ECLI:NL:RBGEL:2025:11946

ECLI:NL:RBGEL:2025:11946

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 25-07-2025
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 05-377481-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Zutphen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 65-jarige man tot een gevangenisstraf van twee jaar. De man is schuldig aan een poging tot doodslag van zijn ex-schoonzoon.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.377481.24

Datum uitspraak : 25 juli 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats] (Joegoslavië),

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) snij- en/of steekletsel(s) in de borststreek en/of een gebroken rib en/of een klaplong en/of een beschadiging van het longweefsel en/of een ontsierend litteken heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het (boven)lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord. De uitspraken van verdachte laten zien dat het ten laste gelegde plaatsvond in de sfeer van eigenrichting en daarin is voorbedachten rade gelegen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde partieel moet worden vrijgesproken van de voorbedachten rade. De eerder door verdachte gedane uitspraken kwamen voort uit radeloosheid maar geven geen blijk van enig voornemen om aangever van het leven te beroven.

Beoordeling door de rechtbank van het primair ten laste gelegde

Poging doodslag

Voor wat betreft het steken met het mes in de borstkas van aangever is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 180-182;

- de letselrapportage van de GGD Oost-Nederland, p. 189-196;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2025.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met het steken met het mes in de borstkas van aangever het voorwaardelijk opzet had om laatstgenoemde van het leven te beroven.

Deze gedraging is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op dat gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Contra-indicaties zijn gebleken noch aangevoerd.

Voorbedachte rade – partiële vrijspraak

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

De rechtbank stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier het volgende vast.

Verdachte is naar de woning van zijn dochter gekomen nadat zij hem had laten weten dat zij ruzie had met haar (ex-)vriend, zijnde aangever. In die avond hebben verdachte en/of zijn dochter meerdere malen met de politie gebeld vanwege deze ruzie. De politie is ook meermaals ter plaatste gekomen maar heeft aangever niet aangetroffen. In die communicatie met de politie heeft verdachte uitspraken gedaan die erop neer komen dat hij aangever zou neersteken als deze nog een keer in/bij de woning van zijn dochter zou komen.

Ook staat vast dat verdachte op enig moment, rond 02.30 uur in de nacht, alleen in de woning van zijn dochter is en dat aangever aan de deur van de woning verschijnt en deze opent met een sleutel. Verdachte verklaarde dat hij toen eerst heeft geprobeerd de deur weer dicht te duwen. Aangever wilde echter nog steeds naar binnen. Op enig moment is verdachte naar de woonkamer gelopen om een mes te pakken. Eenmaal weer terug bij aangever heeft verdachte de aangever eenmaal bovenhands gestoken in de borststreek. Deze lezing vindt steun in de verklaring van aangever, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris.

Op grond van deze gebeurtenissen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de confrontatie met aangever niet zelf heeft opgezocht.

Aangever is naar de woning toegegaan waar verdachte op dat moment verbleef en hoewel het gelet op de gebeurtenissen van die avond wellicht in de verwachting lag, kon verdachte niet zeker weten dat aangever naar die woning toe zou komen.

Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte ongewapend was op het moment dat aangever probeerde om de woning te betreden. Verdachte probeerde in eerste instantie de deur dicht te duwen en aangever te beletten om de woning te betreden. Daarna is hij een kort moment weggeweest om het mes te pakken. Verdachte stond dus niet klaar bij de deur met een mes, maar is deze later gaan halen. In dit handelen van verdachte ziet de rechtbank geen voorgenomen besluit, uitvoering van een plan en een kalm beraad en rustig overleg of een voornemen om aangever die avond van het leven te beroven. Het pas later halen van het mes, is naar het oordeel van de rechtbank tevens een contra-indicatie.

Dat verdachte aan de politie te kennen gaf dat hij aangever zou neersteken als deze weer bij de woning zou komen, maakt dit oordeel niet anders. Gezien het dossier en de voorgeschiedenis van de relatie tussen de verschillende betrokkenen, ziet de rechtbank deze uitingen als de uitingen van een radeloze vader die niet weet wat hij moet doen om zijn dochter te beschermen. De meldkamergesprekken laten namelijk ook zien dat verdachte op enig moment weer kalmeert en tegen de centralist zegt dat hij zal wachten op de politie.

Gezien het voornoemde concludeert de rechtbank dat het besluit en de uitvoering in een plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden en dat er sprake is geweest van een zeer korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering. De rechtbank ziet hierin dusdanig zwaarwegende contra-indicaties dat zij van oordeel is dat geen sprake is geweest van voorbedachten rade.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 26 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

5. De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk was. Voor de beoordeling moet aangesloten worden bij de verklaring van verdachte dat aangever niet in de woning mocht komen, dat verdachte ervan uitging dat aangever een mes bij zich had en dat verdachte in de woning was vanwege de situatie waarin zijn dochter zich bevond, niet omdat hij daar zelf voor had gekozen. Eenmaal binnen in de gang viel aangever verdachte aan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer moet worden verworpen nu het handelen van verdachte aanvallend was en niet verdedigend.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Deze verdediging mag voorts de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over wat er precies bij de deur is gebeurd toen aangever de woning probeerde binnen te komen, de wijze waarop het steekincident vervolgens heeft plaatsgevonden en de reden waarom hij überhaupt in de woning van zijn dochter was.

Met betrekking tot de reden waarom hij in de woning was heeft verdachte ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij in de woning moest zijn om op de hond van zijn dochter te passen totdat deze zou worden opgehaald door een buurman. Hij was van plan de woning daarna te verlaten. Deze lezing wordt echter niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. De buurman heeft enkel verklaard dat de dochter van verdachte die nacht bij hem was en dat ze op een gegeven moment terug gingen naar haar woning. Het dossier bevat berichten van de dochter aan de buurman waarin zij hem vroeg om iets te roken. Zij heeft zelf ook verklaard dat zij naar die buurman ging om iets te roken. Dat zij hem had gevraagd voor haar hond te zorgen, blijkt nergens uit. Eerder had verdachte verklaard dat hij geen slaapplek had die nacht en dat hij daarom met de hond in de woning van zijn dochter wilde blijven slapen.

De rechtbank gaat dan ook niet uit van de verklaring van verdachte.

Naar aanleiding van de vraag wat er precies bij de deur is gebeurd toen aangever met de sleutel binnenkwam, heeft verdachte verklaard dat hij door aangever werd aangevallen en het mes slechts heeft gebruikt ter verdediging.

De rechtbank stelt vast dat alleen aangever en verdachte weten wat er daadwerkelijk bij de deur heeft plaatsgevonden. Volgens verdachte werd hij door aangever aangevallen en andersom heeft aangever over verdachte verklaard dat hij door hem werd aangevallen.

Enerzijds blijkt uit het dossier dat verdachte die avond meermalen uitlatingen heeft gedaan dat hij aangever zou gaan steken indien hij bij de woning van zijn dochter zou komen en hij tegen het uitdrukkelijke advies van de politie in om de woning te verlaten, dat niet heeft gedaan. Anderzijds blijkt uit het dossier dat er die avond voorafgaand aan de confrontatie tussen verdachte en aangever bij de deur, ruzie was geweest en aangever desondanks probeerde de woning met een sleutel te betreden.

In laatstgenoemde omstandigheid ziet de rechtbank echter nog geen ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval. Dat aangever officieel niet in de woning mocht komen gezien het contact- en locatieverbod, doet hier niet aan af nu het dossier laat zien dat partijen, ondanks dit verbod, gewoon contact met elkaar hadden en aangever eerder die avond (op uitnodiging van de dochter van verdachte) samen met verdachte en zijn dochter in de woning is geweest zonder dat er aanvankelijk ruzie was.

Alle afwegend is de rechtbank van oordeel dat bij voornoemde stand van zaken niet kan worden gesteld dat aannemelijk is geworden dat verdachte bij de deur door aangever werd aangevallen en aldus sprake was van een noodweersituatie.

Het beroep op noodweer wordt gelet hierop dan ook verworpen.

Het feit is aldus strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft tevens een beroep gedaan op noodweerexces.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een beroep op noodweerexces niet kan slagen omdat er geen noodweersituatie aanwezig was.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit blijkt dat sprake was van een noodweersituatie. Reeds hierom wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen. Verdachte is daarom strafbaar.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van zes jaren. Daarnaast verzoekt de officier van justitie een contactverbod met het slachtoffer op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van drie jaren, met één week vervangende hechtenis voor iedere overtreding en de officier verzoekt dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om een substantieel lagere straf op te leggen aan verdachte dan de officier van justitie eist, in verband met de feiten en omstandigheden. Volgens de raadsman gaat het hier om een wanhopige vader die zijn dochter wilde beschermen. Daarnaast is verdachte een oudere man met een kwetsbare gezondheid en heeft hij geen relevante strafrechtelijke documentatie. De raadsman verzet zich niet tegen de oplegging van een contactverbod, nu verdachte zelf ook geen contact wenst te hebben met aangever. De raadsman heeft verder om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de ex-vriend van zijn dochter met een mes in de borstkas te steken. Daarbij heeft het slachtoffer fors en meervoudig letsel opgelopen aan zijn longen, een gebroken rib en was sprake van aanzienlijk bloedverlies. Indien er niet medisch was ingegrepen, was het slachtoffer mogelijk overleden. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting bij de schadevergoedingsvordering blijkt dat hij door het handelen van verdachte niet alleen een fors ontsierend litteken heeft opgelopen, maar ook dat er sprake is van traumaklachten, slaapproblematiek en gevoelens van angst.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 februari 2025. Hieruit volgt dat er bij verdachte geen sprake lijkt te zijn van problemen met agressieregulatie in algemene zin, aangezien het al meer dan 10 jaar geleden is dat hij voor het laatst wegens een geweldsdelict werd veroordeeld. Het risico op een geweldsdelict buiten de context van de problematische relatie tussen zijn dochter en aangever, wordt om die reden als gering ingeschat. Daarnaast neemt verdachte geen verantwoordelijkheid voor het gepleegde delict, maar zoekt hij de oorzaken buiten zichzelf. Om die reden ziet de reclassering geen mogelijkheden om tot gedragsverandering te komen. De reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt dit advies over.

Gelet op de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, mede omdat er geen sprake is van voorbedachten rade.

Daarnaast spelen de omstandigheden van het geval een grote rol. De rechtbank heeft bij de straf in aanzienlijke mate rekening gehouden met de lange voorgeschiedenis van deze zaak die wordt gekenmerkt door een langdurige, problematische knipperlichtrelatie tussen de dochter van verdachte en aangever. Uit het dossier komt naar voren dat door aangever geweld jegens de dochter van verdachte werd gebruikt en de rechtbank heeft vastgesteld dat aangever wegens mishandeling van de dochter van verdachte is veroordeeld. Het is de rechtbank duidelijk dat verdachte een radeloze vader is, die van mening was dat hij zijn dochter moest beschermen. Hij is in zijn gedrag echter veel te ver gegaan.

Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opleggen. Gelet op deze straf zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een contactverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, nu het volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk is dat verdachte wederom strafbare feiten zal plegen of zich belastend zal gedragen richting aangever. Om die reden bestaat er geen noodzaak om een dergelijke maatregel aan verdachte op te leggen.

8. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 893,88 aan materiële schade en € 8.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Met het oog op een mogelijk hoger beroep en eventuele toekomstige schade, vordert de benadeelde partij nog nader te onderbouwen schade ter hoogte van € 5.000,00. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier kan de vordering ten aanzien van de beschadigde kleding, de daggeldvergoeding en de immateriële schadevergoeding worden toegewezen nu deze goed is onderbouwd. De vordering kan daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 8.893,88.

Voor het overige deel, namelijk € 5.000,00 aan toekomstige schade, heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu er sprake is van een hoge mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij. De raadsman voert in dit kader aan dat benadeelde een contact- en locatieverbod heeft overtreden en dat verdachte voortdurend moest ingrijpen om zijn dochter te beschermen tegen de benadeelde die de bewuste avond niet in de desbetreffende woning had mogen zijn. Deze omstandigheid is aan de benadeelde partij toe te rekenen en om die reden dient de vordering te worden afgewezen.

Overweging van de rechtbank

Eigen schuld

Uit hetgeen de rechtbank onder 5 heeft overwogen, volgt niet dat de benadeelde partij als eerste de aanval heeft ingezet, dan wel de confrontatie met verdachte heeft opgezocht. Hij kwam op het bewuste moment in een woning waar hij eerder die avond op verzoek van de dochter van verdachte, ook al had verbleven. De rechtbank gaat dan ook niet uit van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Hij heeft niet zelf bijgedragen aan het schade toebrengende feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schade op deze grond te matigen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De materiële schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de beschadigde kleding en de daggeldvergoeding tot een hoogte van € 893,88 kan worden toegewezen.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de poging doodslag heeft de benadeelde immers diverse lichamelijke verwondingen opgelopen, waaronder een gebroken rib, een complexe klaplong en een longlaceratie. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Hiervoor bestond geen rechtvaardiging. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 5.000,00 vaststellen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank overweegt hierbij dat de vordering voor zover deze ziet op toekomstige schade niet toewijsbaar is nu deze niet nader is onderbouwd.

Verdachte is vanaf 26 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld en de vordering toekomstige schade;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. S.P.H. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2025.

Mr. Rietveld is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Mr. Brinkman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Rietveld
  • mr. S.P.H. Brinkman

Griffier

  • mr. M.C.N. Witteveen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?