ECLI:NL:RBGEL:2025:11853

ECLI:NL:RBGEL:2025:11853

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-11-2025
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 377289-24 en 405694-24 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Demonstratierecht. Geen sprake van openlijke geweldpleging door aanbrengen verf/graffiti en/of het beplakken van muren/gevels met posters door middel van lijn. Wel sprake van het beschadigen en onbruikbaar maken van de gevel, ramen en muren. Het optreden van de autoriteiten voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Geen strijd met artikel 10 en 11 EVRM. De rechtbank legt een voorwaardelijke geldboete op van 200 euro, met een proeftijd van één jaar. Geen chilling effect.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/377289-24; 05/405694-24 (ttz. gev.)

Datum uitspraak : 24 november 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [postcode] te [woonplaats].

Raadsman: mr. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 05/377289-24

zij op of omstreeks 25 november 2024 te Nijkerk openlijk, te weten aan de Henri Nouwenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten de ramen en/of muren en/of gevel van het pand van het Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, althans het pand van een ander, door

- verf en/of graffiti en/of een substantie op de ramen en/of muren en/of gevel van het pand te spuiten en/of te smeren en/of

- een vloeistof en/of een substantie over de ramen en/of muren en/of gevel van het pand te gooien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 25 november 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk, de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het Israël Centrum Nijkerk en/of

stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

ten aanzien van parketnummer 05/405694-24

zij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk openlijk, te weten, aan de Henri Nouwenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten de ramen en/of muren en/of gevel van het pand van het Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, althans het pand van een ander, door

- lijm en/of behangplaksel, althans een witte substantie, op de ramen en/of muren en/of gevel van het pand aan te brengen en/of

- teksten op de ramen en/of muren en/of gevel van het pand aan te brengen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk, de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Israël Centrum Nijkerk en/of

stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder parketnummers 05/377289-24 en 05/405694-24 primair ten laste gelegde feiten, te weten: het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen goederen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten zijn gepleegd in het kader van demonstraties, maar dat deze demonstraties niet als vreedzaam kunnen worden aangemerkt. Gezien de spullen die verdachte bij zich had, had zij de intentie om geweld uit te oefenen op de goederen, waardoor de gedragingen niet vallen onder de reikwijdte van artikel 10 en 11 EVRM.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is ten aanzien van parketnummer 05/377289-24 bepleit dat de dagvaarding deels nietig moet worden verklaard, omdat deze wat betreft het subsidiair tenlastegelegde feit niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van strafvordering (verder: Sv). Het ontbreekt ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde aan een verfeitelijking van het vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de parketnummers 05/377289-24 en 05/405694-24 moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het aanbrengen van verf, grafiti, vloeistof of een substantie en/of lijm op een gebouw valt niet te kwalificeren als geweld in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).

Indien vernieling bewezen wordt verklaard, heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat strafrechtelijke vervolging in onderhavig geval niet ‘necessary in a democratic society’ is, zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM. Verdachte heeft haar mening geuit, de locatie was van symbolische waarde en de gedragingen waren niet laakbaar. Daarbij zijn de redelijke kosten voor de schade vergoed. De arrestatie, detentie op het politiebureau en/of strafrechtelijke vervolging zijn op zichzelf of in onderling samenhang bezien niet proportioneel en er bestond daartoe geen ‘pressing social need’.

Beoordeling door de rechtbank

ten aanzien van parketnummer 05/377289-24

Partiële nietigheid

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer. Daartoe overweegt de rechtbank dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 350, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende termen "vernield", "beschadigd" en "onbruikbaar gemaakt" zijn kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als welke toekomt aan de dienovereenkomstige uitdrukkingen in die bepaling. De rechtbank is van oordeel dat aan de begrippen in de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis toekomt, nu deze begrippen in samenhang met het primair ten laste gelegde feit en het procesdossier moeten worden bezien. De rechtbank stelt vast dat verdachte op basis hiervan kan weten waarvoor zij terecht staat en waartegen zij zich moest verdedigen. Niet gesteld noch gebleken is dat dit verdachte niet duidelijk was. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewijs

Op 25 november 2024 is door de heer [aangever] (verder: aangever) aangifte gedaan namens het Israël Centrum Nijkerk. Aangever heeft verklaard dat hij op 25 november 2024 aan het werk was in het Israël Centrum en rond 09:05 uur werd gebeld dat er demonstranten in aantocht zouden zijn. Hierop heeft aangever de noodknop ingedrukt. Aangever zag vervolgens een groep van ongeveer vijftien personen voor het gebouw staan. Hij zag dat een aantal personen het gebouw aan het bekladden was met verf. Aangever zag dat met rode verf teksten op het pand werden gespoten, het ging hierbij onder andere om de volgende teksten:

- Genocide;

- Zionisten;

- Baby moordenaars;

- Boycot Israel.

Vervolgens heeft aangever 112 gebeld, waarna de politie ter plaatse is gekomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat zij verf heeft aangebracht op het Israël Centrum Nijkerk.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat de in de ten laste legging genoemde handelingen door verdachte niet worden ontkend. De vraag is echter hoe deze handelingen dienen te worden gekwalificeerd.

Een veroordeling ter zake van ‘in vereniging geweld plegen’ in de zin van artikel 141, eerste lid, Sr is aan de orde als sprake is van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij is enig resultaat vereist. Niet is vereist dat de dader zelf geweld heeft gepleegd.

Ten aanzien van de handelingen die door verdachte zijn gepleegd, staat niet ter discussie dat sprake was van openbaarheid en van een groep mensen die een voldoende significante bijdrage leverden aan de handelingen ter plaatse, zodat sprake is van openlijk en in vereniging gepleegde handelingen.

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of sprake is geweest van geweld, zoals bedoeld in artikel 141 Sr. De strafbaarstelling van openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om van geweld in de zin van dit artikel te kunnen spreken, moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde in gevaar wordt gebracht of verstoord. Daarvoor dient sprake te zijn van het aanwenden van een kracht van niet geringe intensiteit en tevens moet van de aldus geuite agressie een dreiging voor de openbare orde uitgaan.

Beoordeeld zal moeten worden of het aanbrengen van verf/graffiti/vloeistof op de ramen/muren/gevel van het Israël Centrum Nijkerk, aan te merken is als zodanig geweld. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Inherent aan demonstreren is dat dit in veel gevallen gepaard gaat met een zekere mate van verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat de handelingen – die door verdachte en haar mededemonstranten zijn gepleegd – niet van zodanige aard zijn dat sprake is van het daardoor bovenmatig verstoren van de openbare orde.

De rechtbank is wel van oordeel dat het bespuiten van de gevel, de ramen en de muren van het Israël Centrum Nijkerk met verf/graffiti/vloeistof, gekwalificeerd kan worden als het (tijdelijk) onbruikbaar maken van die goederen. Door het bespuiten van de ramen, de gevel en het pand zijn de goederen namelijk (al dan niet deels) tijdelijk voor hun bestemming ongeschikt gemaakt, nu onder meer het zicht door en de lichtdoorlatendheid van de ramen werd belemmerd. De rechtbank betrekt hierbij dat door de gemeente is geconstateerd dat de bekladding van dien aard was, dat zij dit niet zelf konden reinigen en hiervoor een gespecialiseerd extern bedrijf moest worden ingeschakeld.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beschadigen dan wel onbruikbaar maken van de gevel, de ramen en de muren van het Israël Centrum in Nijkerk.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard en gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af, dat verdachte samen met haar mededemonstranten naar het Israël Centrum Nijkerk is gegaan. Ze hadden een gezamenlijk plan en ze zijn elkaar behulpzaam geweest bij het bespuiten van het Israël Centrum. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

ten aanzien van parketnummer 05/405694-24

Bewijs

Op 20 december 2024 is door de heer [aangever] (verder: aangever) aangifte gedaan namens het Israël Centrum Nijkerk. Aangever heeft verklaard dat hij diezelfde dag in de middag op de beveiligingscamera bij de ingang van het pand negen personen aan zag komen lopen. Aangever zag dat een vrouw knielde en posters uit haar tas haalde. Een andere vrouw liep met een ladder, welke zij tegen het pand aanzette. Vervolgens klom zij op de ladder en kwam op het afdak bij de ingang. Een andere vrouw, op krukken, had een bak met lijm in haar hand. Zes andere personen waren ondertussen posters aan het opplakken op de voorgevel. Deze personen hebben met lijm posters aangebracht op het pand. De groep schreeuwde en zij riepen onder andere: 'genocideplegers en moordenaars'. Op het Instagram account van 'Christelijk Collectief' is een video geplaatst van dit incident.

In een aanvullend contact tussen aangever en de politie heeft aangever verklaard dat kosten zijn gemaakt om het pand te reinigen. Vijf personen zijn bezig geweest om het pand schoon te maken.

Op het moment dat verbalisanten ter plaatse kwamen zagen zij een groep van ongeveer tien personen. Verbalisant [verbalisant 1] zag één van de demonstranten op de luifel van de entree van het Israël Centrum staan. [verbalisant 1] zag onder andere dat tegen de gevel een stuk karton was geplakt met de tekst: “STOP GENOCIDE”. [verbalisant 1] zag tevens dat een dame in een rolstoel bezig was met het aanbrengen van pamfletten op de ramen van het Israël Centrum met lijm. [verbalisant 1] zag dat met een witte substantie de ramen werden besmeurd. Dit bleek te worden gedaan door verdachte.

Verbalisant [verbalisant 2] zag dat medeverdachte [medeverdachte] een tekst op de gevel van het Israël Centrum aan het schrijven was. [verbalisant 2] verzocht haar door middel van luide tekst te stoppen met het vernielen van de gevel, maar daar gaf zij geen gehoor aan.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat zij met lijm posters heeft geplakt op het Israël Centrum in Nijkerk.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat de in de ten laste legging genoemde handelingen door verdachte niet worden ontkend. De vraag is echter hoe deze handelingen dienen te worden gekwalificeerd.

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of het smeren van lijm en het aanbrengen van teksten op de ramen en de gevel van het Israël Centrum en het vervolgens beplakken van de ramen en de gevel, kan worden aangemerkt als geweld, zoals bedoeld in artikel 141 Sr. Met verwijzing naar het eerder genoemde juridische kader, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Inherent aan demonstreren is dat dit in veel gevallen gepaard gaat met een zekere mate van verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat, in het onderhavige geval, gelet op de manier waarop en de omstandigheden waaronder teksten op de gevel van het Israël Centrum te Nijkerk zijn aangebracht en de ramen dan wel gevel zijn onder gesmeerd met lijm en vervolgens zijn beplakt, geen handelingen zijn gepleegd die van zodanige aard zijn dat daarmee sprake is van het daardoor bovenmatig verstoren van de openbare orde.

De rechtbank is wel van oordeel dat de door verdachte gepleegde handelingen, gekwalificeerd kunnen worden als het beschadigen en onbruikbaar maken van de ramen en de gevel. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een reinigingsteam moest komen om de gevel schoon te maken, hetgeen gepaard is gegaan met hoge kosten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beschadigen, dan wel het (tijdelijk) onbruikbaar maken van de gevel, de ramen en de muren van het Israël Centrum in Nijkerk.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af, dat verdachte samen met haar mededemonstranten naar het Israël Centrum Nijkerk is gegaan. Ze hadden een gezamenlijk plan en ze zijn elkaar behulpzaam geweest bij het aanbrengen van teksten op en het beplakken van de gevel en de ramen van het Israël Centrum Nijkerk. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/377289-24 en 05/405694-24 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van parketnummer 05/377289-24, subsidiair:

zij op of omstreeks 25 november 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;

ten aanzien van parketnummer 05/405694-24 subsidiair:

zij op of omstreeks 20 december 2024 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk, de ramen en/of muren en/of gevel van een pand, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Israël Centrum Nijkerk en/of stichting Steun Huisvesting Israël Centrum, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 05/377289-24, subsidiair:

medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 05/405694-24 subsidiair:

medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

5. De strafbaarheid van de feiten

Recht op vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht en de beperking van die rechten

De rechtbank stelt vast dat de onder parketnummers 05/377284-24 en 05/405689-24 bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden in het kader van een demonstratie. In de artikelen 10 en 11 EVRM zijn respectievelijk het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging gewaarborgd, oftewel het demonstratierecht.

Om onder de bescherming te vallen van artikel 11 EVRM geldt als voorwaarde het vreedzaamheidsvereiste, zoals genoemd in het eerste lid van dat artikel. Een demonstratie kan, ook als daarbij de wet overtreden wordt, voldoen aan het gestelde vreedzaamheidsvereiste. Van vreedzaamheid kan worden gesproken indien geweld tegen personen of geweld tegen goederen uitblijft. Om zoveel mogelijk ruimte te laten voor het demonstratierecht dient de definitie van geweld restrictief te worden geïnterpreteerd. Uit de Richtlijnen voor vrijheid van vreedzame vergadering uit 2010 (tweede editie) en 2020 (derde editie), van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) en de Europese Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië), volgt dat onder geweld wordt verstaan het gebruik van, of openlijk aanzetten tot, fysiek geweld dat verwondingen of serieuze dan wel ernstige schade aan eigendommen tot gevolg heeft (of tot doel heeft), waarbij die verwondingen of gevolgen redelijkerwijs verwacht mogen worden.

De rechtbank stelt vast dat de demonstranten, onder wie verdachte, een groot aantal raamdelen en de gevel van het Israël Centrum Nijkerk hebben bespoten en besmeurd met verf en lijm. Hierdoor zijn die goederen, andermans eigendommen, tijdelijk onbruikbaar gemaakt en beschadigd. Nu de goederen relatief eenvoudig konden worden hersteld en de schade beperkt is gebleven, kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet worden gesproken van serieuze of ernstige schade aan eigendommen en daarmee evenmin van geweld tegen goederen in hiervoor bedoelde zin. De rechtbank stelt dan ook vast dat de onderhavige demonstratie vreedzaam is verlopen, zodat het handelen van verdachte valt onder de bescherming van artikel 11 EVRM.

Ook in het geval van een vreedzaam verloop van een demonstratie zijn de vrijheden zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM echter niet absoluut. Dit wil zeggen dat die vrijheden onder bepaalde omstandigheden kunnen worden beperkt. Op grond van het tweede lid van beide artikelen is een beperking van deze rechten mogelijk wanneer deze beperking:

a. a) is voorzien bij wet,

b) in het belang is van een van de in die artikelleden genoemde doeleinden;

c) noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank concludeert dat in dit geval de inperking van het demonstratierecht bij wet is voorzien. Immers vindt de beperking grondslag in de strafbaarstelling van artikel 350 Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de beperking van het demonstratierecht onder meer in het belang was van de bescherming van het eigendomsrecht van het Israël Centrum Nijkerk, maar ook ter voorkoming van (verdere) strafbare feiten.

De vraag die echter centraal staat, is of de beperking van het demonstratierecht noodzakelijk was in een democratische samenleving. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Inbreuk noodzakelijk in een democratische samenleving

Of in een concreet geval sprake is van een noodzakelijke inbreuk op het demonstratierecht,

is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij in acht moet worden genomen of is gehandeld in reactie op een dringende maatschappelijke behoefte, ofwel een ‘pressing social need’, of de inbreuk op het demonstratierecht in verhouding staat tot het daarmee beoogde doel en of de voor inmenging genoemde redenen ‘relevant and sufficient’ zijn. Bij de proportionaliteitstoets zijn mede van belang de wijze van optreden door de politie, de beslissing om tot vervolging over te gaan en de aard en zwaarte van eventueel opgelegde straffen. Van belang is bovendien dat justitieel ingrijpen in een demonstratie niet van dien aard is dat hier een zogenoemd ‘chilling effect’ vanuit gaat. Van belang is om hierbij op te merken dat de nationale autoriteiten een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) toekomt bij het afwegen van de verschillende concrete belangen die in het geding zijn.

De rechtbank overweegt in onderhavig geval het volgende. In een democratische rechtsstaat zoals Nederland is het demonstratierecht een groot goed. Daarentegen moet het eigendomsrecht, in dit geval van het Israël Centrum Nijkerk ook worden beschermd. Hoewel in onderhavig geval geen sprake is geweest van een gewelddadige betoging, heeft verdachte zich in het kader van de demonstratie schuldig gemaakt aan laakbaar gedrag (‘een reprehensible act’). Door het Israël Centrum te bespuiten met verf en te besmeuren met lijm, hebben verdachte en haar medeverdachten immers inbreuk gemaakt op andermans eigendomsrechten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte haar betogingsrecht ook op een andere, niet laakbare wijze, had kunnen effectueren.

Mede gelet op de beoordelingsvrijheid die de politie toekomt, stond het de politie in de gegeven omstandigheden vrij het eigendomsrecht van het Israël Centrum, dat door voornoemde handelingen werd geschonden, en het maatschappelijk belang bij het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, zwaarder te laten wegen dan het recht van verdachte om – op deze wijze – verder te demonstreren, zodat de politie mocht optreden. Naar het oordeel van de rechtbank was het strafrechtelijk optreden van de politie tegen, en de vervolging van verdachte niet geboden vanwege het deelnemen aan het protest tegen van het Israël Centrum Nijkerk, maar wegens het tijdens de protestactie plegen van een strafbaar feit. Hierin ligt besloten dat verdachte zich schuldig maakte aan laakbaar gedrag. De politie heeft verdachte en haar mededemonstranten aangeroepen om hun acties te staken, maar dit bleek niet afdoende. Er waren vervolgens voor de politie geen beletselen om de bevoegdheden (zoals het overgaan tot aanhouding) in te zetten, zoals zij normaliter ook zouden hebben gedaan in het geval dat een dergelijk feit zou zijn begaan buiten een demonstratie om. De rechtbank overweegt dat – gelet op het voorgaande – het politieoptreden niet disproportioneel is geweest.

Voorts merkt de rechtbank op dat de officier van justitie op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing nog niet op de hoogte was dat een deel van de schade reeds door verdachte was vergoed. Daarnaast heeft de beslissing om de zaak te verwijzen van de politierechter naar de meervoudige kamer, mede in het belang van verdachte plaatsgevonden, met het oog op een zorgvuldige belangenafweging en zodat de zaken van verdachte en de medeverdachten de tijd en aandacht zou krijgen die deze verdienen. De rechtbank weegt daarin echter wel mee dat dit erin resulteert dat verdachte door een ‘zwaarder’ forum wordt berecht.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het optreden van de autoriteiten in de onderhavige zaak – en in het geheel bezien – voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en dat de beperking van de rechten van verdachte noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beperking van de rechten van verdachte geen strijd oplevert met de artikelen 10 en 11 EVRM.

Conclusie

Nu ook anderszins geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, acht de rechtbank dit strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 400,-- euro, te vervangen door 8 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat moet worden overgegaan tot een schuldig verklaring zonder oplegging van een straf en/of maatregel.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft met haar handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het Israël Centrum in Nijkerk door tijdens twee demonstraties het pand te bespuiten en te beplakken met lijm en posters. Daarmee heeft zij strafbare feiten gepleegd. Het Israël Centrum in Nijkerk heeft ten gevolge hiervan niet alleen hinder, maar ook schade geleden. Het is positief te noemen dat vrijwel alle schade door verdachte en/of de medeverdachten is vergoed. De rechtbank constateert dat de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd tegen de achtergrond van haar bezorgdheid over de situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte door aldus te handelen welbewust de keuze heeft gemaakt om de doelen die zij nastreeft te laten prevaleren boven het eigendomsrecht van het Israël Centrum Nijkerk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld en geldboetes opgelegd heeft gekregen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank, gelet op de aard, ernst en impact van de feiten, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat de strafzaak aanvankelijk was gepland bij de politierechter, waar de zaken ook al inhoudelijk waren behandeld, maar uiteindelijk in het kader van zorgvuldigheid zijn verwezen naar de meervoudige kamer. Dit heeft echter wel tot gevolg gehad dat deze strafzaak langer boven het hoofd van verdachte heeft gehangen. Daarnaast heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van de omstandigheid dat van de op te leggen straf geen ‘chilling effect’ mag uitgaan.

Tot slot merkt de rechtbank op dat het recht om te demonstreren een belangrijk grondrecht is. De vrijheid van verdachte om aandacht te vragen voor maatschappelijke onderwerpen waar zij voor wil opkomen is een groot goed. De rechtbank wil met de op te leggen straf dan ook niets afdoen aan de inhoudelijke boodschap van verdachte en waar zij voor staat. Tegelijkertijd is er ook een grens waar het gaat om het uiten van deze boodschap ten koste van – in dit geval – het eigendomsrecht van een ander.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 200,- met een proeftijd van één jaar passend en geboden is. De rechtbank wijkt hiermee af van de strafeis van de officier van justitie, die geënt was op een andere – zwaardere – kwalificatie dan de kwalificatie waar de rechtbank vanuit gaat.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

Ten aanzien van parketnummer 05/377289-24

De benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.426,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde schoonmaakkosten en het vervangen van de naamplaat heeft de verdediging bepleit dat deze kosten reeds door de verdachte en/of de medeverdachten zijn vergoed. Ten aanzien van de beveiligingskosten heeft de verdediging bepleit dat het hier geen rechtstreekse schade betreft. Uit de factuur blijkt dat deze kosten structureel worden gemaakt. Het is daarom niet aannemelijk dat de gevorderde kosten samenhangen met het specifiek tenlastegelegde feit. Bovendien gaat het om toekomstige kosten, die het gevolg zijn van een eerdere gebeurtenis. Kosten in verband met toekomstige gebeurtenissen kunnen niet worden aangemerkt als materiële schade.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank zal de gevorderde schadeposten die zien op het verwijderen van de graffiti van het Israël Centrum van € 970,50 en de kosten voor het vernielde muurbord van € 108,90 afwijzen, nu is gebleken dat deze kosten al zijn vergoed.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelde van de vordering, de kosten voor de inzet van privébeveiliging, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Alhoewel het voorstelbaar is dat het Israël Centrum Nijkerk extra veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, is – in zaken zoals onderhavige – de politie bij uitstek de aangewezen autoriteit om op te treden. Het is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk of en in hoeverre de thans opgevoerde beveiligingskosten zijn aan te merken als rechtstreekse schade ten gevolge van het onderhavige strafbare feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Ten aanzien van parketnummer 05/405694-24:

De benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 741.49 aan materiële schade en € 350,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij enkel ten aanzien van gemaakte beveiligingskosten kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert ten aanzien van deze kosten oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Overweging van de rechtbank

Materieel

De rechtbank zal de gevorderde schadeposten die zien op de gemaakte kosten voor de aanschaf van de hogedrukreiniger van € 271,49 en de kosten voor het reinigen van het pand van € 150,-- afwijzen, nu is gebleken dat deze kosten al zijn vergoed.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelde van de materiële vordering, de kosten voor de inzet van beveiliging, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Alhoewel het voorstelbaar is dat het Israël Centrum Nijkerk extra veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, is – in zaken zoals onderhavige – de politie bij uitstek de aangewezen autoriteit om op te treden. Het is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk of en in hoeverre de thans opgevoerde beveiligingskosten zijn aan te merken als rechtstreekse schade ten gevolge van het onderhavige strafbare feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immaterieel

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt duidelijk dat er schade is aangericht aan het pand van het Israël Centrum in Nijkerk, echter is het – zonder nadere onderbouwing – niet direct voorstelbaar dat dit heeft geleid tot emotionele schade voor de werknemers, die voor vergoeding in aanmerking komt.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05/377289-24 en 05/405694-24 primair ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een geldboete van € 200,-- (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis;

 bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk (parketnummer 05/377278-24)

 wijst de vordering tot materiële schade voor het verwijderen van de graffiti van het Israël Centrum van € 970,50 euro en de kosten voor het vernielde muurbord van € 108,90 af;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij Israël Centrum Nijkerk (parketnummer 05/405689-24)

 wijst de vordering tot materiële schade voor de aanschaf van de hogedrukreiniger van € 271,49 en de kosten voor het reinigen van het pand van 150,-- af;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/immateriële schadevergoeding.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems en I.D. Jones, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M.L. Tomassen
  • mr. H.M. Stratenus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?