier geen bewijsmiddelen die hun verklaringen ondersteunen.
Daarnaast kan de vertaling van het opgenomen telefoongesprek tussen de zoon van aangever en verdachte niet voor het bewijs worden gebruikt. Het gesprek is onduidelijk, omdat verdachte niet goed Turks spreekt. Daarnaast was hetgeen verdachte in dat gesprek heeft gezegd, grootspraak, omdat hij zich geïntimideerd voelde.
Het procesdossier bevat verder onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte een vuurwapen had en daarmee heeft geschoten. Voor het medeplegen is eveneens onvoldoende bewijs aanwezig.
Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte met een vuurwapen in de richting van aangever [slachtoffer 1] heeft geschoten, doet de raadsvrouw een beroep op noodweer. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] tegen verdachte, nu hij verdachte met een wapen bedreigde. Verdachte voelde zich genoodzaakt zichzelf te verdedigen. Indien de rechtbank vindt dat het handelen van verdachte niet voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit doet de verdediging een beroep op noodweerexces.
Beoordeling door de rechtbank
De betrouwbaarheid van het bewijs
De rechtbank constateert dat zowel de verklaringen van aangevers als die van verdachte hiaten bevatten. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld hoe deze verklaringen gewaardeerd moeten worden.
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van aangevers worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, zoals de historische verkeersgegevens uit de onderzochte telefoons, en onafhankelijke getuigenverklaringen van buurtbewoners.
Hierbij weegt de rechtbank mee dat aangever [slachtoffer 2] de dag na het incident een WhatsApp-gesprek heeft gevoerd met ‘[naam 1]’, volgens de politie de vader van verdachte, dat lijkt te gaan over het incident, waarin [slachtoffer 2] aan [naam 1] vraagt waarom hij de schuld krijgt, meerdere malen zegt dat hij vals wordt beschuldigd en dat hij het huis van [naam 1] niet kent. Volgens de rechtbank ondersteunt dit de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij niet wist wat er aan de hand was en niet wist waarom hij door [naam 1] en zijn zoon (de rechtbank begrijpt verdachte) beschuldigd werd.
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangevers, ook niet waar het de uitlatingen betreft die verdachte telefonisch richting aangevers zou hebben gedaan.
Verder heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat zijn uitlatingen in het opgenomen telefoongesprek tussen hem en [naam 2] moeten worden gezien als grootspraak, omdat hij zich geïntimideerd voelde. Om die reden moet het gesprek volgens de verdediging worden uitgesloten van het bewijs.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat het hier gaat om grootspraak op grond waarvan de uitlatingen van verdachte niet serieus zouden moeten worden genomen. Uit de vertalingen van dit gesprek blijkt dat namelijk totaal niet. Verdachte komt serieus en oprecht over in zijn reacties, bijvoorbeeld door te vragen ‘wat het uitmaakt wie er heeft geschoten’ en de ‘dinges in zijn zak’ te noemen. Verder lijkt het gesprek rustig te verlopen. Op basis van de vertalingen lijkt in het gesprek ook geen sprake te zijn van intimidatie in de richting van verdachte. Bovendien past de lezing van de verdediging ook niet bij de opmerking van de zoon van aangever, die boos opmerkt dat het niet ethisch is om naar iemands huis te gaan en te schieten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vertalingen van het opgenomen telefoongesprek voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Met betrekking tot de te bezigen bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.
Telefoongesprekken voorafgaand aan het incident
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2024 om 16:43 uur op zijn mobiele telefoon werd gebeld door een anoniem nummer. Toen hij opnam, hoorde hij een man in het Turks tegen hem zeggen dat hij, [slachtoffer 1], nog een aantal uur had, tot 12 uur ’s nachts om het geld te regelen. De man zei dat hij, [slachtoffer 1], tot twaalf uur de tijd had en dat de man hem anders zou pakken. De man schold [slachtoffer 1] uit voor hoerenzoon en verbrak daarna de verbinding. Daarna werd [slachtoffer 1] nog een aantal keer anoniem gebeld.
Volgens de zoon van [slachtoffer 1], de heer [naam 3], gingen de bedreigingen van zijn vader vervolgens door. Er werd door een onbekend nummer gebeld, maar ook een keer met het telefoonnummer [telefoonnummer].
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 19 augustus 2024 omstreeks 13:45 uur werd gebeld door een anoniem nummer. Hij heeft niet opgenomen. Kort daarna werd [slachtoffer 2] opnieuw anoniem gebeld. Toen [slachtoffer 2] opnam, vroeg een man hem of hij [slachtoffer 2] was. Toen [slachtoffer 2] zei dat dit klopte, zei de man dat ze tot 24:00 uur de tijd kregen om het geld bij elkaar te krijgen. [slachtoffer 2] vroeg de man wat hij bedoelde en waar hij het over had. Vervolgens zei de man dat [slachtoffer 1] er wel vanaf wist. Omstreeks 22:13 uur werd [slachtoffer 2] weer gebeld door een anoniem nummer. Toen hij opnam, zei een man aan de andere kant van de lijn: ‘Als je om 24:00 uur geen geld hebt, dan schiet ik jullie dood’. Hij zei ook dat hij wist wie [slachtoffer 2] was en waar hij woonde en dat hij [slachtoffer 2], diens vrouw en diens gezin dood zou schieten. [slachtoffer 2] herkende de stem als dezelfde waarmee hij eerder in de middag contact had gehad. De man sprak Turks met hem.
Met het telefoonnummer [telefoonnummer] is op 19 augustus 2024 zes keer gebeld naar het telefoonnummer van [slachtoffer 1]. Op 19 en 20 augustus 2024 heeft dit telefoonnummer zes keer naar het telefoonnummer van [slachtoffer 2] gebeld.
Het incident
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 20 augustus 2024 omstreeks 22:15 uur in zijn woning aan de [adres 2] in [plaats] was. Hij hoorde dat iemand op de voordeur klopte. Toen hij opendeed, stond er een man met een pistool. Toen [slachtoffer 1] door de gang naar de woonkamer liep, hoorde hij een harde knal. Daarna hoorde hij de voordeur hard dichtvallen. [slachtoffer 1] liep naar de voordeur en deed deze open. Hij zag een man wegrennen in de richting van het trappenhuis. Onderaan de trap zag hij twee mannen wegrennen. Aangever heeft verklaard een kogel te hebben gevonden op de galerij.
Meerdere buurtbewoners hebben omstreeks 22:18 uur twee personen weg zien rennen in de richting van de [adres 2]. Zo verklaart de bewoner van één van de woningen onder die van [slachtoffer 1], dat hij de avond ervoor (de rechtbank begrijpt: op 20 augustus 2024) meerdere mannenstemmen hoorde uit de woning van een Turkse man. Omstreeks 22:15 uur werden de stemmen luider en hoorde de bewoner de mannen schreeuwen. Het leek alsof ze ruzie hadden. Kort hierna hoorde de bewoner een knal en een deur dichtgaan. Een bewoner van de [adres 3] verklaarde dat zijn vrouw en hij omstreeks 22:30 uur twee knallen hoorden. Zijn vrouw zag vervolgens twee mannen uit de woning aan de [adres 2] komen, na een aantal minuten gevolgd door de bewoner van die woning.
Op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoon en de auto van verdachte kon niet worden vastgesteld waar deze zich ten tijde van het schietincident bevonden. Ze hebben gedurende dat tijdsbestek geen mast aangestraald in de buurt van de woning van [slachtoffer 1].
De zoon van [slachtoffer 1] heeft op 21 augustus 2024 het telefoonnummer [telefoonnummer] gebeld en dit telefoongesprek opgenomen. Naar de rechtbank begrijpt, heeft zijn zwager [naam 2] het gesprek daadwerkelijk gevoerd. Het gesprek vond plaats in het Turks en is door een tolk vertaald. [slachtoffer 2] andere het volgende werd gezegd:
[naam 2]: ‘Het schijnt dat jij bent gegaan en dat jij hebt geschoten met een wapen, toch?’
NNman: ‘Ik ben gegaan. Ja.’ (…)
[naam 2]: ‘Ben jij degene die heeft geschoten?’
NNman: ‘Wat maakt het uit of ik het ben of iemand anders?’ (…)
[naam 2]: ‘Het is niet ethisch om het huis van een man binnen te gaan en hem neer te schieten! Het is niet ethisch en vandaar dat het mij ter ore is gekomen.’
NNman: [stemverheffing] ‘Is goed! Is goed! Maar ik kom voor mijn rechten op/ik verdedig mijn rechten. Dus begrijp mij ook.’
Er is ook een videofragment van dit gesprek opgenomen. Hierin werd [slachtoffer 2] andere het volgende gezegd, waarbij de politie verdachte aanduidt als NN1 en de zoon van [slachtoffer 1] als NN2:
NNM1: ‘Ik ben naar zijn/haar huis geweest en tikte op het raam. ‘Wie is daar?’ Ik zei: ‘Doe de deur open, dan praten we.’ Ik zweer het, ik had nog niets uit mijn zak gepakt, geen dinges gedaan. Ik zeg: ‘Doe de deur open, dan praten we.’ (…)
NNM1: ‘Wat zegt hij/zij aan mij? ‘Wacht maar.’ Hij/zij gaat en neemt dinges in de hand, doet de deur open, doet meteen dinges naar mij. (…) En natuurlijk, daarna halen wij het ook tevoorschijn. (…) En dan zegt hij als een klein kind aan ons: ‘Schiet maar, schiet maar.’ (…) En toen is er gebeurd, wat er gebeurd is.’ (…)
NNM2: ‘Hoe heet je overigens?’ (…)
NNM1: ‘[verdachte]. [verdachte] (fon)’.
Verder liet de zoon van [slachtoffer 1] weten dat verdachte in dit gesprek heeft gezegd dat hij net zo lang door zou gaan tot het geld zou zijn betaald.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 20 augustus 2024 naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan. Hij heeft op de voordeur geklopt, waarna [slachtoffer 1] open deed. Er was een hevige discussie. Verdachte ging daarheen om verhaal te halen. Hij heeft op 21 augustus 2024 het telefoongesprek met de zoon van aangever gevoerd.
Telefoongesprekken daarna
Met het telefoonnummer [telefoonnummer] is op 21 augustus 2024 twee keer gebeld naar het telefoonnummer van [slachtoffer 1] en twee keer naar het telefoonnummer van [slachtoffer 2].
De zoon van [slachtoffer 1] liet op 21 augustus 2024 aan de politie weten dat zijn vader nog steeds telefonisch werd bedreigd.
Op 21 augustus 2024 werd [slachtoffer 2] weer gebeld door een anoniem nummer. Dezelfde man als eerst zei: ‘Heb je het al gehoord. Ik ben in [plaats] geweest. Jij bent de volgende aan de beurt. Ik schiet jou ook dood’. Toen [slachtoffer 2] zei dat hij van niets wist, zei de man: ‘Denken jullie dat mijn vader alleen is? Ik moet al het geld hebben dat jullie buit hebben gemaakt’. De man was tijdens het gesprek meerdere malen aan het schelden. Hij dreigde meerdere malen dat hij [slachtoffer 2] dood zou schieten en dat die de volgende zou zijn.
Verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Verdachte heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebeld, omdat hij hen wilde spreken. Hij heeft ze bedreigd, omdat ze het geld moesten teruggeven. Er was ingebroken bij zijn vader. Hierbij was ongeveer € 5.000,- gestolen. Verdachte verdenkt [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ervan dat ze hierbij betrokken waren. Hij zei dat hij hen in elkaar zou slaan en hen op kwam zoeken. Daarbij sprak hij Turks. Verdachte was boos en wilde verhaal halen. Hij heeft gescholden, misschien ook met ‘hoerenzoon’. De gesprekken met [slachtoffer 2] verliepen hetzelfde, waarbij verdachte ook heeft verwezen naar [slachtoffer 1]. Die avond (de rechtbank begrijpt: 21 augustus 2024) heeft hij [slachtoffer 2] nog een keer gebeld. Verdachte heeft tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij in [plaats] was geweest.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 19 augustus 2024 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meerdere keren anoniem heeft gebeld en daarbij in het Turks de tenlastegelegde uitlatingen heeft gedaan.
Vervolgens is verdachte op 20 augustus 2024 naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, waar hij op de voordeur heeft geklopt. Toen [slachtoffer 1] open deed, heeft verdachte hem een wapen getoond en daar één keer mee geschoten. De rechtbank betrekt hierbij het feit dat op de galerij een huls is gevonden die, volgens het rapport van het NFI, vermoedelijk is voorzien geweest van een projectiel. Daarnaast hebben meerdere buurtbewoners verklaard dat zij die avond in ieder geval één knal hebben gehoord. Gelet op het e-mailbericht van de deskundige Microsporen en Materialen van het NFI ten aanzien van de oorzaak van het breken van de ruit en de verklaring van de onderbuurman, die zegt maar één knal te hebben gehoord, staat volgens de rechtbank onvoldoende vast dat verdachte twee keer heeft geschoten. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte slechts één keer heeft geschoten en dat vervolgens de deur dichtklapte door de wind. Dat er volgens [slachtoffer 1] daarnaast ook een – naar later is gebleken – rubberen kogel zou zijn gevonden, doet hieraan niets af. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten.
Tot slot heeft verdachte op 21 augustus 2024 wederom meermaals anoniem naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebeld, waarbij hij de tenlastegelegde uitingen heeft gedaan.
Hiermee probeerde verdachte hen door bedreiging met geweld te dwingen om het geld, waarvan hij dacht dat zij dit van zijn vader hadden gestolen, terug te geven. Zijn oogmerk was er dus op gericht om een ander, te weten zijn vader, wederrechtelijk te bevoordelen.
Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Verder constateert de rechtbank dat verdachte in het telefoongesprek met de zoon van aangever heeft opgemerkt: ‘wat doet het ertoe wie er heeft geschoten’ en heeft hij het in dit gesprek over ‘wij’ en ‘ons’. Op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoon en de auto van verdachte kon bovendien niet worden vastgesteld waar deze zich ten tijde van het schietincident bevonden omdat die geen mast hebben aangestraald in de buurt van de woning van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft daarentegen bij de politie verklaard dat hij met zijn eigen auto naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan. Tot slot hebben buren gezien dat er meerdere personen uit de woning kwamen, gevolgd door aangever. Voor het tegendeel heeft verdachte ter terechtzitting geen goede of aannemelijke verklaring kunnen geven.
Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte het tenlastegelegde met een ander moet hebben gepleegd. De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het beroep op noodweer(exces)
Ten aanzien van het beroep van de verdediging op noodweer(exces) overweegt de rechtbank als volgt. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat [slachtoffer 1] een vuurwapen op hem richtte, maar direct daarna zei hij dat het voorwerp dat [slachtoffer 1] zou moeten hebben vastgehouden ‘wel en niet’ op een wapen leek. Ook ter zitting heeft verdachte verklaard dat het niet echt op een vuurwapen leek. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] een vuurwapen bij zich had en dit aan verdachte heeft getoond.
Bovendien heeft verdachte [slachtoffer 1] voorafgaand aan het incident telefonisch bedreigd. Vervolgens is hij met een vuurwapen naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan om verhaal te halen. Zelfs als [slachtoffer 1] daarbij als eerste aan verdachte een op een wapen gelijkend voorwerp zou hebben getoond, zou een beroep op noodweer(exces) falen, omdat de rechtbank het handelen van verdachte niet aanmerkt als gericht op zijn verdediging, maar zuiver aanvallend. Naar het oordeel van de rechtbank was er daarom geen sprake van een noodweersituatie.
Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2024 tot en met 21 augustus 2024 te [plaats], gemeente Voorst en/of te Deventer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten € 30.000,--), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n),
immers is/zijn en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):
met betrekking tot aangever [slachtoffer 1],- die [slachtoffer 1] (en/of zijn familie) meerdere malen (anoniem) gebeld (telkens in de Turkse taal), waarbij tegen die [slachtoffer 1] (en/of zijn familie) werd gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “je hebt nog een aantal uren om het geld te regelen” en/of “je hebt tot twaalf uur vannacht de tijd” en/of “anders pakken we je” en/of opzettelijk dreigend en/of intimiderend geroepen/gezegd tegen die [slachtoffer 1] “je bent een hoerenzoon” en/of
- tegen die [slachtoffer 1] gezegd/medegedeeld dat hij –verdachte en/of zijn mededader(s) het geld (te weten de € 30.000,-) moeten hebben en/of net zo lang doorgaa(t)n tot hij – verdachte – het geld heeft en/of vervolgens) naar de woning van die [slachtoffer 1] gegaan en/of aangeklopt en/of anderszins een geluid gemaakt op de deur, waarna die [slachtoffer 1] de deur heeft geopend en/of
- ( vervolgens) opzettelijk dreigend en/of intimiderend een pistool, althans een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] gericht (gehouden) en/of aan die [slachtoffer 1] getoond/voorgehouden en/of
- ( vervolgens) met voornoemd pistool, althans het vuurwapen, twee schoten, althans meerdere schoten afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1]
en/of
met betrekking tot aangever [slachtoffer 2],
- die [slachtoffer 2] (en/of zijn familie) meerdere malen (anoniem) gebeld (telkens in de Turkse taal), waarbij tegen die [slachtoffer 2] (en/of zijn familie) werd gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “je hebt nog een aantal uren om het geld te regelen” en/of “je hebt tot twaalf uur vannacht de tijd” en/of “[slachtoffer 1] (te weten aangever [slachtoffer 1]) weet er wel vanaf” en/of
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “als je om 24:00 uur geen geld hebt, dan schiet ik jou, je vrouw en je gezin dood” en/of (nadat er op aangever [slachtoffer 1] is geschoten)
- die [slachtoffer 2] meerdere malen gebeld en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “heb je het al gehoord?“ en/of “Ik ben in [plaats] geweest” en/of “jij bent als volgende aan de beurt” en/of "ik schiet jou ook dood” en/of
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd/medegedeeld (zakelijk weergegeven) “ik moet al het geld hebben dat jullie hebben buitgemaakt” en/of “anders maak ik je dood” en/of “dan ben jij de volgende”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, waarvan 174 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in verband met de aanleiding, het eigen aandeel van aangevers, de – volgens het standpunt van de verdediging – beperkte bewezenverklaring en de persoonlijke omstandigheden van verdachte bepleit om te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke taakstraf en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot afpersing in vereniging. Hij dacht te weten wie het geld van zijn vader had gestolen en is daarop verhaal gaan halen bij aangevers om het geld snel terug te krijgen. Daarbij heeft hij aangevers niet alleen telefonisch bedreigd, maar is hij bovendien met een pistool naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan, waar hij heeft aangebeld. Toen [slachtoffer 1] open deed, heeft verdachte hem het vuurwapen getoond en één keer geschoten.
Het spreekt voor zich dat verdachte hiermee ver over de schreef is gegaan. Het is volstrekt onacceptabel om voor eigen rechter te spelen, helemaal als daar ook nog vuurwapens mee gemoeid zijn. Zijn handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer 1], maar ook op de overige buurtbewoners. Bovendien tast dit ook het algemene veiligheidsgevoel in de samenleving aan. Dit rekent de rechtbank hem aan.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte d.d. 16 juni 2025 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Reclassering Nederland heeft op 20 juni 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering is geen sprake van een actueel delictpatroon. Hij is onder voorwaarden geschorst uit de preventieve hechtenis. Hij werkt goed mee aan het toezicht, houdt zich aan afspraken en stelt zich open en meewerkend op. Er worden geen problemen gesignaleerd op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en middelengebruik. Zijn gezin en vaste baan worden gezien als beschermende factoren. De reclassering ziet enige risico’s in zijn mogelijk beperkte probleemoplossende vaardigheden, impulsiviteit en agressieregulatieproblematiek, aangezien hij met verbale en/of fysieke agressie heeft gereageerd op problemen.
Volgens de reclassering is verdachte bereid om mee te werken aan reclasseringstoezicht en interventies, ook al denkt verdachte dat hij dit niet nodig heeft. De reclassering ziet bij een veroordeling meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht. Hij kan baat hebben bij het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden. Wanneer er na een eventuele veroordeling meer duidelijkheid is over de ernst van zijn delictgedrag en ambulante behandeling vanuit de training of het toezicht nodig wordt geacht, zal de reclassering verdachte hiervoor aanmelden. Verdachte is bereid hieraan mee te werken. Om te voorkomen dat verdachte alsnog contact zoekt met aangevers zou een contactverbod overwogen kunnen worden.
De reclassering schat de risico’s op recidive en letsel in als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur in beginsel op zijn plaats is.
De rechtbank heeft echter oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de negatieve gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk zal hebben voor zijn werk en daarmee zijn gezin. Daarom vindt de rechtbank in dit geval – als waarschuwing en als kans – een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf, waardoor verdachte niet opnieuw wordt gedetineerd, passend. Daarbij zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.
In tegenstelling tot de verdediging acht de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf op zijn plaats.
De rechtbank zal verdachte – overeenkomstig de eis van de officier van justitie – veroordelen tot een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, waarvan 174 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich in verband met de bepleite integrale vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Subsidiair moet de vordering worden afgewezen, dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering, in verband met het ontbreken van een grondslag dan wel onderbouwing van de vordering.
De beoordeling door de rechtbank
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,- vaststellen. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de rechtbank geen aanwijzingen heeft gevonden dat verdachte op of richting de benadeelde partij heeft geschoten.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 21 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a in Zutphen;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1957 en
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1968;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.