RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-169377-25
Datum uitspraak : 15 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboorteplaats 1] 1991 in [geboorteplaats 2] (Peru),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande
raadsman: mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is na toewijzing van een vordering nadere omschrijving feiten ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te [plaats 1], althans in Nederland, tezamen
en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning
gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s)
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
een of meerdere goederen, te weten:
- een of meerdere (gouden en/of zilveren) sieraden en/of
- een of meerdere horloges en/of
- een geldbedrag (van in totaal ongeveer 1200 euro) en/of
- een of meerdere zilveren bestek en/of
- een of meerdere diploma's,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of
dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse
sleutel;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 31 mei 2025 [adres] te [plaats 2], althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, een of meerdere goederen, te weten:
- een of meerdere zilveren bestek
heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of
zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen
van dit goed wist(en, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden,
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 3], althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om in een of meer woningen en/of op een of meer
besloten erven waarop een woning stond, te weten een of meer woningen
gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn
mededader(s) zich (telkens) buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevond(en), goederen naar zijn/hun gading, in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen
met het oogmerk om het zich (telkens) wederrechtelijk toe te eigenen
en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te
brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse
sleutel door:
- naar de voordeur van de woning is toegelopen en/of
- ( vervolgens) door het raam naar binnen heeft gekeken en/of
- ( vervolgens) aan de deurknop heeft gevoeld en/of
- ( vervolgens) middels de (regen)pijp het balkon is opgeklommen en/of
- ( vervolgens) een (zwart) voorwerp naar beneden heeft gegooid en/of
- ( vervolgens) met een (zwart) voorwerp in zijn hand heen en weer heeft
gelopen en/of
- ( vervolgens) een wuifbeweging met zijn hand heeft gemaakt, waarop het
leek dat de andere medeverdachte naar beneden kon komen en/of
- ( vervolgens) een of meerdere malen op de deurbel heeft gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2. Wat betreft feit 1 primair heeft de officier van justitie gevorderd verdachte partieel vrij te spreken voor de opgenomen goederen. Alleen het wegnemen van de zilveren bestekset kan wettig en overtuigend worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 kan niet worden bewezen dat de verdachten meerdere malen op de deurbel hebben gedrukt en de officier van justitie heeft gevorderd verdachte ook daarvan partieel vrij te spreken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Wat betreft feit 1 primair is er onvoldoende bewijs dat verdachte medepleger is. Voor feit 2 is er volgens de raadsman geen sprake van een begin van uitvoering en is het niet bekend wat de inhoud van de zwarte rugtas was.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Uit de aangifte van [aangever 1] bleek dat er op 31 mei 2025 bij haar woning aan de [adres] in [plaats 1] is ingebroken door het forceren van een deur en waarbij in ieder geval een zilveren bestekset werd weggenomen. [verdachte] verklaarde dat hij bij de woning aanwezig is geweest en dat hij in de auto is gebleven.
De vraag die voorligt is of er op basis van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van de woninginbraak. Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dat een verdachte een significante bijdrage levert aan het delict. Uit het dossier komt geen bewijs naar voren dat [verdachte] een grotere rol heeft gehad dan het wachten in de auto. De rechtbank meent dat dat onvoldoende is om verdachte te kunnen aanmerken als (mede)pleger van woninginbraak. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder 1.
De vraag is vervolgens of [verdachte] kan worden veroordeeld voor de subsidiair tenlastegelegde heling onder feit 1. De zilveren bestekset die werd weggenomen uit de woning van [aangever 1] werd aangetroffen in de auto waarin [verdachte] en de medeverdachten zaten ten tijde van hun aanhouding. Uit het dossier is naar voren gekomen dat het bestek op/bij de achterbank lag en was opgeborgen in een zwarte etui. In het dossier bevinden zich verder geen aanknopingspunten dat [verdachte] wist of kon weten dat de gestolen bestekset in de auto lag. Ook is niet vast komen te staan op welke plekken [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] in de auto zaten bij de aanhouding, zodat ook daaruit geen opzet- of schuldheling van de gestolen bestekset kan worden afgeleid, zeker niet nu het bestek in een zwarte etui zat opgeborgen. De rechtbank zal [verdachte] daarom ook vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1.
Feit 2
Op 31 mei 2025 ontving [aangever 2] via de app van het camerasysteem bij zijn woning aan de [adres] in [plaats 1] meerdere meldingen van beweging terwijl hij niet thuis was. Het betrof beelden van de deurbelcamera en andere camera’s rondom de woning.
Op de deurbelcamera was te zien dat persoon 1 om 18.21 uur 4 keer aanbelt. Op de andere beelden zag [aangever 2] dat persoon 1 om 18.23 uur aanklopt op het raam van de woning. Vervolgens was te zien dat persoon 1 om 18.25 uur samen met persoon 2 onder het balkon staat, waarna persoon 1 via de muur naar het balkon klimt. Enkele minuten later kwam persoon 1 weer naar beneden. Beide personen liepen vervolgens naar de achterzijde van de woning, waarbij persoon 2 ergens naar wees, waarna zij via de bosjes uit beeld verdwenen.
De politie bekeek de camerabeelden van de woning waarop 2 personen te zien waren. Verbalisant zag dat persoon 2 naar boven wees, waarna persoon 1 via de regenpijp naar boven klom. Persoon 2 liep intussen heen en weer met een zwart voorwerp in zijn hand. Op de beelden was te zien dat persoon 1 op het balkon een zwarte rugtas naar beneden gooit richting persoon 2. Persoon 2 maakte vervolgens een wuifbeweging in de richting van persoon 1, alsof die volgens hem weer naar beneden kon komen. Op camerabeelden van de zijkant van de woning was verder nog te zien te zien dat persoon 1 naar binnen keek. Persoon 1 droeg een lichtgrijze trainingsbroek met zwarte sportschoenen en persoon 2 droeg zwarte boven- en onderkleding en had een zwarte rugtas bij zich.
[verdachte] heeft verklaard dat hij samen met 2 anderen naar de woning aan de [adres] is gereden. Toen ze aankwamen bij de woning, wist [verdachte] dat er gereedschap in de rugtas zat. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij de persoon in zwarte kleding op de beelden is en dat hij de zwarte rugtas aan de andere persoon heeft aangereikt.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] persoon 2 op de beelden is en dat hij samen met de medeverdachten naar de woning is gegaan met het voornemen om in te breken. Alle handelingen bij elkaar genomen zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf, zeker nu er gereedschap in de tas zat, [verdachte] daarvan afwist en [verdachte] de tas aanpakte van de medeverdachte die op het balkon stond. Ook werd er meerdere malen rond de woning gelopen, aangebeld en naar binnen gekeken. Deze gedragingen vormen naar hun uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering van een woninginbraak zoals bedoeld in artikel 45 Sr.
Ook is er sprake van medeplegen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] samen met 2 anderen naar de woning is gereden en met 1 andere persoon handelingen heeft verricht rondom de woning, waarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en een significante bijdrage van [verdachte] . Hij was niet alleen aanwezig, maar faciliteerde ook de handelingen van de medeverdachte door de rugzak met gereedschap aan te pakken, had zelf een zwart voorwerp vast en stemde met de medeverdachte af. Daarmee is er, anders dan de raadsman heeft betoogd, wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot woninginbraak.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 van het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 3], althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om in een of meer woningen en/of op een of meer
besloten erven waarop een woning stond, te weten een of meer woningen
gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn
mededader(s) zich (telkens) buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevond(en), goederen naar zijn/hun gading, in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen
met het oogmerk om het zich (telkens) wederrechtelijk toe te eigenen
en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te
brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse
sleutel door:
- naar de voordeur van de woning is toegelopen en/of
- (vervolgens) door het raam naar binnen heeft gekeken en/of
- (vervolgens) aan de deurknop heeft gevoeld en/of
- (vervolgens) middels de (regen)pijp het balkon is opgeklommen en/of
- (vervolgens) een (zwart) voorwerp naar beneden heeft gegooid en/of
- (vervolgens) met een (zwart) voorwerp in zijn hand heen en weer heeft
gelopen en/of
- (vervolgens) een wuifbeweging met zijn hand heeft gemaakt, waarop het
leek dat de andere medeverdachte naar beneden kon komen en/of
- (vervolgens) een of meerdere malen op de deurbel heeft gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft gevraagd bij strafoplegging rekening te houden met mobiel banditisme.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er bij strafoplegging de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt moeten gelden voor de hoogte van de straf en meent dat er geen sprake is van mobiel banditisme, nu de feiten zich hebben voorgedaan op 1 dag.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Woninginbraken zorgen binnen de samenleving in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid. Het is voor slachtoffers in het bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat er vreemden bij hun woning zijn geweest met inbrekerswerktuig die hebben geprobeerd binnen te komen. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft echter enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 13 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld ter zake van diefstallen. Uit het uittreksel ecris van 8 oktober 2025 is gebleken dat verdachte ook niet eerder is veroordeeld in Frankrijk.
De straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een first offender is het uitgangspunt voor woninginbraak een gevangenisstraf van 3 maanden.
Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij vanuit Frankrijk naar Nederland is gereisd en daar een strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl hij met de mededaders rond reed in een huurauto, inbrekerswerktuig op zak had en in een B&B verbleef. Verdachte had niets in Nederland te zoeken. De rechtbank ziet tegelijkertijd aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank niet alle feiten bewezen acht en vanwege de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Volgens de rechtbank is er daarnaast geen sprake van mobiel banditisme, nu niet is gebleken van een structurele samenwerking tussen de verdachten of rondtrekken over langere afstand, zeker nu er maar één feit is bewezenverklaard. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 2 maanden met aftrek van voorarrest.
8. De beoordeling van de civiele vordering
Feit 1
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €29.492,69,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Dit bedrag is opgebouwd uit:
De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om €919,-, opgebouwd uit:
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen wat betreft de kosten van de inbraakschade, de opengebroken kluis en de schoonmaakkosten ter hoogte van totaal €2.020,- met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen vanwege de bepleite vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
9. De beoordeling van het beslag
Verdachte is op 31 mei 2025 aangehouden door de politie. Verdachte had op dat moment een Honor Go Smart bij zich, welke in beslag is genomen voor onderzoek. De rechtbank zal de teruggave van dit voorwerp (goednummer PL0600-2025253685-17) aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
De rechtbank zal verder gelasten dat de inbeslaggenomen zwarte tas met inbrekerswerktuig (goednummer PL0600-2025253685-8) zal worden verbeurd verklaard, nu met betrekking tot dit goed feit 2 is begaan.
De rechtbank zal verder van de overige inbeslaggenomen goederen (goednummers PL0600-2025253685-31, PL0600-2025253685-30, PL0600-2025253685-29, PL0600-2025253685-28, PL0600-2025253685-27, PL0600-2025253685-26, PL0600-2025253685-34, PL0600-2025253685-35, PL0600-2025253685-6, PL0600-2025253685-33, PL0600-2025253685-32, PL0600-2025253685-65) gelasten dat deze moeten worden teruggegeven aan de rechthebbende.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
verklaart de benadeelde partij [aangever 1] in verband met feit 1 niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
verklaart verbeurd de zwarte tas met inbrekerswerktuig (goednummer PL0600-2025253685-8);
gelast de teruggave van de Honor Go Smart (goednummer PL0600-2025253685-13) aan de verdachte;
gelast de teruggave van de volgende goednummers (PL0600-2025253685-17, PL0600-2025253685-31, PL0600-2025253685-30, PL0600-2025253685-29, PL0600-2025253685-28, PL0600-2025253685-27, PL0600-2025253685-26, PL0600-2025253685-34, PL0600-2025253685-35, PL0600-2025253685-6, PL0600-2025253685-33, PL0600-2025253685-32, PL0600-2025253685-65) aan de rechthebbende(n).