RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/100942-19; 05/066736-21 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 13 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. M.A.W. Nillesen, advocaat in ’s-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
onder parketnummer 05/100942-19:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 april 2019 te Duiven, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] , in elke geval van een ander met het oogmerk die [aangever 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers is en/of heeft verdachte toen en daar in voormelde periode op een of meer dag(en), meermalen, althans eenmaal-genoemde [aangever 1] (telkens) telefonisch (mobiel) benaderd doorn middel van zogenaamde spraakmemo's met daar in kwetsende en/of dreigende/intimiderende teksten en/of-genoemde [aangever 1] (telkens) benaderd door de voicemail (van de mobiele telefoon) in te spreken met bedreigende en/of intimiderende/kwetsende teksten (op de mobiele telefoon) en/of -genoemde [aangever 1] benaderd door een of meer Whats App-berichten en/of e-mailtjes te sturen/verzenden met bedreigende en/of kwetsende teksten en/of-met zijn handen op de (voor)deur van het privéadres van die [aangever 1] gebonst/gebonkt en/of (daarbij) bedreigende/intimiderende en/of kwetsende teksten geschreeuwd/geroepen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 8 april 2019 te Duiven, in elk geval in Nederland, [aangever 1] en/of [aangever 2] (te weten de moeder van die [aangever 1] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, een vuurwerkbom, althans een expolsief, aan te steken en/of (vervolgens) in de richting van de woning en/of een voor die woning geparkeerde auto te gooien werpen, waarna voornoemde vuurwerkbom(men), althans voornoemd expolsie(f)ven, is/zijn ontplofd in de onmiddellijke nabijheid van die woning en/of de voor de woning geparkeerde auto;
3.
hij op of omstreeks 26 april 2019 te Zevenaar, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1, te weten een revolver, type Magnum 357, caliber .38, (met opdruk Zastava), zijnde een vuurwapen en/of munitie categorie III, te weten 4 (vier)(scherpe) patronen, type Hagel (3(drie) stuks) en/of type S&B (1(een) stuk), kaliber .38 en/of 11 (elf) (scherpe patronen ,klaiber .38 special, merk Geco, voorhanden heeft gehad;
4.
hij in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 8 april 2019 te Duiven, in elke geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een woning (gelegen aan [adres] ) en/of een auto, merk Toyota, type Aygo, kleur wit (gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 1] en/of toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
onder parketnummer 05/066736-21:
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 3] één of meerdere malen- op/tegen het gezicht/hoofd (met een glas) heeft geslagen en/of- op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of heeft geschopt/getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Arnhem, [aangever 3] heeft mishandeld door die [aangever 3] één of meerdere malen,- op/tegen het gezicht/hoofd (met een glas) te slaan en/of- op/tegen het gezicht/hoofd te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05/100942-19 :
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1:
Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat de relatie met verdachte op 17 januari 2019 is geëindigd. Vanaf die datum heeft zij meerdere spraakmemo’s van verdachte ontvangen, met onder andere de volgende inhoud:
1 februari 2019: ‘Pas jij nou maar op wat je zeg want dan pak ik vanavond jou auto rij dwars door je huis naar binnen trek ik jou naar buiten sla ik je op straat sla ik al je tanden uit je smoel en je vader en je moeder dus ik zo maar eventjes op gaan passen nou’
6 februari 2019: ‘Je hebt het nu gehoord ja je hebt het nu echt gehoord ja blijf de hele facking tijd netjes tegen jou he [aangever 1] geloof me geloof me echt ik heb jou met zoveel respect behandeld he ik heb jou me geld gegeven me auto me hele kanker leven heb ik aan jou gegeven [aangever 1] nou ga jij doen wat ik zeg want ik zweer het jou echt ik kom jou echt halen meisje echt echt met je grote tyfus strot de hele tijd tegen mij en mij denken de grond in te trappen maar
dan sla ik jou je kaak onder het gezicht vandaan zweer ik jou echt’
[aangever 1] heeft op 6 februari 2019 meerdere telefoongesprekken met verdachte gevoerd. De inhoud van deze gesprekken heeft zij uitgetypt. In de gesprekken hoorde zij hem de volgende dingen zeggen:
‘Kom ik op de woutenkiet dan heb jij de rest van je leven een gigantisch probleem met je uiterlijk. (…)
[verdachte] : (…) ik vraag het je nu voor de laatste keer drraai er niet omheen anders stap ik nu zoiezo in, ja dan begin de politie maar vast te bellen. Want dan kom ik met 1 grote ramp naar jou toe. Zeg het maar meisje dit is de keuze dit is het moment van jou leven.
(…)
[verdachte] : onverstaanbaar …… dan zal ik eens een pistool mee nemen waar dat proppenschietertje van ju vader niet tegen op kan. Zeg me nou wat we gaan doen [aangever 1] en sluit dit normaal met me af [aangever 1] , anders ga ik oorlog voeren met jullie drie.
(…)
[verdachte] : ik kom jou halen meisje tot dat ze me doodschieten zolang kom ik jou halen geloof mij nou jij hebt echt de verkeerde uitgekozen vandaag waar jij dit spelletje mee heb gespeeld meisje
(…)
[verdachte] : nee ik maak helemaal niks geen fouten die niet te overzien zijn jij bent nou in een keer een angsthaas geworden nou ben je in een keer een angstpoepert geworden en vanmiddag had je een grote bek tegen me he van kom maar op dit en dat en toen was je een stoere meid of niet toen was je wel een stoere meid tot dat ie op je deur trapt durf je niet open te doen zo stoer ben je luister meisje morgen heb ik alles terug heb ik t morgen niet terug zal het jullie alle 3 bezuren ja zweer ik jou.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de spraakberichten en telefoongesprekken uitgeluisterd, las ondertussen mee met de uitgewerkte berichten van [aangever 1] , en zag dat deze berichten nagenoeg letterlijk waren uitgewerkt.
[aangever 1] heeft verder verklaard dat verdachte omstreeks 7 februari 2019 in de nacht naar haar woning aan [adres] is gekomen. Hij heeft toen op de voordeur gebonkt. [aangever 1] hoorde hem zeggen dat hij met zijn auto de woning in zou rijden.
Op 6 april 2019 ontving [aangever 1] een e-mail van verdachte met de tekst: ‘Oorlog voor jullie allemaal !!!!’
[aangever 1] heeft voor de door haar ervaren stalking op 24 april 2019 een klacht ingediend.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij op de deur van de woning van [aangever 1] heeft gebonkt en intimiderende teksten heeft geschreeuwd. Verdachte heeft verder verklaard dat het klopt dat hij de (spraak)berichten aan [aangever 1] heeft gestuurd en telefoongesprekken met [aangever 1] heeft gevoerd. Hij stelt dat de uitgewerkte (spraak)berichten en telefoongesprekken een eenzijdig verhaal laten zien, van de kant van [aangever 1] , terwijl het over en weer is gegaan en er dus ook dreigende berichten van [aangever 1] aan hem zijn gestuurd.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
De rechtbank overweegt dat zowel verdachte als [aangever 1] het contact initieerden, maar is van oordeel dat verdachte (anders dan [aangever 1] ) veel te ver is gegaan in zijn uitingen met bedreigende en intimiderende taal. Gezien de hiervoor genoemde vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van [aangever 1] is – naar objectieve maatstaven – sprake van gedragingen die moeten worden beschouwd als een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer in de tenlastegelegde periode. Uit de gedragingen van verdachte komt naar voren dat hij structureel op intimiderende wijze heeft geprobeerd met [aangever 1] in contact te komen. Verdachte heeft meermalen spraakmemo’s, WhatsApp-berichten en e-mails gestuurd met bedreigende en kwetsende teksten. Daarnaast is verdachte ongevraagd naar de woning van [aangever 1] gegaan en heeft hij daar op de deur gebonkt en bedreigende en intimiderende teksten geroepen. De gedragingen van verdachte hebben een grote verstoring in het dagelijkse leven van [aangever 1] teweeggebracht.
De gedragingen van verdachte waren er duidelijk op gericht om [aangever 1] de ontvangst van de berichten en de gesprekken te laten dulden en om [aangever 1] vrees aan te jagen. Uit het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet naar voren gekomen dat verdachte de voicemail van [aangever 1] heeft ingesproken. De rechtbank zal hem van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.
Ten aanzien van feit 2:
[aangever 1] heeft verklaard dat ze op 6 april 2019 een e-mail ontving waarin verdachte haar (en haar ouders) de oorlog verklaarde. In de nacht van 6 op 7 april 2019 schrok ze wakker van een harde knal. Op de camerabeelden zag zij dat een persoon twee keer iets aanstak en de afgestoken dingen achter de auto van haar moeder gooide. Beide voorwerpen stonden in brand en explodeerden even later. [aangever 1] herkende de persoon op de camerabeelden als verdachte. Zij herkende hem aan zijn postuur, zijn loopje, de rand van zijn kapsel en aan de kleding die hij droeg.
De politie heeft de plaats van het delict onderzocht en heeft bevonden dat zeer waarschijnlijk twee explosies hebben plaatsgevonden, waarvan ten minste één mogelijk is veroorzaakt door een Cobra type 6.
Aangeefster [aangever 2] , de moeder van [aangever 1] , heeft verklaard dat zij in de ochtend van 8 april 2019 twee luide knallen hoorde. Bij het terugkijken van de camerabeelden van de oprit zag ze dat een voertuig voor haar woning stopte. Er stapte iemand uit die richting haar woning liep. Aan zijn kapsel, baard, loopje en houding wist [aangever 2] bijna zeker dat het om verdachte ging. Ze zag dat de man op de camera voorover bukte en er vonkjes bij zijn handen zichtbaar waren. Vervolgens zag [aangever 2] dat de man iets richting haar auto gooide en wegliep. Na ongeveer twee meter draaide hij zich weer om en gooide nog een voorwerp richting haar auto. Daarna zag ze dat naast haar auto veel rookontwikkeling was alsof daar iets in de fik stond. Enkele seconden later zag [aangever 2] de knallen die ze eerder hoorde.
Het dossier bevat een beschrijving van de camerabeelden van 8 april 2019 door een verbalisant. De verbalisant beschrijft dat te zien is dat een man diverse handelingen met zijn handen verrichtte en dat er vonken vanaf kwamen. Hij zag dat, toen het voorwerp brandde, de man deze richting de woning en auto gooide. Hij zag dat de man nog iets aanstak en dat er vonken vanaf kwamen. Hij zag dat de man weer iets in de richting van de woning gooide. Dit voorwerp kwam terecht naast het al eerder gegooide voorwerp. Vervolgens is er veel licht en flitsen te zien en het eindigt met een ontploffing en veel rook.
Getuige [getuige 1] , vriendin van [aangever 1] , heeft verklaard dat zij de beelden van de camerabeveiliging voor de deur heeft gezien en dat zij aan zijn loopje, houding, postuur, lichaamsbouw en lengte kon zien dat verdachte degene was die werkelijk twee vuurwerkbommen voor de deur gooide.
Getuige [getuige 2] heeft op 6 augustus 2019 bij de politie verklaard dat hij 3 à 4 maanden daarvoor in een bar op de Korenmarkt was. Hij was daar in zijn vrije tijd en het was op een zondag omdat hij op vrijdag en zaterdagnacht meestal werkt. Die zondag was [verdachte] er ook en die avond heeft getuige [getuige 2] [verdachte] met de auto weggebracht. Getuige [getuige 2] heeft later bij de rechter-commissaris bevestigend geantwoord op de vraag of hij verdachte in de nacht van 6 op 7 april 2019 in de auto heeft gehad nadat hij eerder die avond met hem in de kroeg had gezeten. Getuige heeft verdachte afgezet in Duiven in de wijk waar de straten zijn vernoemd naar edelstenen.
Verdachte ontkent degene te zijn geweest die op de camerabeelden te zien is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat gelet op de voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die op de beelden te zien is en dus degene die twee explosieven richting de woning ( [adres] ) en een voor die woning geparkeerde auto heeft gegooid. De rechtbank acht daarbij in de eerste plaats van belang dat [aangever 1] heeft verklaard dat verdachte haar en haar ouders kort voor het incident per e-mail ‘de oorlog heeft verklaard.’ Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan de herkenningen door aangeefsters [aangever 1] en [aangever 2] en getuige [getuige 1] . Zij hebben een specifieke omschrijving gegeven van de uiterlijke kenmerken van verdachte en herkenden hem ook aan zijn houding en loopje. Bovendien kenden zij verdachte goed, omdat [aangever 1] drie jaar een relatie met hem had. Daarnaast kan uit de verklaringen van getuige [getuige 2] worden afgeleid dat hij verdachte in de nacht van 7 op 8 april heeft afgezet in de edelstenenbuurt in Duiven. De rechtbank merkt daarbij op dat deze getuige het in zijn eerste verklaring bij de politie heeft over een zondag waarop hij met verdachte op de Korenmarkt in Arnhem was geweest, dat het zijn vrije dag was en dat hij op vrijdagen en zaterdagen werkt. 7 april 2019 was een zondag. Bij de rechter-commissaris wordt hem gevraagd of hij in de nacht van 6 op 7 april 2019 [verdachte] in de auto heeft gehad nadat hij eerder die avond met hem in de auto heeft gezeten, waarop de getuige bevestigend antwoordt. Gelet op zijn verklaring bij de politie, waarin de getuige specifiek beschrijft dat het een zondag en zijn vrije dag was, gaat de rechtbank er vanuit dat waar de getuige verklaart over de avond dat hij verdachte met zijn auto heeft afgezet in de wijk waarin de straten naar edelstenen zijn vernoemd, hij de nacht van 7 op 8 april 2019 bedoelt. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de vuurwerkbom richting de woning en de daarvoor geparkeerde auto van aangeefsters [aangever 1] en [aangever 2] heeft gegooid.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Verdachte heeft twee explosieven doen ontploffen nabij de woning van [aangever 1] en [aangever 2] . De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte naar hun aard en in de gegeven omstandigheden zijn aan te merken als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.
De rechtbank acht daarom feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak ten aanzien van feit 4:
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de woning en/of de auto van [aangever 2] is/zijn vernield. De aangifte van [aangever 2] vermeldt weliswaar dat de woning en de auto zijn beschadigd, maar deze beschadigingen worden niet nader gespecificeerd en er bevindt zich voor het overige in het dossier geen bewijs van deze beschadigingen (bijvoorbeeld door middel van foto’s). De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de onder 4 ten laste gelegde vernieling.
Ten aanzien van feit 3:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 184;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 192-193;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 224-225;
- ( aanvullend) proces-verbaal onderzoek wapen, p. 2;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2025.
Parketnummer 05/066736-21 :
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor het slaan met een glas.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en in dat kader aangevoerd dat alleen het geven van een klap tegen het hoofd kan worden bewezen en dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het slaan met een glas tegen het gezicht/hoofd en van het schoppen tegen het hoofd. Verder heeft de raadsman ten aanzien van het geven van de klap tegen het hoofd aangevoerd dat sprake is geweest van (putatief) noodweer, wat moet leiden tot vrijspraak dan wel afwezigheid van alle schuld. Verdachte heeft aangever tegen zijn hoofd geslagen, omdat hij dacht dat aangever met zijn hand naar de kolf van een vuurwapen greep.
Beoordeling van de rechtbank
Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2019 in de binnenstad van Arnhem was. Hij kwam daar verdachte tegen. Daar ontstond een woordenwisseling en een handgemeen. [aangever 3] viel op enig moment op de grond, het enige dat hij zich nog kan herinneren is dat verdachte zijn linkerhand uit stak en hem raakte tegen de linkerzijde van zijn hals.
De huisarts heeft vijf dagen later het volgende letsel bij [aangever 3] vastgesteld. Een snijwond rechts op het achterhoofd, een snijwond onder het linkeroog, een snijwond links op het hoofd, een bloeduitstorting op het linker ooglid uitgezakt naar onder het oog, een hersenschudding en een kneuzing in de nek.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op de taxiplaats stond bij de Korenmarkt in Arnhem. Hij zag twee jongens staan. Hij kent de ene jongen als [aangever 3] . De andere jongen heette [verdachte] . Getuige kent hem niet, maar hoorde een meisje hem zo noemen. [getuige 3] zag dat [verdachte] met zijn vuist [aangever 3] in het gezicht sloeg. [getuige 3] zag dat [aangever 3] en de jongen op de grond vielen. Hij zag dat [verdachte] vervolgens minimaal twee keer tegen het hoofd van [aangever 3] schopte.
Op de beelden van het Willemsplein is blijkens de beschrijving van de politie onder meer het volgende te zien. Vier personen stonden in een kring bij elkaar voor een klein terras. Persoon 1 bewoog zijn linkerarm met kracht en snelheid in een hoek naar achteren en met kracht naar boven en sloeg hierbij persoon 3 in zijn gezicht. Persoon 3 deinsde hierop achteruit en hield zijn armen voor zijn gezicht. Even later is zichtbaar dat persoon 1 zich omdraaide richting persoon 3, die op de grond lag, en een trappende beweging maakte naar persoon 3.
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn linkervuist krachtig de achterzijde van het rechteroor van [aangever 3] heeft geraakt.
Op grond van het dossier kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aangever met een glas heeft geslagen. De rechtbank zal hem van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [aangever 3] met kracht op het hoofd achter zijn oor heeft geslagen en meermalen tegen het hoofd heeft getrapt. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of deze handelingen van verdachte een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door [aangever 3] meermalen tegen zijn hoofd te trappen terwijl deze op de grond lag, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
(Putatief) noodweer
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte zichzelf mocht verdedigen. De vraag is vervolgens of verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van putatief noodweer indien geen sprake was van een – objectief vast te stellen – noodweersituatie, maar wel van een situatie waarin verdachte op objectieve gronden redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. Voor de beoordeling van putatief noodweer is een ‘enigszins geobjectiveerde waarneming’ van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor verdachte, maar ook voor de gemiddelde mens aannemelijk moet zijn geweest op grond van hetgeen ter plaatse op dat moment gebeurde.
Verdachte heeft verklaard dat hij ervan overtuigd was dat [aangever 3] een vuurwapen bij zich had, omdat [aangever 3] zijn hand achter zijn broeksriem stopte, waarbij hij een deel van een kolf zou hebben gezien en [aangever 3] bekend staat als iemand die in het bezit is van een vuurwapen. Daarbij zou [aangever 3] hebben gezegd tegen verdachte: ‘Bij deze leg ik jou een boete op.’ De rechtbank is van oordeel dat er objectief gezien geen sprake was van een situatie waarin verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen omdat hij verschoonbaar zich (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Uitgaande van de lezing van verdachte was er, mede gelet op de bewoordingen die [aangever 3] zou hebben gebruikt, geen situatie waarin hij in redelijkheid kon en mocht menen dat hij door [aangever 3] zou worden neergeschoten, maar van een situatie waarbij [aangever 3] hem wilde afpersen. Van putatief noodweer is daarom evenmin sprake.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling zoals primair ten laste is gelegd.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
onder parketnummer 05/100942-19:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 april 2019 te Duiven, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] , in elke geval van een ander met het oogmerk die [aangever 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers is en/of heeft verdachte toen en daar in voormelde periode op een of meer dag(en), meermalen, althans eenmaal-genoemde [aangever 1] (telkens) telefonisch (mobiel) benaderd door middel van zogenoemde spraakmemo's met daar in kwetsende en/of dreigende/intimiderende teksten en/of -genoemde [aangever 1] (telkens) benaderd door de voicemail (van de mobiele telefoon) in te spreken met bedreigende en/of intimiderende/kwetsende teksten (op de mobiele telefoon) en/of
-genoemde [aangever 1] benaderd door een of meer Whats App-berichten en/of e-mailtjes te sturen/verzenden met bedreigende en/of kwetsende teksten en/of-met zijn handen op de (voor)deur van het privéadres van die [aangever 1] gebonst/gebonkt en/of (daarbij) bedreigende/intimiderende en/of kwetsende teksten geschreeuwd/geroepen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 8 april 2019 te Duiven, in elk geval in Nederland, [aangever 1] en/of [aangever 2] (te weten de moeder van die [aangever 1] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, een vuurwerkbom, althans een explosief, aan te steken en/of (vervolgens) in de richting van de woning en/of een voor die woning geparkeerde auto te gooien werpen, waarna voornoemde vuurwerkbom(men), althans voornoemd explolie(f)ven, is/zijn ontploft in de onmiddellijke nabijheid van die woning en/of de voor de woning geparkeerde auto;
3.
hij op of omstreeks 26 april 2019 te Zevenaar, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1, te weten een revolver, type Magnum 357, kaliber .38, (met opdruk Zastava), zijnde een vuurwapen en/of munitie categorie III, te weten 4 (vier)(scherpe) patronen, type Hagel (3(drie) stuks) en/of type S&B (1(een) stuk), kaliber .38 en/of 11 (elf) (scherpe patronen, kaliber .38 special, merk Geco, voorhanden heeft gehad;
onder parketnummer 05/066736-21:
hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 3] één of meerdere malen- op/tegen het gezicht/hoofd (met een glas) heeft geslagen en/of- op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of heeft geschopt/getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
onder parketnummer 05/100942-19:
Ten aanzien van feit 1:
belaging;
Ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
Ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
onder parketnummer 05/066736-21, feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Gelet op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van putatief noodweer, komt verdachte evenmin een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld toe. Verdachte is strafbaar.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie in de zaak met parketnummer 05/100942-19 de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd in de vorm van een locatie- en contactverbod voor 5 jaren met 1 week hechtenis per overtreding. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in verband met de werking van artikel 63 Sr een gevangenisstraf van maximaal 12 maanden kan worden opgelegd. Verder is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. De feiten ten aanzien van zijn ex-partner, waaronder het gooien van explosieven richting de woning waar zij en haar moeder verbleven, hebben op haar maar ook op haar moeder een enorme impact gehad. Zij hebben hier tot op de dag van vandaag veel last van, zo komt naar voren in hun slachtofferverklaringen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het letsel relatief beperkt is gebleven is niet aan het handelen van verdachte te danken. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van 9 januari 2025 blijkt dat verdachte in 2023 onherroepelijk is veroordeeld voor druggerelateerde feiten. Hiervoor heeft hij een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 24 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. Vervolgens is verdachte in 2024 veroordeeld voor andere druggerelateerde feiten. Aan verdachte is toen een gevangenisstraf opgelegd van 9 jaar. Deze uitspraak is nog niet onherroepelijk. Artikel 63 Sr is hiermee van toepassing.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 21 juli 2019, opgemaakt door GZ-psycholoog W.J.P. Gaertner. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 18 juli 2019, 31 maart 2022 en 9 november 2023. Uit het Pro Justitia rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. Ten aanzien van de onder parketnummer 05/100942-19 tenlastegelegde feiten geeft de psycholoog de rechtbank in overweging het onder 3 tenlastegelegde feit volledig aan verdachte toe te rekenen en – zo begrijpt de rechtbank – de onder feit 1 tenlastegelegde handelingen in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Over de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten, die verdachte ontkent, doet de psycholoog geen uitspraak. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij als voorwaarde te stellen dat verdachte reclasseringstoezicht krijgt en zich ambulant laat behandelen in een forensische polikliniek. Dit om zijn emotieregulatie en impulscontrole te verbeteren en daarmee het recidiverisico, dat als hoog wordt ingeschat, te beperken. De reclassering heeft in haar meest recente advies een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangever 1] geadviseerd. Geconcludeerd wordt dat verdachte zijn leven (ten tijde van het opmaken van het rapport) goed georganiseerd heeft, dat hij inmiddels bij Kairos de behandeling “Stop relationeel geweld” positief heeft afgerond en sinds 2020 niet meer in beeld is gekomen met incidenten als de onderhavige. Het recidiverisico wordt nu ingeschat als laag.
De straf
De ernst van de gepleegde feiten en de grote impact daarvan op de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van substantiële duur.
De rechtbank houdt bij het bepalen van die duur in grotere mate dan de officier van justitie rekening met de forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte op 29 april 2019 in verzekering is gesteld in de oudste zaak die aan hem ten laste is gelegd. Vanaf deze datum kon verdachte naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu vonnis wordt gewezen op 13 maart 2025 betekent dit dat er 5 jaar en ruim 10 maanden zijn verstreken vanaf het moment dat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is op enig moment geschorst. Voor een niet-gedetineerde verdachte geldt dat de strafzaak binnen 2 jaar dient te zijn afgerond. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met ruim 3 jaar en 10 maanden.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde belaging.
Alles overziend acht de rechtbank de oplegging passend van een gevangenisstraf van 1 jaar, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.
Anders dan de verdediging heeft betoogd staat de wettelijke (samenloop)regeling van de strafoplegging (de artikelen 57 en 63 Sr) er niet aan in de weg om naast de in 2023 en 2024 opgelegde straffen nog een gevangenisstraf van voornoemde duur aan verdachte op te leggen voor de onderhavige feiten. “Het hoogste maximum” in de zin van artikel 57 lid 2 Sr betreft in dit geval het strafmaximum dat is gesteld op het in het vonnis van 31 mei 2024 sub 4 bewezenverklaarde feit (kort gezegd: het als leider deelnemen aan een criminele organisatie). Dit maximum bedraagt op grond van artikel 11b Opiumwet in samenhang met artikel 140 lid 3 en lid 4 Sr 128 maanden. Met het op grond van artikel 63 jo 57 Sr daarboven maximaal op te leggen derde deel van deze duur komt het totale strafmaximum op ruim 14 jaar en 2 maanden gevangenisstraf, terwijl de in 2023 en 2024 opgelegde gevangenisstraffen in totaal uitkomen op 11 jaar.
Oplegging van een voorwaardelijk strafdeel acht de rechtbank niet (meer) opportuun. De Pro Justitia rapportage dateert van ruim 5 jaar geleden, verdachte heeft inmiddels de geadviseerde behandeling bij Kairos afgerond en er is al geruime tijd geen sprake geweest van incidenten in de relationele sfeer.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor oplegging van een contact- en/of locatieverbod voor (de woning van) [aangever 1] . De feiten zijn gepleegd in 2019 en er zijn geen concrete aanwijzingen dat verdachte [aangever 1] sindsdien heeft bedreigd, belaagd of anderszins ongewenst benaderd.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Benadeelde partij [aangever 1]
Mevrouw [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 3.598,88, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.000,00 immateriële schade en € 598,88 aan proceskosten. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Smartengeld
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering smartengeld onvoldoende onderbouwd, nu onvoldoende onderbouwing is gegeven van het gestelde psychisch letsel en het rechtstreeks verband met het strafbare feit. De behandeling van de vordering smartengeld levert dan ook een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering, wijst de rechtbank de gevorderde proceskosten af.
Benadeelde partij [aangever 2]
Mevrouw [aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 3.228,72, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.138,84 materiële schade, € 500,00 immateriële schade en € 589,88 aan proceskosten. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Verdachte is vrijgesproken van de vernieling (feit 4 van parketnummer 05/100942-19). Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering worden verklaard.
Smartengeld
De vordering smartengeld is onvoldoende onderbouwd, nu geen onderbouwing is gegeven van het gestelde psychisch letsel en het rechtstreeks verband met het strafbare feit. De behandeling van de vordering smartengeld levert dan ook een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in de vorderingen, wijst de rechtbank de gevorderde proceskosten af.
Benadeelde partij [aangever 3]
De heer [aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag van € 2.385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 evenals het bedrag aan materiële schade van € 385,00 dat ziet op het eigen risico, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat sprake is van eigen schuld.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is de schadepost eigen risico onvoldoende onderbouwd. Het is zonder onderliggende stukken niet duidelijk of [aangever 3] - naast het bezoek aan de huisarts - ook het ziekenhuis heeft bezocht, daarvoor zorgkosten heeft gemaakt en dat uit hoofde van deze zorgkosten aanspraak is gemaakt op het eigen risico van de zorgverzekering van de benadeelde partij. Nadere bewijsvoering ter zake zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW valt.
Door de poging tot zware mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit, de aard en ernst van de gevolgen en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 750,00 vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meerdere afwijzen.
De rechtbank verwerpt het verweer dat deze schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW is geen sprake. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat uitsluitend de bewezenverklaarde gedraging van verdachte – te weten een poging tot zwaar lichamelijk letsel – heeft bijgedragen aan het ontstaan van het letsel. De rechtbank verwijst mede naar hetgeen hiervoor is overwegen met betrekking tot de verwerping van het putatief noodweer-verweer. Eigen schuld is daarom niet aan de orde.
Verdachte is vanaf 20 oktober 2019 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 57, 63, 285, 285b en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit (van parketnummer 05/100942-19);
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar);
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht;
De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
verklaart [aangever 1] en [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade en/of smartengeld;
wijst de vordering tot proceskosten van [aangever 1] en [aangever 2] af;
veroordeelt verdachte in verband met de bewezenverklaring tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 750,00 aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
wijst de vordering van [aangever 3] ten aanzien van de immateriële voor het meerdere af;
verklaart [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 3] , een bedrag te betalen van € 750,00 immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Mr. Jansen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.