RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.044658.25
Datum uitspraak : 4 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. M.Ü. Öszsuren, advocaat in Harderwijk
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
3. De bewezenverklaring
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op 6 april 2024 te Putten in de gemeente Putten, als verkeersdeelnemer, namelijkals bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting vanErmelo, gaande in de richting van de rotonde Papiermakerstraat, daarmederijdende over de weg de Oude Rijksweg (N798),roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,terwijl een ander (fietsster en/of persoon met de fiets aan de hand) bij deoversteekplaats Schoonderbeeklaan de N798 wilde oversteken, en/of hij (verdachte)de fietser en/of persoon met de fiets aan de hand al had waargenomen en/ofheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor datvoertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval meteen (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer (tenminste) 100 kilometerper uur en/ofniet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto)zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstandte brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Oude Rijksweg(N798)) kon overzien en waarover deze vrij was en/ofis gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurster van de fietsen/of persoon, ten gevolge waarvan die bestuurster van de fiets en/of persoon tenval is gekomen,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 6 april 2024 te Putten in de gemeente Putten, als verkeersdeelnemer, namelijkals bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting vanErmelo, gaande in de richting van de rotonde Papiermakerstraat, daarmederijdende over de weg de Oude Rijksweg (N798),terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,terwijl een ander (fietsster en/of persoon met de fiets aan de hand) bij deoversteekplaats Schoonderbeeklaan de N798 wilde oversteken, en/of hij (verdachte)de fietser en/of persoon met de fiets aan de hand al had waargenomen en/ofheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor datvoertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval meteen (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer (tenminste) 100 kilometerper uur en/ofniet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto)zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstandte brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Oude Rijksweg(N798)) kon overzien en waarover deze vrij was en/ofis gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurster van de fietsen/of persoon, ten gevolge waarvan die bestuurster van de fiets en/of persoon tenval is gekomen,en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Putten als bestuurder van een voertuig(personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, deOude Rijksweg (N798), zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat wasom zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg konoverzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans inaanrijding is gekomen met de bestuurster van de fiets en/of persoon, ten gevolgewaarvan die bestuurster van de fiets en/of persoon ten val is gekomen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. De officier gaat daarbij uit van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen door verdachte en heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van roekeloos rijgedrag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde, vanwege het ontbreken van causaliteit en van aanmerkelijke schuld. Op specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan. In geval van een bewezenverklaring van het primaire feit bepleit de raadsman partieel vrijspraak ten aanzien van roekeloosheid. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Het ongeval
Op 6 april 2024 omstreeks 15:02 uur heeft op de Oude Rijksweg (N798) te Putten een aanrijding plaatsgevonden. Verdachte reed in zijn personenauto over de Oude Rijksweg (N798), komende vanuit de richting Ermelo en gaande in de richting van de rotonde Papiermakerstraat. Het slachtoffer wilde oversteken bij de oversteekplaats Schoonderbeeklaan ter hoogte van hectometerpaal 17.1. Deze oversteekplaats had haaientanden. Het slachtoffer [slachtoffer] stak over en werd in haar linkerflank geraakt door de auto van verdachte. Het slachtoffer is ter plaatse overleden.
Op de Oude Rijksweg was de toegestane maximumsnelheid voor de personenauto aanvankelijk 80 kilometer per uur. Ongeveer 77 meter voor de noordoostzijde van de fietsersoversteekplaats was de verdachte verkeersborden gepasseerd, waarop werd gewaarschuwd voor overstekende fietsers en bromfietsers en waarop de toegestane maximumsnelheid werd verlaagd naar 60 kilometer per uur.
Uit digitaal voertuigonderzoek volgt dat de Event Data Recorder (EDR) van de personenauto van verdachte op -5,0 seconden voor het ongeval een snelheid van 104 kilometer per uur registreerde. Op dat moment was de toegestane maximumsnelheid nog 80 kilometer per uur. Vanaf -5,0 seconden tot het tijdstip -1,0 seconde bleef de geregistreerde snelheid relatief constant. Tijdens deze periode reed de bestuurder de 60 kilometer per uur zone in. Op het tijdstip -1,0 seconden was de geregistreerde snelheid van de personenauto 100 kilometer per uur. Uit analyse van de telefoondata van verdachte volgt dat verdachte ongeveer 5 seconden voor de aanrijding met een snelheid van 106 kilometer per uur reed. Op basis van deze telefoondata reed de verdachte de 60 kilometer per uur zone in met een snelheid van 105 kilometer per uur.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het waarschuwingsbord voor overstekende fietsers en het bord waarop de maximum snelheid van 60 kilometer per uur stond vermeld heeft gezien.
Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard, anders dan hij eerder bij de politie deed, dat hij niet bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse.
In het verslag van het Forensisch Onderzoek merken verbalisanten op dat tijdens de rijproeven werd ervaren dat het kruispunt met een hogere snelheid dan 100 kilometer per uur lastig te overzien was. Er zijn meerdere plekken waar overstekend, invoegend of afslaand verkeer vandaan kan komen. Deze plekken konden als gevolg van de hoge snelheid nauwelijks allemaal tegelijkertijd in de gaten worden gehouden.
In de vermijdbaarheidsanalyse van het NFI is geconcludeerd dat een fietser de rijbaan van de bestuurder van de personenauto had kunnen oversteken zonder de bestuurder van de personenauto tot remmen te nopen, als de bestuurder van de personenauto met de toegestane maximumsnelheid had gereden. Als het slachtoffer lopend met de fiets aan de hand overstak, dan hangt het volgens de deskundige af van de loopsnelheid of de oversteek, als de auto met de toegestane snelheid had gereden, bij aankomst van de auto volledig was voltooid. Bij loopsnelheden vanaf 3,8 km/u is dat aantoonbaar het geval, maar bij lagere loopsnelheden is dat niet aangetoond. In alle gevallen waarin dat niet is aangetoond, is wel te zeggen dat het had volstaan als de autobestuurder licht had bijgeremd. Dat bijremmen hoefde dan niet eerder aan te vangen dan op het moment waarop de bestuurder in de situatie van het ongeval de abrupte noodremming inzette.
Beoordelingskader
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), en zo ja, welke schuldgradatie het handelen van verdachte oplevert.
Causaliteit
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 WVW, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval.
Uit de vermijdbaarheidsanalyse uitgevoerd door het NFI volgt dat het ongeval vermijdbaar was in het geval dat verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden en het slachtoffer fietsend was overgestoken. De deskundige constateert voorts in de vermijdbaarheidsanalyse dat het slachtoffer met een loopsnelheid vanaf 3,8 kilometer per uur de oversteek had kunnen voltooien voor de aankomst van de auto. In alle gevallen waarin dat niet is aangetoond (in de vermijdbaarheidsanalyse is hierbij gerekend met 3 km/u als laagste loopsnelheid), had volstaan dat de autobestuurder licht had bijgeremd om het ongeval te voorkomen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in het scenario in de vermijdbaarheidsanalyse waarin het slachtoffer lopend met de fiets aan de hand is overgestoken ten onrechte de leeftijd van het slachtoffer (84 jaar ten tijde van het ongeval) niet betrokken is bij de berekening van de loopsnelheid. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De rechtbank overweegt dat het ongeval eveneens voorkomen had kunnen worden bij lagere loopsnelheden, indien verdachte de maximaal toegelaten snelheid had gereden en licht zou hebben geremd vanaf het moment zoals hij bij het ongeval heeft gedaan. Tevens gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de raadsman dat de exacte positie van het slachtoffer op het conflictvlak op het moment van aanrijding niet kan worden vastgesteld, nu uit de vermijdbaarheidsanalyse valt af te leiden dat deze parameter afgezet tegen alle andere factoren die zijn meegewogen niet een dusdanige impact zou hebben dat de berekening significant anders zou hebben uitgepakt. Anders gezegd: de conclusies blijven overeind, onverschillig de exacte positie van het slachtoffer.
De rechtbank overweegt dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als de verdachte de maximaal toegelaten snelheid niet zou hebben overschreden. De verdachte reed minstens 40 kilometer per uur harder dan de toegestane maximumsnelheid, bij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers, welk kruispunt lastig te overzien was op het moment dat 100 (of meer) kilometer per uur gereden werd. Naar het oordeel van de rechtbank is het ongeval zodoende een rechtstreeks gevolg van het rijgedrag van de verdachte.
Mate van schuld
In de tweede plaats moet teneinde tot een bewezenverklaring te kunnen komen de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte de maximumsnelheid aanzienlijk heeft overschreden. Bij de weging van de ernst van de overtreding is ook van belang dat verdachte een oversteekplaats naderde, waarvan hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij het waarschuwingsbord voor deze oversteekplaats en het bord waarop de maximumsnelheid van 60 kilometer per uur stond vermeld, heeft gezien.
Dat verdachte op een voorrangsweg reed, terwijl het slachtoffer haaientanden had, doet aan het voorgaande niets af. In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. Verkeersdeelnemers moeten altijd bedacht zijn op de mogelijkheid dat er iets onverwachts kan gebeuren, waaronder ook eventuele verkeersfouten van anderen. Daarbij geldt voor (onder meer) automobilisten dat zij er rekening mee moeten houden dat verkeersfouten óók door kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en fietsers, kunnen worden begaan. Juist daarom had verdachte, toen hij met de auto een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers naderde, de verantwoordelijkheid, om bij het naderen van de oversteekplaats behoedzaam en oplettend te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte niet van dien aard is dat dit kan worden aangemerkt als roekeloos, dan wel zeer onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam. Daarom zal verdachte van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank is wel van oordeel dat verdachtes handelen, gelet op het voorgaande en op de verkeerssituatie ter plaatse, te kwalificeren is als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 6 april 2024 te Putten in de gemeente Putten, als verkeersdeelnemer, namelijkals bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting vanErmelo, gaande in de richting van de rotonde Papiermakerstraat, daarmederijdende over de weg de Oude Rijksweg (N798),roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie,terwijl een ander (fietsster en/of persoon met de fiets aan de hand) bij deoversteekplaats Schoonderbeeklaan de N798 wilde oversteken, en/of hij (verdachte)de fietser en/of persoon met de fiets aan de hand al had waargenomen en/ofheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor datvoertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval meteen (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatsegeboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer (tenminste) 100 kilometerper uur en/ofniet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde voertuig (personenauto)zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig (personenauto) tot stilstandte brengen, binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (de Oude Rijksweg(N798)) kon overzien en waarover deze vrij was en/ofis gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurster van de fietsen/of persoon, ten gevolge waarvan die bestuurster van de fiets en/of persoon tenval is gekomen,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van motorrijtuigen voor de duur van een jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd, waarbij de verdediging wijst op het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en er geen sprake is van schuld- of strafverzwarende omstandigheden. De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn eigen bedrijf. Een onvoorwaardelijke rijontzegging legt dit bedrijf stil met vergaande sociaaleconomische gevolgen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen strafmodaliteit en strafmaat rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de straffen zoals die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en kennisgenomen van de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS). De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het blanco uittreksel justitiële documentatie van 25 september 2025.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Artikel 6 WVW beschermt het belang van het menselijk leven, de lichamelijke gezondheid en integriteit alsook de verkeersveiligheid. Verdachte heeft door zijn handelen een verkeersongeval veroorzaakt waardoor het slachtoffer is overleden. Het ongeval, en dus ook de dood van het slachtoffer, was vermijdbaar. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan de ter plaatse geldende voorschriften alsmede de verkeerssituatie, ondanks dat hij heeft gezien dat hij een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers naderde.
Het is de rechtbank duidelijk, mede uit verdachtes verklaringen ter terechtzitting, dat het verkeersongeval ook een grote invloed heeft op verdachte. De rechtbank weegt in de straftoemeting echter mee dat verdachte zijn schuld aan het verkeersongeval niet geheel lijkt in te zien, gezien bijvoorbeeld zijn verklaring dat het ongeval enkel te voorkomen was geweest als hij een andere route had gereden. Ook heeft de rechtbank haar twijfels of verdachte inmiddels zijn rijgedrag heeft aangepast. Slechts na aandringen heeft hij ter zitting erkend dat zijn rijstijl (zoals hij zelf zegt ‘op gevoel’) hem in een gevaarlijke situatie verzeild heeft doen raken en heeft hij schoorvoetend toegegeven dat hij beter kan afgaan op zijn snelheidsmeter. Deze houding maakt dat de rechtbank dusdanige zorgen heeft over verdachtes rijgedrag dat zij zal bepalen dat de verdachte gedurende een periode niet mag deelnemen aan het gemotoriseerd verkeer als bestuurder. Er zal daarom een rijontzegging worden opgelegd.
De rechtbank acht, alles afwegende een taakstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op:
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
ontzegt veroordeelde wegens het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur van 1 (een) jaar.