ECLI:NL:RBGEL:2025:11855

ECLI:NL:RBGEL:2025:11855

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 06-10-2025
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 05/376595-24; 05/0950024-25 (gev. ttz)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

Veroordeling voor zware mishandeling door middel van het snijden met een mes en een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 13 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05-376595-24; 05-0950024-25 (gev. ttz)

Datum uitspraak : 20 oktober 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] (Duitsland),

ingeschreven aan [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

raadsman: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

Parketnummer 05-376595-24

1.

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) op het been, welke naar verwachting een blijvend ontsierend litteken zal opleveren, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal te steken en/of te snijden met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been van die [slachtoffer] ;

althans, indien het vorenstaande onder 1 primair niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door meermaals, althans eenmaal, met een (stanley)mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, heeft gestoken en/of gesneden in het been van die [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 subsidiair niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

meermaals, althans eenmaal te steken en/of snijden met een (stanley)mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp in het been van die [slachtoffer] .

2.

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) in het schouderblad en/of de rug, welke naar verwachting een blijvend ontsierend litteken zal opleveren, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal te steken en/of te snijden met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been van die [slachtoffer] ;

althans, indien het vorenstaande onder 2 primair niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door meermaals, althans eenmaal, met een (stanley) mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, heeft gestoken en/of gesneden in het schouderblad en/of de rug van die [slachtoffer]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

althans, indien het vorenstaande onder 2 subsidiair niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

meermaals, althans eenmaal te steken en/of snijden met een (stanley)mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp in het schouderblad en/of de rug van die [slachtoffer] .

Parketnummer 05-0950024-25

hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Apeldoorn een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 05-376595-24

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2 subsidiair.

Parketnummer 05-0950024-25

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 05-376595-24

De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte aangever met opzet heeft verwond. Er was daarnaast ook geen aanzienlijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel door het handelen van verdachte. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit onder 1 en 2.

Parketnummer 05-0950024-25

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het feit onder dit parketnummer.

Beoordeling door de rechtbank

Parketnummer 05-376595-24

Ten aanzien van feit 1 en 2

[slachtoffer] werd op 25 november 2024 benaderd door een man bij de kerk in Apeldoorn die zei dat hij de fiets die hij bij zich had, moest teruggeven. [slachtoffer] zei daarop dat de fiets niet gestolen was, waarna de man een stanleymes uitklapte. De man begon op [slachtoffer] in te steken en raakte [slachtoffer] door de twee jassen die hij aan had. [slachtoffer] hoorde dat de man hem van achteren stak. [slachtoffer] viel op de grond en verdedigde zich met zijn benen, waar de man [slachtoffer] vervolgens ook raakte met het mes. [slachtoffer] kende de man als [verdachte] .

Verdachte verklaarde dat hij [slachtoffer] tegen kwam bij de kerk en dat er ruzie ontstond. Verdachte pakte daarop een stanleymes en sneed op de jas van [slachtoffer] . Verdachte maakte daarbij een snijdende beweging van boven naar beneden op de zijkant van de rug van [slachtoffer] . Verdachte viel daarna op de grond en raakte ook het been van [slachtoffer] met het mes.

Op 25 januari 2024 is door een forensisch arts het volgende letsel bij [slachtoffer] vastgesteld:

- een snijverwonding aan de voorzijde van het linkeronderbeen van 6 cm lang en 2 à 3 cm diep, die met 5 hechtingen is gesloten;

- een snijverwonding aan de linkerzijde van de rug van 16 cm lang en 1 à 2 cm diep, die met 23 hechtingen is gesloten;

- een snij/steekverwonding op de rug in de middellijn van de wervels van 1 cm lang.

De geschatte duur van genezing van letsel 1 en 2 betrof 6 weken.

[slachtoffer] is op de verpleegafdeling opgenomen ter observatie en ter controle van de kracht en aansturing van het linker been. Hij is van 25-11-2024 tot aan ontslag op 27-11-2024 opgenomen geweest in het Gelre ziekenhuis in Apeldoorn.

Op 26 september 2025 is door de maatschappelijk werker van [slachtoffer] een e-mail verstuurd, waarin staat dat [slachtoffer] nog steeds een wond heeft die flink zichtbaar is en dat zij daar foto’s van heeft gestuurd. [slachtoffer] heeft in de week van 26 september 2025 nog antibiotica gekregen, omdat de wondranden geïrriteerd en licht ontstoken waren. Op de foto waarbij staat “dit is hoe de wond er nu uitziet”, is een wond op het been te zien.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte aangever op verschillende plekken, te weten de zijkant en midden van de rug en het onderbeen, heeft gesneden met een stanleymes waardoor het genoemde letsel is ontstaan. De volgende vraag is hoe dit letsel moet worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat het [slachtoffer] toegebrachte letsel aan zijn onderbeen gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zwaar lichamelijk letsel betreft. Uit het forensisch geneeskundig rapport blijkt dat de spierbuik van de voorste scheenbeenspier bijna volledig was doorsneden met een diepte van 2 tot 3 centimeter. Er waren vijf hechtingen nodig en [slachtoffer] is meerdere dagen in het ziekenhuis opgenomen vanwege het letsel aan zijn been. De genezingsduur werd aanvankelijk geschat op 6 weken, maar uit de toelichting bij het verzoek om schadevergoeding en de verklaring van de maatschappelijk werker van [slachtoffer] blijkt dat de wond nog steeds niet is genezen. De foto van september 2025 laat een wond zien met geïrriteerde en licht ontstoken randen, waarvoor in de week van 26 september 2025 nog antibiotica is voorgeschreven. Er is dus sprake van een langdurig herstelproces waarbij nog geen zicht is op volledig herstel. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [slachtoffer] niet alleen een ontsierend litteken zal overhouden, maar ook nu nog, ruim 10 maanden na het incident, medicatie nodig heeft voor de wond aan zijn been. Gelet op de ernst van het letsel, de langdurige en moeizame genezing, én de blijvende gevolgen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 82 Sr. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het [slachtoffer] toegebrachte letsel aan de linkerzijde van zijn rug niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De wond betreft een snijwond en is niet door de borstkaswand heen gegaan. Alleen de huid, het onderhuidse weefsel en de spierfascie waren doorsneden met ongeveer 1 à 2 cm diepte. Daarnaast bestond de noodzakelijke medische behandeling alleen uit het hechten van de wond en was sprake van een beperkte genezingsduur van zes weken. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij komt bovendien naar voren dat [slachtoffer] geen last meer ondervindt van dit letsel. Hoewel er vermoedelijk sprake zal zijn van een permanent zichtbaar litteken, geneest de wond goed en bevindt het litteken zich niet op een zodanige plek op het lichaam dat deze zichtbaar is in het dagelijks leven en om die reden sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit onder 2.

De rechtbank acht de kans dat [slachtoffer] door de gedraging, het snijden met een mes in de rug, zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels wel aannemelijk. Gelet op het feit dat de wond 16 cm lang was en er 23 hechtingen nodig waren, is sprake geweest van een aanzienlijke snijdende beweging met een mes in de richting van de rug. Door zo te handelen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, te weten (diepe) snijwonden, waarbij zenuwen, pezen of aderen worden geraakt waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is en een lange genezingsduur te verwachten is. De rechtbank overweegt daarbij dat [slachtoffer] twee jassen droeg, waaronder een motorjas, en dat verdachte desondanks fors snijletsel heeft veroorzaakt, waar 23 hechtingen voor nodig waren. Als [slachtoffer] die jassen niet had gedragen, was de snijwond dieper en ernstiger geweest. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gedraging van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Door zo te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Op de foto die de politie heeft gemaakt van de door [slachtoffer] gedragen onderhemd is ter plaatse van de wond midden op de rug van [slachtoffer] een bloedvlek te zien. De rechtbank leidt daaruit af dat die wond kennelijk tijdens het zelfde incident is toegebracht als de andere verwondingen. [slachtoffer] noch verdachte hebben verklaard over het ontstaan van deze wond. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die wond heeft toegebracht en zal verdachte van het toebrengen daarvan vrijspreken.

Parketnummer 05-0950024-25

[aangever] verklaarde dat zij op 27 februari 2025 rond 17.00 uur haar fiets, fatbike type V20, parkeerde voor het Flash casino in Apeldoorn. Zij had de fiets afgesloten door middel van een kettingslot door het achterwiel. Rond 01.30 uur die nacht liep ze naar de fietsenstalling en zag ze dat haar fiets was weggenomen.

Op camerabeelden was te zien dat om 00:53 uur op 28 november 2025 een man in beeld komt lopen met een witte huidskleur, normaal postuur, licht halflang haar en donkere kleding. Om 00:54 uur verplaatste de man de fiets en rommelde hij eraan. 2 minuten later liep de man met de fiets uit beeld.

Verbalisant [verbalisant] herkende de persoon op de camerabeelden als verdachte die zij kent vanuit haar werkzaamheden als hoofdagent. [verbalisant] verklaarde dat verdachte regelmatig in aanraking komt met de politie. Zij herkende verdachte aan zijn gehele uiterlijk, waaronder zijn gezicht, haardracht en houding. Ook verbalisant [verbalisant] herkende de persoon op de camerabeelden ambtshalve als verdachte. [verbalisant] verklaarde dat hij verdachte vaker heeft aangehouden voor diverse vermogensdelicten. [verbalisant] herkende verdachte aan zijn postuur, lengte, haardracht, gezichtsvorm, loopje en houding.

De rechtbank concludeert op basis van de herkenningen van de verbalisanten dat verdachte de persoon is geweest die zichtbaar is op de beelden en die fiets van [aangever] heeft weggenomen. De rechtbank acht daardoor bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de fiets.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit 1 primair en feit 2 subsidiair van het tenlastegelegde onder parketnummer 05-376595-24 en het feit onder parketnummer 05-0950024-25 heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05-376595-24

1.

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, aan 1. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) op het been, welke naar verwachting een blijvend ontsierend litteken zal opleveren, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal te steken en/of te snijden met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been van die [slachtoffer] ;

2.

hij op of omstreeks 25 november 2024 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door meermaals, althans eenmaal, met een (stanley) mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, heeft gestoken en/of gesneden in het schouderblad en/of de rug van die [slachtoffer]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 05-0950024-25

hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Apeldoorn een fiets, in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 05-376595-24

feit 1 primair:

zware mishandeling

feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Parketnummer 05-0950024-25

feit 1:

diefstal

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Parketnummer 05-376595-24

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. Daartoe is aangevoerd dat het handelen van verdachte geen aanvallende actie is geweest en dat hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .

Gelet op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld over de feitelijke toedracht, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een noodweersituatie of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan. Niet is aannemelijk geworden dat verdachte zou zijn aangevallen. In dat kader overweegt de rechtbank dat enkel verdachte heeft verklaard dat hij werd aangevallen, terwijl [slachtoffer] juist heeft verklaard dat hij door verdachte is aangevallen. Daar komt bij dat verdachte zelf ook heeft verklaard dat het hem te veel werd, dat hij kwaad werd en dat het lampje uit ging. Dat duidt niet op een aanval vanuit [slachtoffer] , maar op een aanval vanuit verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zelf bewust de confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht en daarmee de aanvang van het conflict heeft geïnitieerd. Ook is op geen enkele manier aannemelijk geworden dat verdachte het gerechtvaardigd vermoeden had dat hij werd aangevallen door [slachtoffer] .

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer en oordeelt dat verdachte een strafbare dader is. Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat indien er een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd, deze in duur beperkt dient te blijven, nu verdachte al lang genoeg heeft vastgezeten. Een lange gevangenisstraf kan volgens de raadsman niet worden gerechtvaardigd in het licht van de ernst van de feiten.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] meerdere malen te snijden met een stanleymes. [slachtoffer] liep hierdoor letsel aan zijn rug en been op. De geweldpleging vond plaats op de openbare weg. Verdachte heeft zeer explosief gereageerd toen hij ruzie kreeg met [slachtoffer] over de fiets. Dit had ook heel anders kunnen aflopen. Door zo te handelen heeft verdachte een forse grens overschreden. Niet alleen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar ook brengt dit soort handelen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg. Daarnaast heeft verdachte ook een fatbike gestolen. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van een ander. De rechtbank neemt verdacht de genoemde feiten kwalijk.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen 5 jaar vaker is veroordeeld voor zowel gewelds- als vermogensfeiten.

Uit het NIFP-trajectconsult van 29 januari 2025 komt naar voren dat er aanwijzingen zijn voor verslaving, persoonlijkheidsproblematiek op het antisociale en narcistische vlak, zwakke cognitieve en adaptieve vaardigheden en zeer gebrekkige coping bij verdachte. De problematiek is structureel van aard en er worden geen behandelmogelijkheden gezien.

Uit het rapport van de reclassering van 20 juni 2025 blijkt dat verdachte sinds 1984 veelvuldig in beeld komt bij justitie. Verdachte leidt al langer een dakloos bestaan en verblijft daarom bij Omnizorg in Apeldoorn. Tevens is er ook al jaren sprake van forse middelenproblematiek. Dit in combinatie met zijn psychosociaal functioneren en houding, heeft ertoe geleid dat diverse trajecten in het vrijwillige en gedwongen kader niet van de grond zijn gekomen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Daarnaast is het schorsingstoezicht negatief verlopen waardoor de reclassering adviseert de zaak af te doen zonder voorwaarden. Er wordt geen mogelijkheid gezien om gedragsverandering tot stand te brengen. Wel kan verdachte in een vrijwillig kader aangemeld worden voor Housing First vanuit Tactus Reclassering om huisvesting te realiseren.

De straf

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat het bij feit 1 en feit 2 gaat om twee snijdende bewegingen die kort na elkaar hebben plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van eendaadse samenloop, nu verdachte eerst [slachtoffer] in de rug heeft gesneden en pas daarna, toen [slachtoffer] op de grond lag, in het been, wordt wel in het voordeel van verdachte meegewogen dat de feiten elkaar in korte tijd opvolgden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een steekwapen is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 7 maanden. Voor de diefstal van een elektrische fiets is het uitgangspunt bij veelvuldige recidive een gevangenisstraf van 2 maanden.

Gelet op de ernst van de feiten, het feit dat er sprake is van recidive en het ontbreken van behandelmogelijkheden, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Tijdens het schorsingstoezicht heeft verdachte (wederom) laten zien dat hij zich niet wil houden aan de afspraken met de reclassering of een vorm van behandeling. Met name de zware mishandeling en poging zware mishandeling zijn te ernstig om af te doen met een gevangenisstraf van beperkte duur zoals door de verdediging is verzocht. Na het uitzitten van de straf kan verdachte mogelijk in aanmerking komen voor huisvesting en begeleiding via Housing First, hetgeen de rechtbank momenteel als de beste optie beschouwt.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 13 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. De gevangenisstraf van 30 maanden, zoals door de officier van justitie is bepleit, is niet passend gelet op de genoemde oriëntatiepunten en vergelijkbare uitspraken.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

Parketnummer 05-376595-24

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 en feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 264,00,- aan materiële schade en € 25.000,00,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het totaalbedrag van de materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten:

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de gevorderde materiële schade het bedrag van de kleding moet worden gematigd naar € 100,00,-, omdat er geen aankoopbonnen zijn overgelegd. De ziekenhuisdaggeldkosten kunnen worden toegewezen. De officier van justitie heeft verzocht om de immateriële schade te matigen naar een bedrag van € 12.000,00,-, omdat dit een passender bedrag is gelet op de Rotterdamse Schaal.

De officier van justitie vraagt deze bedragen toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente, de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijke te verklaren in de vordering en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de schadevordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat deze niet dient te worden behandeld. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de kleding geen waarde van € 250,00,- vertegenwoordigt. De immateriële schadevordering moet volgens de verdediging worden gematigd.

Overweging van de rechtbank

Gezien de overzichtelijke omvang, inhoud en onderbouwing van de schadevordering is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering zal dan ook worden behandeld.

Ten aanzien van de materiële schade zijn de ziekenhuisdaggeldkosten (€ 114,00,-) niet betwist. Het voornoemde gevorderde bedrag komt redelijk voor en zal worden toegewezen. Ten aanzien van de kosten voor de kleding (€ 250,00,-) overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] heeft gesteld dat de kleding die hij droeg op de dag van het incident beschadigd is geraakt als gevolg van het snijden met het mes. In het aanvullende proces-verbaal van 17 mei 2025 zijn foto’s opgenomen van de kleding die verdachte droeg op de dag van het incident. De rechtbank stelt op basis van de foto’s vast dat het gaat om 5 kledingstukken. Nu verdachte aansprakelijk is voor het snijden is hij mede aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade aan de kleding. De rechtbank acht een bedrag van € 50,00,- per kledingstuk redelijk. De gevorderde bedragen voor de materiële schade zullen dan ook geheel worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft daarnaast € 25.000,00,- aan immateriële schade gevorderd. Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht in de vorm van lichamelijk letsel. Daarmee is het causale verband gegeven. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien deze ten gevolge van de gepleegde feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen waar hij last van heeft (gehad) en hinder van heeft (ondervonden).

Net als de benadeelde partij heeft de rechtbank voor het bepalen van de hoogte van de gevorderde immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. Voor het letsel aan de rug geeft de Rotterdamse Schaal een bedrag aan van € 2.675,00,- tot € 3.000,00,-, voor gering letsel zonder operatie en een herstelperiode van circa 6 maanden tot 1 jaar (categorie III). Voor het letsel aan het been geeft de Rotterdamse schaal een bedrag aan van € 2.675,00,- tot € 4.000,00,- voor letsel dat o.a. bestaat uit snijwonden waarvan de benadeelde (nagenoeg) volledig is hersteld en eventuele cosmetische beperkingen gering zijn (categorie III).

Gezien het feit dat het letsel bestaat uit snijwonden waarbij naar verwachting een zichtbaar litteken zal blijven, acht de rechtbank toewijzing van het hoogste bedrag binnen de categorieën gerechtvaardigd. De rechtbank acht een vergoeding van € 7.000,00,- in totaal passend en zal dit bedrag toewijzen met toekenning van de wettelijke rente. In het overige gedeelte van de vordering tot immateriële schade wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De in het strafproces gemaakte proceskosten wordt ten aanzien van bovengenoemde benadeelde tot op heden begroot op nihil.

Verdachte is vanaf 25 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Parketnummer 05-0950024-25

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 950,00,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de vordering niet is onderbouwd.

Overweging van de rechtbank

Voor de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, te weten het wegnemen van de fiets, rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Door de benadeelde partij is een bedrag van € 950,00,- gevorderd, maar de vordering is niet onderbouwd door bijvoorbeeld overlegging van een aankoopbon. Voor de rechtbank staat echter wel vast dat [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De fatbike van [aangever] is immers weggenomen. De fatbike van [aangever] betrof een type V20 die middels Google te raadplegen websites nieuw te koop is vanaf € 900,00,-. De rechtbank heeft verder geen informatie over hoe oud de fiets was en of er sprake was van beschadigingen aan de fiets, waardoor zij de waarde van de fiets, en daarmee de geleden schade, zal schatten op € 450,00,-. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen met toekenning van de wettelijke rente. De benadeelde partij wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De in het strafproces gemaakte proceskostn worden ten aanzien van bovengenoemde benadeelden tot op heden begroot op nihil.

Verdachte is vanaf 28 februari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De beoordeling van het beslag

Parketnummer 05-376595-24

Verdachte is op 26 november 2024 aangehouden door de politie. Verdachte droeg op dat moment een t-shirt en een blauwe spijkerbroek, welke in beslag zijn genomen voor onderzoek. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen (goednummers PL0600-2024554986-3340417 en PL0600-2024554986-3340420) aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De benadeelde partij onder parketnummer 05-376595-24

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 364,00,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 7.000,00,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 71 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De benadeelde partij onder parketnummer 05-0950024-25

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 450,00,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 9 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

 veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.G.E. ter Hart
  • mr. A.T.G. van Wandelen

Griffier

  • mr. N.D. van Egdom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?