RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.006656.24
Datum uitspraak : 1 december 2025
Tegenspraak (279 Sv)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen aan [adres] .
raadsman: mr. R. van der Graaf, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2023 te Apeldoorn en/of te Vaassen, althans in Nederland(telkens)opzettelijkheeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC,zijnde cocaïne en/of MDMA en/of 4-MMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2023 te Apeldoorn en/of te Vaassen, althans in Nederland(telkens)opzettelijkheeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehadeen (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC,zijnde 3-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 november2022 te Apeldoorn en/of te Vaassen, althans in Nederlandal dan niet opzettelijkheeft verkocht en/of afgeleverd en/of ter hand gesteld,in elk geval in voorraad heeft gehad,een (gebruikers)hoeveelheid ketamine, bevattende de werkzame stof ketamine,zijnde een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en feit 2.
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 gevraagd verdachte vrij te spreken, nu niet artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet, maar artikel 38 ten laste had moeten worden gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van feit 1 de periode moet worden ingekort, omdat er maar één getuige is die verklaard over het kopen van drugs bij verdachte vanaf 1 juli 2021. Uit de uitgelezen telefoons blijkt volgens de verdediging eerder een datum van oktober/november 2021 als start van het dealen.
De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021 is opgenomen op lijst II van de Opiumwet. Hij heeft de rechtbank daarom verzocht verdachte vrij te spreken van de periode van 1 juli 2021 tot 28 oktober 2021.
De raadsman deelt de mening van de officier van justitie dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1 en 2
Op 7 november 2022 werden er onder verdachte een Huawei-telefoon en een iPhone XR in beslag genomen. De data op deze telefoons zijn onderzocht.
Op de Huawei was onder meer ingelogd met een Snapchataccount, waaraan de naam [naam] was gekoppeld. Daarnaast stonden er meerdere selfies van verdachte op de telefoon en werd de gebruiker van de telefoon door verschillende gesprekspartners [verdachte] genoemd. Op de telefoon werden ook diverse afbeeldingen aangetroffen van zakken met daarin wit, kristalachtig poeder van 0.5 tot 1 kilo en pillen in zakjes.
Het telefoonnummer van de iPhone XR stond op naam van de vader van verdachte. De gebruiker van de telefoon wordt in chats aangesproken met [verdachte] en/of [verdachte] . De gebruiker zelf wijst er in gesprekken op dat hij gebruik maakt van een grijze Peugeot 206. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij gebruik maakt van een grijze Peugeot 206. Op de telefoon werden notities aangetroffen, waarin een prijslijst voor cocaïne en een poflijst (kredietlijst) werden bijgehouden.
In de Huawei telefoon werden gesprekken aangetroffen met afnemers in de periode van 20 juni 2022 tot en met 6 november 2022, waaronder gesprekken met contacten [naam], [naam] en [naam].
Op 6 november 2022 werd er een gesprek gevoerd met contact [naam] :
‘’V: JooA: Rij je nog of kan ik naar je toe komenV: Oke. I get it. Wat heb je nodig?A: poesV: HvlA: Kom je brengen 2gA: Ka. DatV: Ja manA: Of moet ik ophallenV: Ik rij nu vaassen. Kan zo naar jou rijdennA: Ja top kan tikkie toevalligV: Nee manA: Kut zooi. Hoe veel heb je er voor nodig. Zorg ik voor contant.V: 30A: Hoe lang ben je bij mij of heb je ook cokeV: Niet met internet shit dan rij ik nu wel naar carpool zuidV: morgen weer sos man
(..)’’
Ook werd er op 5 november 2022 een gesprek gevoerd met contact [naam] :
‘‘A: hey, hoelaat kan je hier zijn voor miauw ?
V: Uhm
V: Hadden we afgesproken?
A: nee had je nummer gekregen vroeg me af of t kon
V: Waar zit je
V: En hoeveel heb je nodig
V: Ik kan alleen contant aannemen
V: Geen tikkie
A: hoeveel moet je hebben voor 2 g?
V: Waar in Apeldoorn?
A: kerschoten ?
V: Waar in kerschoten
A: bij die supermarkt enzo daar ?
A: Juwelier
V: Oké het kost 30
V: Hoelaat wil je afspreken
A: kan je met 20 minuten ?
V: Ja dat gaat lukken
V: Bn je er al dan
A: Yess
Oké ik ook met 5 min denk ik
A: zie ik je zo
V: Ik heb ook xtc, sos en deze week ook mdma dan weet je dat voor de volgende keer of voor een festival, Fijne avond
(..)’’.
Op 5 november 2022 vond er ook een gesprek plaats met contact [naam] :
‘‘A: Chef
A: Heb je vnv weer hele
V: Jaman hoelaat
A: Ik ben nu nog in apd
A: Half 9?
V: Kan je dan langs vaassen rijden?
V: Dan hoef ik niet te bewegen, ben nu nog op een verjaardag
A: Ja tuurlijk
A: Zelfse plek?
V: Maar dan kom ik wel ff buit3nn
V: Nee
V: Bij de moskee in vaassenn
A: Ai
A: Zal ik appen als ik bijna ben?
V: Ja is cool
V: Rond half 9 zal ik buiten staan
A: Is die tegenover voetbalclub toch
V: Ja klopt
V: Way voor auto kom je
A: Mn golf
A: Miss rijdt mn vriendin mee in andere auto is dan een Seat
A: Dan weet je dat er miss 2 staan
V: Oké
V: Komt goed
V: Je kan komen bel me als je er bent
A: Spul is wel relaxed man
A: Niet vies en gewoon scherp
V: Top
(..)’’.
Uit de Huawei bleken er ook gesprekken gevoerd te zijn met [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .
Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij vanaf juli 2021 drugs gebruikte en dat hij deze kocht bij een dealer. [getuige 1] had contact met de dealer via WhatsApp. [getuige 1] kocht XTC en 3-MMC voor zichzelf en voor vrienden voor ongeveer 400 euro per maand. De persoon op de getoonde politiefoto, verdachte [verdachte] , werd door [getuige 1] herkend als de persoon van wie hij de drugs kocht.
Getuige [getuige 3] verklaarde dat zij vanaf maart 2022 een jaar lang drugs heeft gebruikt en dat zij de drugs onder andere kocht bij [verdachte] . [getuige 3] kende [verdachte] persoonlijk omdat zij met hem heeft samengewerkt in restaurants. [getuige 3] kocht onder andere cocaïne, poes (4-MMC), 3-MMC, XTC en een paar keer MDMA van verdachte. [getuige 3] kocht bijna elke week wel drugs en had contact met verdachte via Snapchat onder de naam [naam]. De deals vonden vaak plaats rondom het centrum van Apeldoorn. De persoon op de getoonde politiefoto, verdachte [verdachte] , werd door [getuige 3] herkend als de persoon van wie zij drugs kocht.
Getuige [getuige 2] verklaarde dat zij vanaf oktober 2022 tot en met oktober 2023 XTC en 3-MMC kocht bij een dealer die [verdachte] heette.
Getuige [getuige 4] , die verdachte eveneens op de politiefoto herkende als de persoon van wie hij drugs kocht, verklaarde dat verdachte de drugs meestal met een auto kwam brengen.
Conclusie
De rechtbank concludeert op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons ook bij hem in gebruik waren. Uit de chats op de Huawei telefoon en de getuigenverklaringen van afnemers blijkt dat verdachte cocaïne, MDMDA, 4MMC en 3MMC aan de getuigen en andere afnemers verkocht. De drugs moesten contant worden betaald en verdachte kwam de drugs (met een auto) afleveren. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die opzettelijk heeft gehandeld in cocaïne, MDMA, 4-MMC en 3-MMC.
Ten aanzien van de periode onder feit 1 overweegt de rechtbank als volgt. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij vanaf juli 2021 drugs bij verdachte kocht. Deze verklaring vindt steun in de notities (de prijs- en poflijst) die werden aangetroffen in de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone XR. Deze notities werden namelijk al enige tijd voor de ten laste gelegde periode in de telefoon gezet en de poflijst werd nog in de ten laste gelegde periode, op 3 maart 2022, bewerkt. Uit chats op de Huawei telefoon blijkt dat afnemers drugs op de pof (op krediet) konden kopen.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaring van [getuige 1] te twijfelen en acht de tenlastegelegde periode onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2 volgt de rechtbank de verdediging dat vanaf 1 juli 2021 tot en met 27 oktober 2021 3-MMC geen middel was als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, noch dat dit middel was aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van de Opiumwet. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de periode van 1 juli 2021 tot en met 27 oktober 2021.
Feit 3
Ten aanzien van het dealen in ketamine overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 40 van de Geneesmiddelenwet strekt ertoe het in het handelsverkeer brengen van geneesmiddelen zonder de daartoe vereiste handelsvergunning te verbieden. Uit de tekst van artikel 40 volgt dat het gaat om ‘geneesmiddel(en)’ waarvoor een handelsvergunning geldt of moet gelden. Niet is komen vast te staan dat de ketamine die verdachte zou hebben verkocht, een bestemd geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet was. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het tenlastegelegde feit onder 3.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit 1 en feit 2 van het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2023
te Apeldoorn en/of te Vaassen, althans in Nederland (telkens)opzettelijkheeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-MMC,zijnde cocaïne en/of MDMA en/of 4-MMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst Idan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 oktober 2021 tot en met 31 oktober 2023te Apeldoorn en/of te Vaassen, althans in Nederland(telkens)opzettelijkheeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehadeen (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-MMC,zijnde 3-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er bij de strafoplegging rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zijn leven heeft gebeterd sinds het tenlastegelegde. Daarnaast is de frequentie van het dealen in drugs door verdachte over de tenlastegelegde periode een stuk lager dan gebruikelijk volgens de raadsman en moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte first offender is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in drugs. In het algemeen geldt voor verdovende middelen, zowel hard- als softdrugs, dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt toegebracht. Met het dealen in diverse soorten drugs heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van verslavingen en het criminele drugscircuit. Daarbij heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en bewust de keuze gemaakt om te dealen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten.
De straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende 6 tot 12 maanden met enige regelmaat is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 maanden.
Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anders dan de raadsman heeft bepleit is de rechtbank van mening dat verdachte in een periode van ruim 2 jaar stevig heeft gedeald. Dit blijkt onder meer uit de tientallen afnemers waarmee verdachte contact had, de poflijst die hij bijhield in zijn telefoon, het feit dat verdachte in een chat aangaf dat hij de hele nacht had gereden en dus drugs had rondgebracht en dat er afnemers waren die soms voor honderden euro’s tegelijk drugs bestelden bij verdachte. De rechtbank acht de feiten te ernstig om af te doen met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals verzocht.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Sinds het tenlastegelegde zijn er geen nieuwe verdenkingen rondom strafbare feiten ontstaan. Een stok achter de deur acht de rechtbank daarom niet nodig. De rechtbank houdt verder rekening met de jonge leeftijd van verdachte zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3 en 11 van de Opiumwet;
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.