RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-105448-24
Datum uitspraak : 5 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] (Kenia)
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, Nijmegen
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 166.889,10.
2. De procedure
De zaak is op de openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het voordeel en de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld op € 100.000,-. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van drie eerdere oogsten en heeft het bedrag in het voordeel van veroordeelde afgerond op € 100.000,-.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3. De beoordeling van de vordering
Bij vonnis van vandaag is veroordeelde veroordeeld ter zake van:
De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten gedurende langere tijd voorafgaande aan de dag van de doorzoeking (terwijl alleen die dag ten laste is gelegd). In zoverre leunt de ontnemingsvordering op “andere strafbare feiten” zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit eerdere oogsten van de hennepplanten en baseert zich op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk voordeel het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het ontnemingsrapport).
In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat er in de kwekerij vijf eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Dit is vastgesteld aan de hand van in de berging aangetroffen vervuilde koolstoffilters, natte resten van hennepplanten, afgeknipte delen van hennepplanten, hennepresten, aangetroffen takken van hennepplanten, waarvan de hennepbloemen waren verwijderd, op kalk gelijkende afzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten, vervuiling van het filterdoek, aangetroffen gebruikte lampen in de garagebox, stof op voorwerpen, verkleuring van houten latten, knippen van hennep, potgrond, wortel- en plantenresten en lege jerrycans. Tot slot werden data aangetroffen op verschillende goederen die zijn gebruikt ten behoeve van het kweken van hennep in het pand. De data die werden aangetroffen, waren: ventilator, met productiedatum week 52, jaar 2015 en slakkenhuis, controle productiedatum, 8 april 2016.
De rechtbank overweegt dat de genoemde factoren duiden op meerdere oogsten, maar dat op basis daarvan niet met zekerheid is vast te stellen dat er in de kwekerij vijf oogsten zijn geweest. De rechtbank zal daarom, mede gelet op de in de bijlage bij het ontnemingsrapport genoemde gemiddelde levensduur van koolstoffilters, aansluiten bij de aangepaste vordering van de officier van justitie en uitgaan van drie succesvolle oogsten, waarbij sprake is van een kwekerij met 325 planten.
De hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij het schatten van het voordeel neemt de rechtbank de in het ontnemingsrapport gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot de opbrengst en kosten per oogst over, nu deze uitgangspunten beredeneerd en onderbouwd zijn vastgesteld. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van 1 juni 2016 van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM). Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de uitgangspunten zoals genoemd in het ontnemingsrapport anders moeten worden vastgesteld.
In het pand aan [adres] te Nijmegen werden twee kweekruimtes aangetroffen. Per kweekruimte is de opbrengst per oogst vastgesteld.
Kweekruimte 1
In kweekruimte 1 werden 203 hennepplanten aangetroffen. De opbrengst aan hennep per plant van deze kweekruimte is volgens het ontnemingsrapport minimaal 27,2 gram. De totale opbrengst per oogst bedraagt 203 x 27,2 gram = 5,5216 kilogram.
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport is dit minimaal € 4.070,- per kilogram. De totale bruto opbrengst bedraagt minimaal 5,5216 x € 4.070,- = € 22.472,91 per oogst.
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de hennepkwekerij zijn als volgt:
Totaal aan kosten: € 1.761,07.
De bruto opbrengst van drie oogsten: 3 x € 22.472,91 = € 67.418,73.
De kosten van drie oogsten: 3 x € 1.761,07 = € 5.283,21 -/-.
Netto wederrechtelijk verkregen voordeel: € 62.135,52
Kweekruimte 2
In kweekruimte 2 werden 122 hennepplanten aangetroffen. De opbrengst aan hennep per plant van deze kweekruimte is volgens het ontnemingsrapport minimaal 27,7 gram. De totale opbrengst per oogst bedraagt 122 x 27,7 gram = 3,3794 kilogram.
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport is dit minimaal € 4.070,- per kilogram. De totale bruto opbrengst bedraagt minimaal 3,3794 x € 4.070,- = € 13.754,16 per oogst.
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de hennepkwekerij zijn als volgt:
- Afschrijvingskosten € 150,00;
- Hennepstekken € 464,82;
- Variabele kosten € 473,36;
Totaal aan kosten: € 1.088,18.
De bruto opbrengst van drie oogsten: 3 x € 13.754,16 = € 41.262,48.
De kosten van drie oogsten: 3 x € 1.088,18 = € 3.264,54 -/-.
Netto wederrechtelijk verkregen voordeel: € 37.997,94
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het geschatte voordeel vast op een bedrag van € 62.135,52 + € 37.997,94 = € 100.133,46. De rechtbank zal echter conform de vordering van de officier van justitie de betalingsverplichting van veroordeelde matigen tot een bedrag van € 100.000,- en zal hem daarom veroordelen tot betaling van dit bedrag van € 100.000,- aan de Staat.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 100.133,46 (zegge: honderdduizend honderddrieëndertig euro en zesenveertig eurocent);
- stelt de betalingsverplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 100.000,- (zegge: honderdduizend euro)
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2025.