RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.189085.22
Datum uitspraak : 18 december 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. B. Hartman, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Hij op of omstreeks 16 april 2020 te Arnhem [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- meerdere malen met een vuurwapen in/op de auto van die [aangever] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 16 april 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (kenteken: [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine (olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
Hij in of omstreeks de periode van 9 april 2021 tot en met 21 april 2021 te De Kwakel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 27,25 liter amfetamineolie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Feit 1 en feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van feit 1 en feit 2 wordt vrijgesproken, omdat voor die feiten onvoldoende bewijs is. Wanneer de aangetroffen gegevens met betrekking tot het account ‘ [account naam 1] ’ onder elkaar worden gezet, kan niet worden uitgesloten dat dat account niet van verdachte of diens broer is.
Beoordeling door de rechtbank
[aangever] (hierna: [aangever] ) heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn auto, een Mercedes met kenteken: [kenteken] op 16 april 2020 in Arnhem. Aangever heeft verklaard dat hij die ochtend rond half 10 zag dat er gaten in de voorruit zaten. Ook zat er een gat in de motorkap. Aangever hoorde van een buurtbewoner dat er die nacht rond 03:00 uur geschoten was door een jongen die in het zwart was gekleed. In zijn aanvullende verklaring heeft [aangever] verklaard dat hij 6 of 7 ronde gaten in de auto zag. Verder verklaarde [aangever] dat hij is geschrokken.
De camerabeelden van de woning van [aangever] zijn uitgekeken. Het tijdstip van deze beelden loopt één uur achter op de daadwerkelijke tijd. Op deze beelden is te zien dat op 16 april 2020 om 02:05 uur (dus om 03:05 uur) een persoon in het donker gekleed stopt ter hoogte van de auto die op het erf aan de voorzijde van de woning geparkeerd staat. Deze persoon neemt een schiethouding aan in de richting van de auto en schiet zeven keer op de auto. De persoon heeft al die tijd in beide handen een voorwerp vast. Uit het voorwerp in de linkerhand komt mondingsvuur. Het voorwerp in de rechterhand heeft de vorm van een handvuurwapen, maar hieruit komt geen mondingsvuur.
Op het trottoir voor de woning liggen een drietal hulzen. In de voortuin liggen vier hulzen, ongeveer één tot vier meter van het motorvoertuig op de grond. In de motorkap van het voertuig zat een doorschot van een projectiel en in de voorruit van het motorvoertuig waren zes doorschoten van projectielen te zien. Ook in de rugleuning van de bestuurdersstoel en in de rugleuning van de achterbank zaten inschoten van projectielen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] betrokken is geweest bij het beschieten van de auto van [aangever] .
Chatberichten
Op 14 april 2020 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 1] en [account 2] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
[aangever] heeft verklaard in zijn aangifte dat hij een winkel heeft aan de [adres] in Arnhem. Daarvoor had hij een winkel in Oosterbeek.
Op 14 april 2020 heeft [naam 1] [geboortedag] 1986) een melding gedaan van een autobrand aan het [adres] . De eigenaar van dit voertuig was [naam 3] ( [geboortedag] 1989). [naam 1] is de zus van [verdachte] en [medeverdachte 1] en de vriendin van [naam 3] .
Op 16 april 2020 en op 25 april 2020 vonden gesprekken plaats tussen de accounts [account naam 1] en [account 2] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Op 15 mei 2020 en 29 mei 2020 vonden gesprekken plaats tussen de accounts [account naam 1] en [account 3] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het account [account naam 1] en dat alle berichten van dit account aan hem toe te schrijven zijn. Uit de chatberichten van april 2020 blijkt dat de gebruiker van account [account naam 1] betrokken is geweest bij de schietpartij op de auto van [aangever] op 16 april 2020. In de berichten wordt gesproken over het schieten op een auto in verband met een op 14 april 2020 in brand gestoken auto van het zusje van de gebruiker van het account [account naam 1] . Uit het dossier blijkt dat de melder van deze brand [naam 1] betreft. Ook wordt in de chats van april 2020 gevraagd aan [account naam 1] hoe het met ‘grote broer’ gaat. In mei 2020 spreekt [account naam 1] met het account [account 3] over “want [medeverdachte 1] komt” en wordt account [account naam 1] door [account 3] aangesproken met de naam [verdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank, is [verdachte] tijdens deze periode de gebruiker is geweest van het account [account naam 1] en is hij degene geweest die meerdere keren op de voorzijde van de auto van [aangever] ter plaatse van de bestuurdersplaats heeft geschoten.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden meermalen schieten op een geparkeerde auto, naast vernieling van die auto ook bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangever] oplevert. Zeker nu de auto alleen van voren is beschoten ter hoogte van de bestuurdersplaats en één van de kogels in de rugleuning van de bestuurdersstoel is aangetroffen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en feit 2.
Identificatie chat ID’s (feit 3 en feit 4)
[account 4]
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het account [account 4] en dat alle berichten van dit account aan hem toe zijn te schrijven. Dit is af te leiden uit de volgende chatgesprekken:
Op de [adres] in Arnhem staan [medeverdachte 1] en zijn partner [naam 4] ingeschreven.
Verder stuurt [account 4] op 19-04-201 om 13:46:18 een bericht naar [account 6] : “Oke ik ben kapot schatje”. Vervolgens stuurt [account 4] om 13:46:40 uur een foto naar [account 6] waarop een man is te zien. De man op deze foto vertoont grote gelijkenissen met de SKDB foto van [medeverdachte 1] . De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van het account [account 4] ten tijde van het tenlastegelegde.
[account naam 2]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het account [account naam 2] en dat alle berichten van dit account aan hem toe zijn te schrijven. Dit is af te leiden uit de volgende bevindingen.
Op 19-04-2021 om 19:11:41 uur stuurde het account [account naam 2] een bericht naar het account [account 5] : “Rij nu bij Utrecht”. In die periode tapte de politie een toestel af met IMEI-nummer [nummer] . Met dat toestel werd gebruik gemaakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat op naam stond van [verdachte] . Uit mastgegevens komt naar voren dat dit toestel zich in de buurt van Utrecht bevond ten tijde van het gesprek tussen [account naam 2] en [account 5] .
Tussen 8 april 2021 en 24 mei 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
[account naam 2] wordt aangesproken met de naam [verdachte] en hij heeft een broer die [naam 5] heet en die getrouwd is met [naam 6] . De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] de gebruiker was van het account [account naam 2] ten tijde van het tenlastegelegde.
[account 8]
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het account [account 8] en dat alle berichten van dit account aan hem toe zijn te schrijven. Dit is af te leiden uit de volgende bevindingen.
De politie heeft bij de instap in de woning van [medeverdachte 2] aan [adres] een ANOM-toestel gevonden met IMEI-nummer [nummer] . Het account [account 8] maakte gebruik van het toestel met dit IMEI-nummer.
Op [geboortedag] 2021 om 10:01:09 uur appt [account 8] : “Waneer apt hij me Dan? Nu verjaardag morgen kan ik wat doen.”. Uit de bevraging van de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 2] is geboren op [geboortedag] 1977.
Op 11 mei 2021 om 15:16:35 uur appt [account 8] : “Ben der zwarte peugot”. Uit de bevraging van de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 2] sinds 10 mei 2021 een zwarte Peugeot op zijn naam heeft staan.
Daarnaast stuurde [account 8] de volgende berichten:
Uit de bevraging van de politiesystemen werd duidelijk dat op het adres van [medeverdachte 2] ook een vrouw staat ingeschreven genaamd [naam 9] en dat zij samen een kind hebben dat is geboren op [geboortedag] 2014.
Tijdens zijn verhoor heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij bezig was met de eventuele verkoop van een paard en dat hij een muurtje uit zijn schuur had gehaald. De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van het account [account 8] ten tijde van het tenlastegelegde.
Feit 3 – locatie Beek
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van het vervaardigen van amfetamine. Ook voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine dient vrijspraak te volgen, nu geen amfetamine is aangetroffen. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van amfetamine en omdat niet kan worden vastgesteld hij hierover beschikkingsmacht had.
Beoordeling door de rechtbank
Op 7 juni 2021 heeft de Dienst Specialistische Operaties van de Landelijke Eenheid van de politie een instap gedaan in de schuur achter de woning aan [adres] . Daar werden restanten van een drugslaboratorium aangetroffen. In ruimtes van deze schuur was door middel van actiefkoolfilters, slangen en een slakkenhuisventilator een luchtzuivering en afvoersysteem aangelegd. De wanden in de laboratoriumruimte waren afgedekt met gipsplaten en luchtdicht gemaakt door middel van Purschuim. In de laboratoriumruimte lag rondom een afvoerpijp een plas bruine vloeistof met de geur van amfetamine. De afvoerpijp was ook besmet. Vanaf de buitenkraan aan de buitenmuur van de woning liep een waterslang naar de laboratoriumruimte. Verder gespecificeerd werd in deze schuur onder meer het volgende aangetroffen:
De aangetroffen goederen, (afval)stoffen en aangebrachte voorzieningen wijzen op het produceren van amfetamine.
De bovengenoemde stoffen zijn door het NFI onderzocht:
BMK (benzylmethylketon) is een grondstof voor amfetamine of metamfetamine. N-formylamfetamine is het tussenproduct in de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode.
Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat in de schuur amfetamine is geproduceerd.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] betrokken zijn geweest bij de productie van die amfetamine in het drugslab.
Chatberichten
Op 19 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
De beschrijving in deze gesprekken van de locatie komt overeen met het adres van medeverdachte [medeverdachte 2] . Achter zijn woning bevindt zich een bos, in het buitengebied van Beek tegen de Duitse grens aan. Bij deze woning lopen de paarden van [medeverdachte 2] in een wei.
Op [geboortedag] 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Op 20 tot en met 26 mei 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 5] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Op 24 mei 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . Het volgende bericht, voor zover relevant, is verstuurd:
Op 27 mei 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account 4] en [account 8] . De volgende berichten, voor zover relevant, werden verstuurd:
Op 30 mei 2021 stuurt het account [account 4] onderstaande berichten door naar het account [account 8] :
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de locatie aan [adres] als drubslab hebben geregeld door het huren van die locatie en het leveren van bouwmaterialen, onderdelen en grondstoffen. Dat er daadwerkelijk amfetamineolie is geproduceerd volgt uit de restanten die op de locatie zijn aangetroffen en het bericht van [medeverdachte 1] op 30 mei 2021 dat er alleen maar rotzooi wordt gedraaid met de bijbehorende foto. [verdachte] heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de productie van amfetamineolie. Daarnaast is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en de persoon achter het account [account 5] . Deze bestaat namelijk in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Hiermee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Feit 4 – locatie De Kwakel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 4.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de productie van amfetamine. Ook voor het opzettelijk aanwezig hebben van 27,25 liter amfetamineolie dient vrijspraak te volgen nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van genoemde hoeveelheid amfetamine en omdat niet kan worden vastgesteld dat hij op enig moment beschikkingsmacht over de amfetamine had.
Beoordeling door de rechtbank
Op 21 april 2021 heeft de politie op de locatie [adres] een inwerking zijnde productieplaats van synthetische drugs aangetroffen. In twee loodsen werd het volgende aangetroffen:
Bovengenoemde goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden. Loods A was ingericht en in gebruik voor de grootschalige vervaardiging van BenzylMethylKeton (BMK) met behulp van MAPA en fosforzuur waarna de vervaardigde BMK is gebruikt voor de vervaardiging van amfetaminebase (olie) volgens de Leuckart-loog methode. Op het moment van ontdekking was de aanwezige reactieketel in werking voor de vervaardiging van BMK. In de loods werden chemicaliën aangetroffen nodig voor de vervaardiging van amfetamine met behulp van BMK. Totaal werd 27,35 liter aan amfetamine base aangetroffen. Gezien de aangetroffen hoeveelheden grondstoffen en afval gerelateerd aan de vervaardiging van amfetamine, zijn op deze locatie vermoedelijk meerdere batches BMK en amfetamine vervaardigd.
Uit de bovengenoemde goederen en stoffen is onder meer het volgende door het NFI onderzocht:
De rechtbank acht bewezen dat amfetamine is geproduceerd, hetgeen ook blijkt uit de in het lab aangetroffen hoeveelheid amfetamine(olie).
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de productie van amfetamine(olie) in dit drugslab.
Chatberichten
Op 8 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 10] . Het volgende bericht, voor zover relevant, is verstuurd:
Op 9 en 10 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 10] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
In het kader van het tactisch opsporingsonderzoek genaamd 'CORE' werden de telefoongesprekken gevoerd via IMEI-nummer [nummer] opgenomen en afgeluisterd. In dit toestel met genoemd IMEI-nummer werd gebruik gemaakt van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] , ten name van [verdachte] , [adres] . Uit het afluisteren van deze telefoongesprekken bleek dat verdachte [verdachte] de gebruiker was van dit genoemde telefoonnummer op zijn naam.
Uit de afgeluisterde en opgenomen tapgegevens van genoemde telefoon in gebruik bij [verdachte] , bleek dat kennelijk [verdachte] op onder andere 9 april 2021 om 11:38:08 uur telefonisch contact heeft met personeel van het bedrijf ' [bedrijf] ' in Zevenaar, over onder meer het bestellen en ophalen van Fluxpompen en slangen. In het telefoongesprek van 9 april 2021 wordt een prijs afgesproken van 114 euro en 40 cent en bestelt [verdachte] een slang met een lengte van 3 meter.
Het bedrijf [bedrijf] in Zevenaar heeft vier facturen aangeleverd van aankopen gedaan door [verdachte] en/of [bedrijf] . De factuur data waren onder andere 7 april 2021 en 9 april 2021. Op de factuur van 7 april 2021 stond dat op die dag een collector motor FEM4070 Serienummer 40774314, alsmede een pompbuis type FP 424EX , serienummer 424040S05, is aangekocht en geleverd. In het drugslab in De Kwakel werd door de politie een lege doos aangetroffen kennelijk behorende bij genoemde collector motor. Op de doos staat als serienummer 40754314, wat 1 cijfer verschil is met het op de factuur vermeldde serienummer. Desgevraagd deelde de eigenaar van [bedrijf] mede, dat dit verschil veroorzaakt kan zijn in de administratieve verwerking, welke handmatig plaatsvindt. In het drugslab in De Kwakel werd door de politie tevens een lege doos aangetroffen kennelijk behorende bij genoemde pompbuis.
Uit tapgegevens (met locatiegegevens) van eerdergenoemde mobiele telefoon in gebruik bij [verdachte] , blijkt, dat deze telefoon op 10 april 2021 op verschillende tijdstippen tussen 15.12 uur en 19.33 uur onder het bereik van zendmasten is in de omgeving van de locatie van het drugslab in De Kwakel.
Op 11 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Op 13 en 14 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
In het gesprek op 14 april 2021 om 12:11:49 uur stuurt [medeverdachte 1] ( [account 4] ) een foto gemaakt in de drugslab locatie genoemd in De Kwakel, waarop onder meer een opstelling te zien is bestemd/gebruikt voor de productie van synthetische drugs, naar [verdachte] ( [account naam 2] ). In verband met de inval in dit drugslab in De Kwakel, werden door het LFO (Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen) op 21 april 2021 foto's van de aangetroffen situatie gemaakt en hiervan werd een fotoblad gemaakt. Uit foto 10 van dit fotoblad blijkt, dat de genoemde foto die [medeverdachte 1] naar [verdachte] stuurde, in dezelfde ruimte is gemaakt, waarop een deel van de opstelling te zien is. Dat het dezelfde locatie betreft, blijkt onder meer uit de poster met trein aan de wand, aan de roodkleurige slang aan de wand en aan de ketel die op beide foto's is te zien.
Op 16 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 10] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Gelet op de berichten tussen [account 4] ( [medeverdachte 1] ) en [account naam 2] ( [verdachte] ) in de periode 11 april 2021 tot en met 14 april 2021 en het bericht van [account naam 2] op 8 april 2021 aan [account 10] dat hij het broertje van “leeuw” is, gaat de rechtbank er vanuit dat [account naam 2] met “leeuw” op [medeverdachte 1] doelt.
Uit de opgenomen tapgegevens van de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat op naam stond van [verdachte] bleek dat deze telefoon op 16 april 2021 tussen 19.06 uur en 22.55 uur in gebruik was binnen het bereik van zendmasten in de directe omgeving van perceel [adres] , waar op 21 april 2021 een synthetisch drugslab werd aangetroffen. Verder bleek uit deze tapgegevens, dat genoemde telefoon op 16 april 2021 tussen 12.19 uur en 17.19 uur op verschillende momenten actief was onder het bereik van zendmasten in Arnhem en daarna via Amersfoort richting De Kwakel is gegaan. Bij de inval in het drugslab in De Kwakel werd ook een [bedrijf] aangetroffen.
Uit de opgenomen tapgegevens bleek eveneens dat deze telefoon op 16 april 2021 tussen 20.24 uur en 22.27 uur in gebruik was binnen het bereik van zendmasten in de directe omgeving van het perceel [adres] in Wateringen. Na het bezoek in Wateringen keerde de telefoon weer terug onder het bereik van de zendmasten in de nabijheid van de locatie van het drugslab in De Kwakel.
Op 18 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 10] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Uit de afgeluisterde en opgenomen tapgegevens van genoemde telefoon in gebruik bij [verdachte] , bleek dat [verdachte] op 18 april 2021 om 13:39:13 uur en 13:46:38 uur belde met een dierenwinkel, telefoonnummer 31263648811 van Pet Shop Jumper XXL Arnhem, Pieter Calandweg 14 te Arnhem en afsprak om langs te komen voor pH-strips. Hij noemde daarbij een pH-waarde tot en met 12. Op 18 april 2021 om 16:18:50 belde hij met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van Intratuin, over ijkvloeistof voor het meten van de pH-waarde. Uit de opgenomen tapgegevens van genoemde telefoon bleek dat deze telefoon op 18 april 2021 op verschillende tijdstippen tussen 14.12 uur en 21.00 uur onder het bereik van zendmasten is in de omgeving van de locatie van het drugslab in De Kwakel.
Op 19 april 2021 vond een gesprek plaats tussen de accounts [account naam 2] en [account 4] . De volgende berichten, voor zover relevant, zijn verstuurd:
Uit tapgegevens (met locatiegegevens) van eerdergenoemde mobiele telefoon in gebruik bij [verdachte] , blijkt, dat deze telefoon op 19 april 2021 omstreeks 19.41 uur en 19.52 uur onder het bereik van zendmasten is in de omgeving van de locatie van het drugslab in De Kwakel.
Conclusie
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 21 april 2021 een drugslab is aangetroffen waar op dat moment amfetaminebase (olie) werd geproduceerd. Uit de berichten en tapgesprekken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] goederen heeft aangeschaft ten behoeve van het lab en nauw betrokken was bij het productieproces. Hierdoor heeft [verdachte] een belangrijke bijdrage geleverd aan de productie van amfetamineolie. Daarnaast is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en de persoon achter het account ‘ [account 10] ’. Deze bestaat namelijk in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Hiermee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht feit 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 16 april 2020 te Arnhem [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- meerdere malen met een vuurwapen in/op de auto van die [aangever] te schieten;
2.
hij op of omstreeks 16 april 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (kenteken: [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij in of omstreeks de periode van april 2021 tot en met 7 juni 2021 te Beek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd in, elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine (olie), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2021 tot en met 21 april 2021 te De Kwakel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 25,35 literamfetamineolie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
feit 3 en 4, telkens:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast is de reclassering heel positief over verdachte en is hij sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Gelet op andere jurisprudentie is het mogelijk om een taakstraf van 960 uur op te leggen met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging en vernieling door midden in de nacht op een auto te schieten die op de oprit van de woning van het slachtoffer geparkeerd stond. Het slachtoffer is hier erg van geschrokken en uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgedragen blijkt dat hij nog dagelijks de gevolgen hiervan ervaart. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten ook gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij de samenleving in het algemeen en bij buurtbewoners in het bijzonder. Verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen op twee verschillende locaties schuldig gemaakt aan de productie van amfetamine(olie). Verdachte heeft goederen ten behoeve van het drugslab aangeschaft en is daarnaast nauw betrokken geweest bij de productie van de amfetamine(olie). Voor de productie van synthetische drugs, in dit geval amfetamine, wordt gebruik gemaakt van chemische grondstoffen die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. De productie vindt gewoonlijk plaats in daarvoor niet bestemde ruimten, zoals in dit geval een schuur en loods. Bij het ondeskundig opslaan en bewerken van dergelijke grondstoffen kan ontploffingsgevaar optreden met alle gevolgen voor de omgeving van dien. Daarnaast schuilt in de productie van harddrugs direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegale dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen in de natuur. Bovendien zijn (synthethische) drugs zwaar verslavend en gevaarlijk voor de gezondheid.
Uit de justitiële documentatie van 6 september 2025 blijkt dat verdachte de laatste vijf jaar niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 23 september 2025 volgt dat verdachte zichzelf in het reclasseringstraject in het kader van de schorsing zichtbaar heeft ontwikkeld. Door de jaren heen is zichtbaar geworden dat verdachte zijn zaken op orde heeft. Bij bijzonderheden neemt verdachte zelf contact op met de reclassering. Ondanks dat er voor nu geen specifieke doelen zijn voor verdachte binnen het reclasseringstraject blijft verdachte in beeld en houdt hij zich aan afspraken. De reclassering ziet op dit moment geen meerwaarde voor verdachte om interventies in te zetten binnen het reclasseringstoezicht.
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend. Daarbij heeft de rechtbank een gevangenisstraf van twee jaar per drugslab als uitgangspunt genomen. Voor de bedreiging acht de rechtbank een gevangenisstraf van één jaar passend, gelet op de impact en gelet op het feit dat verdachte dus ook op dat moment vuurwapens voorhanden heeft waarmee de bedreiging is gepleegd. Dat rechtvaardigt daarom een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hiermee komt de rechtbank op een gevangenisstraf van 60 maanden uit. De redelijke termijn, die is gaan lopen op het moment van inverzekeringstelling op 26 juli 2022, is met ruim anderhalf jaar overschreden. De rechtbank zal daarom ook een strafkorting van 10% toepassen en komt daarmee op 54 maanden uit.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden passend en geboden. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal niet worden opgeheven zodat de schorsing zal voortduren tot – in beginsel – het moment dat de beslissing onherroepelijk wordt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met feit 1 en feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert, na aanpassing van de vordering op de terechtzitting, primair € 14.050,- (de marktwaarde van de auto minus de sloopvergoeding) en subsidiair € 10.566,30 (de reparatiekosten van de auto) aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor het materiële deel van € 14.050,- en het immateriële deel van€ 1.500,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de immateriële schade gematigd moet worden naar maximaal € 500,-. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging geen subsidiair standpunt ingenomen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal het primair gevorderde bedrag van € 14.050,- (marktwaarde minus sloopvergoeding) aan schade aan de auto toewijzen. Verdachte is vanaf 16 april 2020 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Immateriële schade
Voor de beoordeling van de gevorderde immateriële schade stelt de rechtbank het volgende voorop. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:376) als uitgangspunt gesteld dat van de in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake is, indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van in de artikel 6:106, eerst lid, onder b BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. De benadeelde partij die zich hierop beroept zal in beginsel moeten stellen en met concrete gegevens moeten onderbouwen dat de ernstige normschending dermate ingrijpende gevolgen voor haar heeft gehad, dat zij in haar persoon is aangetast. In sommige gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor betrokkene voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen.
Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b BW niet reeds sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In onderhavige zaak is de benadeelde partij bedreigd doordat verdachte middenin de nacht meerdere keren op de geparkeerde auto van de benadeelde partij heeft geschoten. Er zaten 7 kogelgaten in de auto en er lagen diverse hulzen rondom de auto. De auto stond geparkeerd op de oprit van de woning van de benadeelde partij.
De rechtbank overweegt dat in dit geval deze aard en ernst van de normschending niet dermate evident is dat zonder onderbouwing een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
De rechtbank acht het zeer voorstelbaar dat de benadeelde door de bedreiging gevoelens van angst, slapeloosheid en/of andere (psychische) gevoelens heeft ondervonden. Gelet op het hiervoor weergegeven kader van de Hoge Raad, is dit echter dit niet voldoende om een aantasting in de persoon op andere wijze te kunnen aannemen. De benadeelde partij heeft zijn vordering niet voldoende onderbouwd waaruit blijkt dat bij hem sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 47, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Civiele vordering [aangever]
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;