uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2025
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 augustus 2021.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en bijbehorende beschikkingen heffings- en belastingrente en boetebeschikkingen opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De inspecteur heeft voor een aantal op deze zaken betrekking hebbende stukken (ten aanzien van de weggelakte delen in deze stukken) verzoeken gedaan tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij beslissingen van 13 maart 2023 en 29 januari 2024 de verzoeken grotendeels toegewezen. Belanghebbende heeft geen toestemming gegeven om de weggelakte delen te gebruiken bij de beoordeling van zijn beroep.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 18 september 2024. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een wrakingsverzoek ingediend. De zitting van 18 september 2024 is daarop uitgesteld. Bij beslissing van 14 oktober 2024 heeft de meervoudige wrakingskamer het wrakingsverzoek afgewezen.
Bij brief van 12 maart 2025 heeft belanghebbende medegedeeld dat [gemachtigde] niet meer als gemachtigde van belanghebbende zal optreden.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Belanghebbende is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van de partner van belanghebbende (zaken 23/4972 tot en met 21/4976).
Feiten
1. Belanghebbende woonde in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland en is de fiscaal partner van [partner] (de partner).
2. Tot 2008 dreef de partner een onderneming in IT-consultancydiensten. In 2008 is de onderneming gestaakt. Belanghebbende dreef eveneens een onderneming die in 2008 is gestaakt.
3. Belanghebbende en de partner hebben gebruik gemaakt van een fiscaal product dat Succes by Sharing (SBS) wordt genoemd. Daartoe is een bedrijvenstructuur opgezet die in de loop van de tijd is gewijzigd. De fiscaal adviseurs met betrekking tot het product zijn [fiscaal adviseur 1] ([fiscaal adviseur 1]) en [fiscaal adviseur 2] ([fiscaal adviseur 2]).
4. In het kader van de fiscale structuur hebben diverse e-mailwisselingen plaatsgevonden. In een e-mail van 29 oktober 2010 met als onderwerp ‘Request #71293] 50271 ([partner]) - Request for Dividend’ heeft [persoon D] aan [fiscaal adviseur 1] het volgende geschreven:
Dear [fiscaal adviseur 1]/[fiscaal adviseur 2]
[partner] has asked me to give you more details on the history of this client and what
he has been doing.
In the past, the client distributed to [bedrijf 1/werkmaatschappij]. 100,000
on 1 October 2008 and 12,000 on 15 February 2009 - this money was not round
tripped through the foundation but [partner] took a loan from [holding 1]
, the offshore investment holding company above the holding management
company at the time (i.e. before the company was transferred to [bedrijf 2]
). On migrating to [bedrijf 2], the offshore
investment holding company was discontinued and the loan was waived.
Best regards
[persoon D]
[bedrijf 3]
5. De partner heeft in oktober 2010 met [fiscaal adviseur 1] via e-mail gecommuniceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
E-mail 5 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1]
“(…) De reden van de schenking is het aflossen van de rekening-courantschuld die je hebt
opgebouwd bij de werkmaatschappij in Nederland. Jouw accountant heeft je geadviseerd
om deze schuld in te lossen, omdat de fiscus mogelijk problemen gaat maken en deze schuld aan de werkmaatschappij gaat aanmerken als loon (dividend kan niet, aangezien je geen aanmerkelijk belang aandeelhouder bent).
lk wil je er op wijzen dat een schenking op deze wijze ( het geld verlaat de werkmaatschappij om het er vervolgens binnen korte tijd er weer in te storten ter aflossing van een consumptieve schuld) eveneens kan resulteren in de stelling van de fiscus dat er sprake is van loon in plaats van een schenking. Gezien het hoge consumptieniveau is het
salaris dan kennelijk te laag geweest. In dat geval is de fiscale verdediging niet kosteloos.
(…)
Ik adviseer je met klem dit niet meer te doen, aangezien dan de kans aanwezig is dat (zoals ik al zei) de fiscus de schenking ofwel als periodieke uitkering gaat aanmerken, ofwel als loon.
(…)
In de tussentijd dien je de gelden als dividend van [holding 2]
naar [bedrijf 1/werkmaatschappij] (Cyprus) over te boeken, zodat aldaar op de
bankrekening voldoende financiele reserves aanwezig zijn om een schenking te kunnen
doen. (…)”
E-mail 6 oktober van de partner
“(…) 2) lk zou van jou (of [bedrijf 4] ) een duidelijk ja of nee advies willen krijgen. Zoals:
- Als je deze transactie inzet, dan heeft de fiscus voldoende gronden deze schenking als loon aan te merk en indien de gift ook tevens direct wordt gestort op de rekening van de werkmaatschappij ter aflossing priveschuld.
(…)
Voor alle duidelijkheid, will ik geen risco lopen om loonbelasting te moeten betalen op deze 100k. We moeten ook wel snel schakelen. lk wil voor eind van het jaar de prive schuld aan de NL werkmaatschappij hebben weggewerkt. De schuld moet niet meer in het jaarverslag van 2010 opgenomen zijn, anders gaat de fiscus daarover buigen... (…)”
e-mail van 7 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1]
“(…) Je weet van tevoren nooit precies welk standpunt de fiscus in gaat nemen. Om de kans dat de fiscus de schenking als loon aanmerkt zo klein mogelijk te maken wil ik het volgende adviseren.
1. Los met de € 100.000 van jouw privé rekening de schuld aan de vennootschap af, voor het einde van het jaar.
2. Keer nu het dividend uit aan de holdingvennootschap op Cyprus en laat het aldaar minimaal een jaar staan.
3. Verzoek begin 2011 om een schenking
4. Neem in de tussentijd geen lening op bij de vennootschap in Nederland
[bedrijf 4] zal in dat geval de fiscale verdediging kosteloos op zich nemen
dat de schenking geen loon is en geen dividenduitkering. (…)”
E-mail van 11 oktober 2010 van [fiscaal adviseur 1]
“(…) Om op safe te gaan heb ik je dus mijn voorstel toegezonden. Geniet voldoende salaris om te consumeren en gebruik te overwinst om te sparen en in de toekomst als een schenking te genieten. Daarvoor is de structuur bedoeld. (…)”
6. In het dossier bevindt zich ook het volgende stuk:
[fiscaal adviseur 1],
I' l give you a call to explain what we have decided. I know we having been jumping around on this but we have taken a decision, which is different from my earlier mails.
1) Based on you mail below, we would like to make a interim dividend of 175k to [bedrijf 1/werkmaatschappij] (cyprus) from [holding 2].
2) we would like to receive this back as a loan with following terms 6% interest , to pay at end of each year 30 year pay back period ( once at the end)
Due to the banking crisis we want to make sure the loan is directly paid to our NL private
account after the interim payment has been received by [bedrijf 1/werkmaatschappij].
There all paper work/ signoffs must have been prepared before hand so bank transactions can be done immediately. This way the money is only in the in " transfer mode" between Cyprus and private bank 4- 8 days.
Regards,
[persoon C]
De structuur
7. Op [datum] is [holding 2] (de holding) opgericht. De holding is gevestigd in Nederland. Aandeelhouder van de holding bij oprichting is de partner. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de holding.
8. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij] (de werkmaatschappij) opgericht. Aandeelhouder van de werkmaatschappij is de holding. Belanghebbende en de partner zijn bestuurder van de werkmaatschappij. Belanghebbende en de partner hebben beiden een arbeidsovereenkomst gesloten met de werkmaatschappij.
9. De werkmaatschappij en de holding zitten vanaf [datum] in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
10. Op [datum] is [bedrijf 1/werkmaatschappij]. ([bedrijf 1/werkmaatschappij]) opgericht. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus. Aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] is [holding 1] ([holding 1]), een entiteit opgericht naar het recht van de Seychellen. Op [datum] zijn de aandelen van de holding overgedragen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij]. Aandeelhouder van [holding 1] is [stichting].
11. In het dossier bevindt zich een factuuroverzicht met datum 22 september 2009 en het opschrift ‘Amounts due for structure 628’. Op het factuuroverzicht is het volgende vermeld:
<
Ook van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] zijn facturen uitgereikt in verband met de fiscale structuur. De facturen zijn gericht aan de partner.
12. In een memorandum van SBS getiteld ‘Uitgangspunten nieuwe structuur [partner]’ is een wijziging van de structuur opgenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee vennootschappen: [bedrijf 2] en [bedrijf 7], beide gevestigd in Dubai. In het memorandum is beschreven dat de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] worden overgedragen aan de collectieve holdingvennootschap te Cyprus, genaamd [bedrijf 2] en dat de partner hiertegenover een klein percentage aandelen in de collectieve holdingvennootschap in Dubai ontvangt. Daarbij is vermeld dat het aandeel minder dan 5% is, zodat de partner geen aanmerkelijk belanghouder is. In het memorandum is ook het volgende vermeld:
“(…) U kunt bij [bedrijf 7] te Dubai een zogenaamde Letter of Wishes (wensenbrief) indienen. Op basis van de Letter of Wishes heeft u de blote verwachting dat u de door u verlangde schenkingen (die in relatie staan met de dividenden die uit [bedrijf 1/werkmaatschappij] voortkomen) aan u worden uitgekeerd. U heeft echter geen juridisch afdwingbaar recht op de schenkingen. (…)”
13. Op 14 december 2009 heeft de bestuursvergadering van [bedrijf 7]. besloten vijf aandelen aan de partner uit te reiken en zijn Letter of Wishes te accepteren. Op 14 december 2009 zijn twee certificates of membership afgegeven voor de aandelen (nr. 37 en nr. 39).
14. Op 14 december 2009 heeft de partner ook een letter of engagement, een letter of indemnification, een declaration of intent en een service agreement ondertekend. De letter of engagement en de service agreement betreffen overeenkomsten tussen de partner en [bedrijf 3]. Namens deze laatste heeft [fiscaal adviseur 1] ondertekend. De partner is in al deze documenten als ultimate beneficial owner (van [bedrijf 1/werkmaatschappij]) aangeduid.
14. De partner heeft op 18 december 2009 een letter of wishes gericht aan [bedrijf 7]. ondertekend. In deze letter of wishes is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) 1. As long as I live, I wish to be the only beneficiary of the eventual gifts, done by the board of directors of [bedrijf 7] and related to 100% of the profits realised by [bedrijf 1/werkmaatschappij]. (…)”
16. Volgens het ‘register of members’ van [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn de aandelen op 13 april 2010 overgedragen door [holding 1] aan [bedrijf 2]. Op 17 februari 2011 heeft [bedrijf 2] de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij] overgedragen aan [bedrijf 8].
17. Op 21 september 2011 heeft [bedrijf 8] een 'declaration of benefit' uitgegeven. Hierin is vermeld dat de partner de beneficial owner is van de aandelen in [bedrijf 1/werkmaatschappij]. Tevens is in het document onder meer het volgende vermeld:
“(…) The Company expressly declares it (in-) directly holds the Shares and all its ownership powers and prerogatives. Any dividends and any other benefits arising in respect of the Shares of the Subsidiary shall be paid and/or exercised for the benefit of the above named Beneficial Owner(s) which may from time to time be added or changed by means of a Letter of Wishes. (…)”
Dividenduitkeringen
18. In een op 1 oktober 2008 gedateerde "Written resolution of the board of directors" van [holding 2], is besloten tot een interim dividend van € 1.000 per aandeel per 1 oktober 2008 (in totaal € 100.000).
19. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de werkmaatschappij van 16 november 2011 heeft de werkmaatschappij een interim dividend van € 200.000 toegekend aan de holding. Volgens de notulen van een bestuursvergadering van de holding van 16 november 2011 heeft de holding een interim dividend van € 200.000 toegekend aan [bedrijf 1/werkmaatschappij].
20. In notulen van een aandeelhoudersvergadering van de holding van 10 maart 2011, 23 februari 2012 en 20 februari 2013 zijn de jaarverslagen van respectievelijk 2010, 2011 en 2012 goedgekeurd. Hierin zijn de volgende bedragen vermeld:
Winst Winstreserves
2010 € 147.880 € 310.534
2011 € 145.388 € 255.922
2012 € 140.534 € 196.456
In de notulen van 23 februari 2012 en 20 februari 2013 is ook vermeld dat € 200.000 aan dividend in aanmerking is genomen.
Leningsovereenkomsten
21. In het dossier bevinden zich diverse leningsovereenkomsten waarbij de partner als lener is aangeduid en [holding 1] en [bedrijf 1/werkmaatschappij] als geldschieter zijn aangemerkt. Het gaat om een leningsovereenkomst met [holding 1] van 6 oktober 2008 voor een bedrag van € 100.000 en leningsovereenkomsten met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 1 december 2011 en 4 september 2012 voor bedragen van € 200.000. Deze leningsovereenkomsten zijn vervangen voor een leningsovereenkomst van 10 oktober 2012. Er is ook een leningsovereenkomst met [bedrijf 1/werkmaatschappij] van 25 oktober 2013 voor een bedrag van € 150.000.
22. Op 2 december 2013 heeft de partner [bedrijf 7]. verzocht om een schenking van € 700.400. Daarbij is verzocht een deel daarvan betrekking te laten hebben op de kwijtschelding van de aangegane leningen en een schenking van € 150.400. Bij beslissing van het bestuur van 30 december 2013 is dit verzoek goedgekeurd.
Geldstromen
23. Op grond van de inspecteur ter beschikking staande bankafschriften, heeft de inspecteur de volgende geldstromen vastgesteld.
24. De holding heeft de volgende bedragen overgemaakt naar een bankrekening van [bedrijf 1/werkmaatschappij]:
6 oktober 2008 € 35.000
7 oktober 2008 € 37.000
12 februari 2009 € 40.000
9 december 2011 € 200.000
25. [holding 1] heeft op 10 maart 2009 een bedrag van € 37.000 overgemaakt naar de privébankrekening van de partner. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening.
26. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft de volgende bedragen overgemaakt naar de privébankrekening van de partner. Daarbij is vermeld dat het zou gaan om een lening:
12 december 2011 € 200.000
24 juli 2012 € 50.000
11 september 2012 € 50.000
17 september 2012 € 50.000
20 november 2012 € 50.000
De aangiften IB/PVV en het onderzoek van de inspecteur
27. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012. Op verzoek van [bedrijf 9] is voor elk jaar dertien maanden becon-uitstel verleend. Belanghebbende heeft de volgende bedragen aangegeven:
28. De partner heeft de volgende bedragen aangegeven:
29. De inspecteur heeft definitieve aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd overeenkomstig de aangiften met de volgende dagtekeningen:
30. De adviseur van de holding heeft op 5 januari 2016 contact gehad met de inspecteur over de holding. Daarbij gaf de adviseur aan dat hij geen inzicht had in de structuur en niet wist wie de uiteindelijke gerechtigde was. Naar aanleiding van dit contact is de inspecteur een intern onderzoek gestart. Daaruit kwam naar voren dat de holding onderdeel was van een structuur die was afgenomen bij [bedrijf 5]. De inspecteur heeft vervolgens diverse onderzoekshandelingen verricht.
31. Op 22 november 2016 heeft de inspecteur informatiebeschikkingen aan belanghebbende en de partner opgelegd. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner (tijdig) bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de informatiebeschikkingen ongegrond verklaard. Hiertegen hebben belanghebbende en de partner beroep ingesteld. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in die zaken op 12 oktober 2022 uitspraak gedaan. De beroepen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat voor die jaren reeds navorderingsaanslagen waren opgelegd. Het beroep met betrekking tot het jaar 2010 is gegrond verklaard en de informatiebeschikking is gewijzigd. Op 18 december 2024 heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de hoger beroepen ongegrond verklaard.
32. Bij brieven van 16 september 2019 en 4 mei 2020 heeft de inspecteur aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen aan belanghebbende en de partner voor de jaren 2008 tot en met 2012. Bij brieven van 19 mei 2020 en 12 oktober 2020 heeft de inspecteur mededeling gedaan van de op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor deze jaren. In deze brieven zijn de correcties vermeld waarvoor de inspecteur de navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Het gaat om vier soorten correcties:
De berekeningen van de correcties met betrekking tot de privé-uitgaven en de uitdelingen hebben enige wijzigingen ondergaan, maar zijn uiteindelijk als volgt vastgesteld.
33. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de werkmaatschappij uitgaven zijn gedaan die betrekking hebben op de privésfeer. Het gaat om bedragen van € 28.506 (2010), € 52.577 (2011) en € 60.422 (2012). De inspecteur heeft deze bedragen aangemerkt als loon van belanghebbende en de partner en een verdeelsleutel toegepast. De verdeelsleutel is gebaseerd op het uurtarief van belanghebbende en zijn partner, waarbij hij het uurtarief van belanghebbende heeft gedeeld door de uurtarieven gezamenlijk. De inspecteur is daarbij op de volgende correcties gekomen:
34. De inspecteur heeft zich ook op het standpunt gesteld dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividend is uitgekeerd van € 100.000 (2008), € 12.000 (2009), € 200.000 (2011) en € 200.000 (2012). De inspecteur heeft de dividenduitkeringen als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang aangemerkt en bij belanghebbende en de partner de helft van de dividenduitkering in aanmerking genomen.
35. De navorderingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010) en naar de volgende bedragen:
36. De inspecteur heeft de boeten vastgesteld op 100% van de nagevorderde belasting.
Beoordeling door de rechtbank
Rechtsmacht van de rechtbank
37. Belanghebbende heeft zich in het nader stuk van 17 januari 2025 afgevraagd of de rechtbank bevoegd is om bevelen op te leggen binnen de rechtsorde van [plaats 1] aangezien de rechtsmacht van de rechtbank is beperkt tot Nederland dan wel het Koninkrijk.
38. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
39. De bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen, de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boeten welke ingevolge de belastingwet kunnen worden vastgesteld of opgelegd. Inkomstenbelasting wordt onder meer geheven van natuurlijke personen die in Nederland wonen (de binnenlands belastingplichtigen). Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. De over een kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting is het gezamenlijke bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op deze belastbare inkomens. Deze inkomstenbelasting wordt geheven bij wijze van aanslag. De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. Indien een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan kan de inspecteur onder voorwaarden navorderen door een navorderingsaanslag vast te stellen. De inspecteur stelt een aanslag of navorderingsaanslag vast door het opmaken van een aanslagbiljet. De inspecteur stelt het aanslagbiljet vervolgens ter hand aan de ontvanger. De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Degene aan wie een aanslag of navorderingsaanslag is opgelegd, kan daartegen beroep instellen bij de belastingrechter, in eerste aanleg bij de rechtbank. Als het gaat om rijksbelastingen, dan zijn vijf rechtbanken bevoegd het beroep te behandelen, waaronder deze rechtbank.
40. Het staat vast dat belanghebbende en de partner in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland woonachtig waren en zij zijn dus voor die periode binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende en de partner hebben voor deze jaren aangiften IB/PVV ingediend en de inspecteur heeft naar aanleiding daarvan aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vastgesteld. Daarna heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld en de navorderingsaanslagen voor deze jaren vastgesteld. Na daartegen bezwaar te hebben gemaakt, zijn belanghebbende en de partner in beroep gekomen. Omdat belanghebbende en de partner niet (meer) in Nederland wonen en zij ressorteren onder de Belastingdienst/kantoor Utrecht, is deze rechtbank bevoegd de zaak te behandelen. De rechtbank zal daarbij een oordeel geven of de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Indien belanghebbende en de partner met de door hen opgeworpen vraag hebben bedoeld dat zij geen oordeel van de rechtbank wensen over de navorderingsaanslagen, dan staat het hen vrij om de beroepen in te trekken. Intrekking van de beroepen zou overigens met zich brengen dat de navorderingsaanslagen onherroepelijk komen vast te staan. De ontvanger kan dan overgaan tot invordering met inachtneming van de waarborgen die het (internationale) recht daarvoor biedt. Belanghebbende en de partner hebben de beroepen echter niet met zoveel woorden ingetrokken en de rechtbank zal het nader stuk van 17 januari 2025 ook niet als zodanig opvatten.
Het geschil
41. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en rente- en boetebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
42. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:
43. De rechtbank komt tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld, maar dat de boeten moeten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
44. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De door belanghebbende genoemde stukken zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken.
45. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De inspecteur heeft in de zaak van belanghebbende 268 bijlagen overgelegd. Deze bijlagen bevatten veelal meerdere documenten, soms tot duizenden pagina’s per bijlage. De stukken waar belanghebbende in het nader stuk van 4 maart 2025 naar verwijst zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het gaat om stukken die betrekking hebben op de vennootschappen en die niet relevant zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. Hetzelfde geldt voor een e-mail die is verkregen in het kader van een WOO-procedure, waarbij in die procedure delen zijn weggelakt. Voor het overige heeft belanghebbende geen concrete stukken benoemd en is niet aannemelijk gemaakt dat stukken ontbreken.
Rechtmatigheid van het verkregen bewijs
46. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bewijsmateriaal onrechtmatig heeft verkregen, omdat na ontbinding van de werkmaatschappij en de holding geen verplichtingen kunnen worden opgelegd aan deze vennootschappen zolang de vereffening niet is heropend en de inspecteur desondanks na ontbinding op grond van artikel 47 van de AWR informatie bij deze vennootschappen heeft opgevraagd.
47. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
48. Belanghebbende stelt op zich terecht dat aan een lichaam dat is opgehouden te bestaan geen verplichtingen kunnen worden opgelegd en geen informatiebeschikkingen kunnen worden afgegeven. Maar dit brengt niet met zich dat de informatie die de inspecteur heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek om informatie aan een voormalig bestuurder van een vennootschap die opgehouden is te bestaan, zonder meer onrechtmatig is verkregen en als bewijs moet worden uitgesloten.
49. De inspecteur heeft de partner bij e-mail van 31 maart 2016 benaderd voor een boekenonderzoek in Nederland bij [holding 2] en
[bedrijf 1/werkmaatschappij]. Bij e-mail van 1 april 2016 heeft de partner gemeld dat het boekenonderzoek kan worden uitgevoerd op het kantoor van de accountant in [plaats 2]. Op 9 mei 2016, 23 augustus 2016 en 21 augustus 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de inspecteur en de accountant. De informatie die hierbij door de accountant is overgelegd acht de rechtbank niet onrechtmatig verkregen. De voormalig bestuurder van de vennootschappen heeft immers verwezen naar de accountant voor het uitvoeren van het boekenonderzoek.
50. In een e-mail van 9 augustus 2016 heeft de partner de inspecteur erop gewezen dat de vennootschappen eind 2013 zijn opgeheven. De inspecteur heeft in de communicatie daarna echter wel volhard in zijn verzoeken om informatie en daarbij ook nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een informatiebeschikking op te leggen. De partner heeft bij brief van 29 augustus 2016, bij e-mail van 16 september 2016 en bij brief van 29 september 2016 nadere informatie verstrekt. In het licht van latere rechtspraak van de Hoge Raad is de handelwijze van de inspecteur in zoverre onjuist, omdat aan een opgeheven rechtspersoon geen informatieverplichtingen kunnen worden opgelegd. Dat is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verstrekte informatie als bewijs moet worden uitgesloten. Daar komt bij dat belanghebbende niet nader heeft gespecificeerd welke informatie of documenten voor bewijsuitsluiting in aanmerking zouden moeten komen en of die informatie en documenten niet ook op andere wijze, bijvoorbeeld afkomstig van strafrechtelijk onderzoek, tot de procestukken behoren.
Termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag
51. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2008 en 2009 buiten de termijn en niet voortvarend zijn opgelegd. De verlengde navorderingstermijn kan niet worden toegepast, indien het gelden betreft die in Nederland zijn gegenereerd maar in een later stadium naar het buitenland zijn overgeheveld. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft opgelegd uitsluitend met het doel om de termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslagen te verlengen. Indien deze termijnverlenging buiten beschouwing wordt gelaten, zijn de navorderingsaanslagen 2010 tot en met 2012 ook buiten de termijn opgelegd.
52. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de inkomstenbestanddelen afkomstig zijn uit het buitenland, namelijk dividenden die via [bedrijf 1/werkmaatschappij] zijn gedistribueerd. De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikkingen uitsluitend met het oog op de termijnverlenging zijn afgegeven.
53. De rechtbank oordeelt als volgt.
54. De navorderingstermijn is in beginsel vijf jaar gerekend vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, maar kan worden verlengd tot twaalf jaar (de verlengde navorderingstermijn). Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De inspecteur kan een informatiebeschikking afgeven indien niet aan bepaalde (informatie)verplichtingen is voldaan. De termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. Indien de inspecteur een navorderingsaanslag vaststelt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking van rechtswege. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijnverlenging ook in dat geval eindigt en wel op het moment waarop de informatiebeschikking van rechtswege vervalt.
55. Het staat vast dat op verzoek uitstel is verleend van dertien maanden voor het indienen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012. Dit brengt met zich dat de navorderingstermijn voor die jaren wordt verlengd met dertien maanden. De inspecteur heeft voor de jaren 2008 tot en met 2012 ook informatiebeschikkingen afgegeven met dagtekening 22 november 2016. Daartegen is bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Daarmee stonden de informatiebeschikkingen nog niet onherroepelijk vast. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010). Op dat moment was nog geen uitspraak van de rechtbank gedaan op het beroep tegen de informatiebeschikkingen. Deze stonden dus nog niet onherroepelijk vast en daarom zijn deze op dat moment van rechtswege komen te vervallen. Met het opleggen van de informatiebeschikkingen heeft een termijnverlenging plaatsgevonden vanaf de bekendmaking van de informatiebeschikkingen tot 19 juni 2020 (2008, 2009, 2011 en 2012) en 20 oktober 2020 (2010).
56. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de informatiebeschikkingen op te leggen uitsluitend met als doel om de navorderingstermijn te verlengen, faalt. Belanghebbende heeft niet met concrete feiten aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. De rechtbank merkt daarbij op dat de informatiebeschikking de vastlegging betreft dat niet aan de informatieverplichtingen is voldaan, met als gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard, en niet zozeer een middel om informatie af te dwingen. De rechtbank ziet geen reden om de termijnverlenging in verband met de bekendmaking van de informatiebeschikkingen achterwege te laten.
57. De reguliere navorderingstermijn van vijf jaar dient, gelet op het voorgaande, te worden verlengd met dertien maanden (uitstel voor het doen van aangifte) en drie jaar en zes maanden c.q. tien maanden (informatiebeschikkingen). De navorderingstermijnen zijn daarmee op de volgende momenten verstreken (voor zowel belanghebbende als zijn partner):
De navorderingsaanslagen 2010, 2011 en 2012 zijn derhalve binnen de reguliere navorderingstermijn opgelegd. Dit geldt echter niet voor de jaren 2008 en 2009.
58. Voor deze gevallen doet de inspecteur een beroep op de verlengde navorderingstermijn.
59. De navorderingsaanslagen 2008 en 2009 hebben uitsluitend betrekking op de door de inspecteur gestelde reguliere inkomsten uit aanmerkelijk belang. Zoals de rechtbank hierna zal oordelen gaat het in deze zaken om een aanmerkelijk belang in een in het buitenland gevestigde vennootschap, te weten [bedrijf 1/werkmaatschappij]. Het gaat dus om in het buitenland opgekomen vermogensbestanddelen waarop de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.
60. Indien de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, dan kan de voortvarendheidseis aan de orde zijn. Gelet op de zogenoemde standstillbepaling is de voortvarendheidseis alleen aan de orde in gevallen waarin het VWEU van toepassing is. [bedrijf 1/werkmaatschappij] is gevestigd op Cyprus. Het VWEU en daarmee de voortvarendheidseis zijn van toepassing.
61. De voortvarendheidseis houdt in dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. De vereiste voortvarendheid is in elk geval niet betracht indien bij het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden.
62. Bij brief van 16 september 2019 heeft de inspecteur een kennisgeving van zijn voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor onder meer de jaren 2008 en 2009 verzonden. Aangenomen mag worden dat op dat moment de inspecteur beschikte over alle gegevens die nodig waren voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. In het licht hiervan komt de rechtbank tot de vaststelling dat de gegevens die de inspecteur van de FIOD heeft verkregen, voor het laatst 5 juli 2019, de laatste inlichtingen zijn die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De inspecteur was daarom gehouden om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 vervolgens met redelijke voortvarendheid vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Weliswaar heeft het nog bijna twaalf maanden geduurd voordat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld, maar dit is niet veroorzaakt door een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De rechtbank wijst op de door de inspecteur in zijn verweerschrift beschreven, en niet weersproken, gang van zaken onder de punten 2.150 tot en met 2.216. Daar komt bij dat met dagtekening 22 november 2016 informatiebeschikkingen aan belanghebbende waren afgegeven omdat niet aan de informatieverplichtingen was voldaan, dat belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt heeft, dat op 28 september 2018 tegen de uitspraken op bezwaar beroep is ingesteld en dat de informatiebeschikkingen van rechtswege zijn komen te vervallen vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen. De inspecteur kan ook daarom niet het verwijt worden gemaakt dat hij onverklaarbaar heeft stilgezeten.
Is aan de voorwaarden voor navordering voldaan?
63. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een voor navordering vereist nieuw feit. De aanslagen zijn opgelegd voor of op 5 december 2014. In 2016 is de inspecteur een onderzoek gestart naar aanleiding van een telefonisch contact met de adviseur van belanghebbende op 5 januari 2016. De feiten die uit dit onderzoek zijn voortgekomen, zijn nieuwe feiten die navordering rechtvaardigen. Ook valt belanghebbende kwade trouw te wijten. In de aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft belanghebbende niet vermeld dat zij of haar partner betrokken was bij een trust of ander doelvermogen, terwijl de partner insteller en/of begunstigde is van [stichting]. Hieruit zijn wel dividenduitkeringen ontvangen. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn bij de werkmaatschappij door belanghebbende als bestuurder zakelijke uitgaven opgevoerd die in werkelijkheid privé-uitgaven van belanghebbende en haar partner betreffen. Het is aannemelijk dat deze privé-uitgaven als loon moeten worden aangemerkt. Dit loon is niet in de aangiften IB/PVV 2010 tot en met 2012 opgenomen. Ook heeft belanghebbende niet in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 vermeld dat zij of de partner een aanmerkelijk belang hadden in [holding 1] dan wel [bedrijf 1/werkmaatschappij].
64. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur vroege aanwijzingen heeft genegeerd waardoor sprake is van een ambtelijk verzuim. Belanghebbende heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van kwade trouw.
65. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn (ambtelijk verzuim), kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De inspecteur kan bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van de belastingplichtige in het algemeen volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.Het ligt in beginsel op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw.
66. Uit de ingediende aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2012 kon de inspecteur niet afleiden dat belanghebbende meer loon had genoten in de vorm van privé-uitgaven bij de werkmaatschappij en dat de partner in documenten inzake [bedrijf 1/werkmaatschappij] als ultimate beneficial owner (ubo) is aangemerkt. Daar komt bij dat de inspecteur niet was gehouden het dossier van de holding en de werkmaatschappij te raadplegen. Voor zover in het dossier van deze vennootschappen voor 5 december 2014 al aanwijzingen zouden te vinden zijn, die zouden wijzen op de privé-uitgaven en de ubo-vermelding, brengt dat geen ambtelijk verzuim met zich.
67. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor navordering is voldaan.
Omkering en verzwaring van de bewijslast en de correcties
68. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Voor de jaren 2008 en 2009 is de vraag in de aangifte of belanghebbende betrokken is bij een trust of doelvermogen niet beantwoord, terwijl dit wel het geval was. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 is daarmee de vereiste aangifte niet gedaan en dient de bewijslast te worden omgekeerd en te verzwaard. Het niet beantwoorden van die vraag is niet pleitbaar. Ook kon belanghebbende beschikken over het vermogen van [stichting]. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn privé-uitgaven niet als inkomsten in de aangifte verantwoord.
69. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangiften juist zijn en volgens de destijds geldende wet- en regelgeving en rechtspraak. Er is sprake van een pleitbaar standpunt.
70. De rechtbank oordeelt als volgt.
71. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan dient het beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en het niet geheven bedrag aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast.
72. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij de werkmaatschappij en de holding. De inspecteur heeft diverse uitgaven die zijn geboekt in de werkmaatschappij als privé-uitgaven aangemerkt, althans de inspecteur heeft het zakelijke karakter niet kunnen vaststellen. Belanghebbende heeft niets concreets gesteld over de uitgaven die de inspecteur als privé-uitgaven heeft aangemerkt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat inderdaad sprake is van privé-uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de privébehoeften van belanghebbende en de partner zijn aan te merken als een genoten voordeel. De rechtbank ziet ook een voldoende verband met de dienstbetrekking. De inspecteur heeft de privé-uitgaven daarom terecht tot het loon gerekend.
73. Het voorgaande leidt ertoe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting voor de jaren 2010 tot en met 2012 absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Aangezien belanghebbende en de partner bestuurder waren van de werkmaatschappij, moeten zij zich van de privé-uitgaven bewust zijn geweest en hadden zij zich er bijgevolg van bewust van moeten zijn dat de privé-uitgaven als loon in de aangiften IB/PVV hadden moeten worden opgenomen. Belanghebbende heeft de vereiste aangiften voor de jaren 2010 tot en met 2012 daarom niet gedaan. De bewijslast voor deze jaren moet daarom worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld.
74. Met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 heeft het volgende te gelden. In het arrest van 27 mei 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de aangifteplichtige in het door hem ingediende aangiftebiljet een of meer vragen onbeantwoord laat of onjuist beantwoordt, dat in de regel zal leiden tot de conclusie dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Daarvoor hoeft niet vast te staan dat de tekortkoming in de beantwoording van de vraag of vragen ertoe leidt dat de volgens de aangifte absoluut en relatief gezien te weinig belasting zou zijn verschuldigd. Het niet doen van de vereiste aangifte heeft de omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg, maar niet als de niet beantwoorde vraag van onvoldoende gewicht is. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het feit dat een of meer vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist zijn beantwoord, niet geldt voor die geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag of vragen niet van belang kan zijn.
75. Vraag 37 van de aangifte IB/PVV 2008 luidt:
Was u, uw fiscale partner of de minderjarige kinderen van u allebei in 2008 betrokken bij een trust of een ander doelvermogen? Lees de toelichting bij vraag 37
76. In de toelichting bij vraag 37 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Onder het begrip doelvermogen vallen trusts, Antilliaanse Stichtingen Particulier Fonds, Private Foundations, Anstalts, Stiftungen en andere vergelijkbare buitenlandse doelvermogens.
(…)
Er is onder meer sprake van betrokkenheid bij een doelvermogen als u, uw fiscale partner, uw minderjarige kinderen, of de minderjarige kinderen van uw fiscale partner:
- een doelvermogen hebben ingesteld of opgericht
- vermogen in een doelvermogen hebben ingebracht
- gerechtigd waren of zouden worden tot het doelvermogen
- gerechtigd waren of zouden worden tot de inkomsten van een doelvermogen
- aanspraken had of zou kunnen hebben richting het doelvermogen
- aanspraken had of zou kunnen hebben op de inkomsten van een doelvermogen
- inkomsten hebben genoten afkomstig van een doelvermogen
- vermogen hebben ontvangen van een doelvermogen
- toezichthouder waren van een doelvermogen
- beheerder waren van een doelvermogen (…)”
In de aangifte IB/PVV 2009 is eenzelfde vraag en toelichting opgenomen.
77. Het staat vast dat belanghebbende en de partner gebruik hebben gemaakt van een fiscale structuur aangeboden door de fiscaal adviseurs [fiscaal adviseur 1] en [fiscaal adviseur 2]. De fiscale structuur houdt in dat de aandelen van de werkmaatschappij via een keten van buitenlandse vennootschappen in handen zijn van de buitenlandse stichting [stichting]. Het betreft hier een doelvermogen zoals bedoeld bij de hiervoor vermelde vraag 37. In het facturenoverzicht (zie punt 11.) is de partner vermeld bij de facturen die betrekking hebben op [stichting]. De partner, de fiscaal partner van belanghebbende, is dus betrokken bij een doelvermogen. Belanghebbende heeft dus ten onrechte vraag 37 van de aangiften niet beantwoord. Dit brengt met zich dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, maar niet voor geschilpunten waarvoor het antwoord op deze vraag niet van belang kan zijn. De vraag in de aangifte is van belang voor het geschilpunt over de dividenduitkeringen. Naar aanleiding van de beantwoording van die vraag had de inspecteur immers onderzoek kunnen doen naar de structuur en kunnen onderzoeken in hoeverre de ontvangen bedragen in de vorm van geldleningen of anderszins tot het inkomen moesten worden gerekend. Daarbij is niet relevant of het standpunt van belanghebbende ten aanzien daarvan pleitbaar was of niet. Bovendien heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet beantwoorden van vraag 37 pleitbaar is ten aanzien van rechtskundige gronden (een rechtskundige interpretatie of een rechtskundige duiding van de feiten).
Redelijke schatting
78. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet om de navorderingsaanslagen in redelijkheid, niet naar willekeur, vast te stellen.
79. De inspecteur heeft de correcties ten aanzien van de privé-uitgaven en de correctie op de leningen gebaseerd op de bedragen zoals die blijken uit de administratie van de werkmaatschappij. De hoogte van deze correcties zijn daarom zonder meer redelijk. Ten aanzien van de door de inspecteur als reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen bedragen heeft het volgende te gelden.
80. Een belastingplichtige heeft (onder meer) een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Met een aandeelhouder wordt gelijkgesteld degene die slechts gerechtigd is tot de voordelen uit aandelen. In dat geval wordt de gerechtigdheid aangemerkt als een aandeel. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. Bij toepassing van de normale regels van bewijslast ligt het op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen en bij betwisting deze te bewijzen, op grond waarvan aannemelijk is dat belanghebbende of de partner een aanmerkelijk belang hebben in voorbedoelde zin, en dat in 2008, 2009, 2011 en 2012 sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang.
81. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur op grond van de gewone regels van bewijslast aannemelijk gemaakt dat de partner een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat hij in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen heeft ontvangen, die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren. Dit brengt met zich dat ook aan de minder strenge redelijkheidstoets is voldaan. De inspecteur kon met inachtneming van artikel 2.17, derde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 de helft van deze inkomsten aan belanghebbende toerekenen. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
82. De vastgestelde feiten, in het bijzonder hetgeen is vermeld onder de punten 14. tot en met 17., leiden tot de conclusie dat de partner de (enig) gerechtigde is tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij]. Belanghebbende heeft daartegenover niets gesteld en ook geen stukken overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld dat de partner inderdaad de enige gerechtigde is van [bedrijf 1/werkmaatschappij]. De blote stelling dat de partner geen aanmerkelijk belang had en geen juridisch en economisch belang had is, tegenover het bewijs dat de inspecteur heeft aangedragen, volstrekt onvoldoende. De inspecteur heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat de partner als enige gerechtigd was tot de voordelen van [bedrijf 1/werkmaatschappij], dat de partner daarom moet worden gelijkgesteld met een (enig) aandeelhouder van [bedrijf 1/werkmaatschappij] en dat de partner dus een aanmerkelijk belang had in [bedrijf 1/werkmaatschappij]. De partner heeft daarmee tevens een indirect aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij en de holding.
83. De rechtbank acht tevens aannemelijk dat de holding in 2008, 2009, 2011 en 2012 dividenduitkeringen aan [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft toegekend en uitbetaald van respectievelijk € 100.000, € 12.000, € 200.000 en € 200.000. De rechtbank wijst in dat verband op de e-mail van 29 oktober 2010 (punt 4.), het dividendbesluit van 1 oktober 2008 (punt 18.), het bestuursbesluit van 16 november 2011 (punt 19.), de notulen van de aandeelhoudersvergadering van de holding en de aldaar vermelde bedragen (punt 20.) en de bekende geldstromen (punten 23. tot en met 26.). Gelet op de bekende geldstromen acht de rechtbank tevens aannemelijk dat onder de noemer ‘lening’ deze gelden, al dan niet via [holding 1], naar de privébankrekening van de partner zijn overgemaakt.
84. De rechtbank is van oordeel dat in werkelijkheid geen sprake is geweest van leningen. Uit de e-mail van 29 oktober 2010 (zie punt 4.) maakt de rechtbank op dat het de oorspronkelijke bedoeling was om de dividenduitkeringen vanuit de holding van € 100.000 (2008) en € 12.000 (2009) rond te laten lopen via [stichting], maar dat de partner ervoor heeft gekozen dat via een lening te doen. De fiscale structuur is dus bedoeld om winsten uit de werkmaatschappij via de holding en de buitenlandse structuur belastingvrij bij de partner te krijgen. [bedrijf 1/werkmaatschappij] heeft daarmee de partner willen bevoordelen en de partner moest zich hier redelijkerwijs bewust van zijn geweest. De leningen zijn alleen een van de oorspronkelijke bedoeling afwijkende manier om dat te realiseren, maar hebben geen realiteitsgehalte. Dit wordt bevestigd door het feit dat de partner bij [bedrijf 7]. heeft verzocht (punt 22.) om een ‘schenking’ en daarbij heeft verzocht ‘€ 550.000, plus eventual outstanding interest, as a waiver of the loan agreements’ te beschouwen. Het gaat hierbij niet om leningen bij [bedrijf 7]. maar om leningen bij [bedrijf 1/werkmaatschappij] en [holding 1].
85. De conclusie is dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat de inspecteur de navorderingsaanslagen in redelijkheid heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft daartegenover niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslagen en daarmee de uitspraken op bezwaar, te hoog zijn vastgesteld.
86. De slotsom is dat de navorderingsaanslagen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld.
Algemene beginselen
87. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd wegens een schending van diverse beginselen. Het is niet redelijk om een fiscale constructie die eerder legaal was nu te bestrijden. De inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld door uit te gaan van een doelredenering en hij heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schijnhandelingen en van vals opgemaakte stukken. Hij heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden en misbruik gemaakt van bevoegdheden. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel is geschonden. Dit beginsel houdt in dat de soevereiniteit van staten zich verzet tegen het nemen van maatregelen ter handhaving van regels met een extraterritoriale reikwijdte. Ook is sprake van een schending van artikel 1 van de AWR.
88. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist.
89. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur zeer grondig onderzoek heeft gedaan, dat hij belanghebbende meermaals in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op zijn standpunten en dat hij de navorderingsaanslagen zeer uitgebreid heeft onderbouwd en gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur zorgvuldig te werk gegaan en is op geen enkele wijze sprake van enige schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor het overige wijst de rechtbank op de overwegingen van de rechtbank opgenomen in de punten 37. tot en met 40. van deze uitspraak.
Heffings- en belastingrente
90. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente.
91. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de rente moet worden verminderd naar nihil omdat de redelijke termijn is overschreden en de inspecteur niet voortvarend genoeg zou hebben gehandeld en belanghebbende door de nagevorderde belasting en rente onevenredig wordt getroffen en omdat sprake is van strijd met de algemene beginselen.
92. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de rentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de rente het bedrag van de aanslag volgt. Zoals hiervoor geoordeeld heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld en is geen sprake van strijd met algemene beginselen. Een overschrijding van de redelijke termijn kan zo nodig leiden tot het toekennen van schadevergoeding en/of vermindering van de boete. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de rechtbank een schending van het evenredigheidsbeginsel kan aannemen.
Boeten
93. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR en het toepasselijke beleid vergrijpboeten opgelegd. Hij heeft hierbij gesteld dat sprake is van opzet en listigheid en heeft boeten van 100% opgelegd.
94. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van opzet en dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft gehandeld vanuit niet-fiscale voordeelperspectieven en heeft gehandeld naar de adviezen van gerenommeerde fiscaal adviseurs en hetgeen op dat moment in de wet en jurisprudentie geoorloofd was.
95. De aanwezigheid van opzet kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor voorwaardelijke opzet moet vaststaan (i) dat de belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Daarvoor is onvoldoende dat belanghebbende de onjuistheid van de aangifte had behoren te weten. Toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige is uitgesloten. Uitgangspunt is dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, er geen aanleiding is voor het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept.
96. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet overtuigend bewezen dat belanghebbende opzet kan worden verweten en moeten de boeten daarom worden vernietigd. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
97. Uit de gang van zaken maakt de rechtbank op dat belanghebbende niet zelf direct was betrokken bij de fiscale structuur. De partner heeft het contact onderhouden met de fiscaal adviseurs, de partner heeft de leningsovereenkomsten ondertekend en de gelden zijn overgemaakt naar de privérekening van de partner. Weliswaar is de naam van belanghebbende vermeld onder bepaalde stukken en onder bepaalde e-mails. Maar dit is geen overtuigend bewijs voor een oordeel dat zij wetenschap had van de gang van zaken, laat staan dat haar kan worden verweten dat zij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven ten aanzien van de gelden die via de buitenlandse structuur door de partner zijn verkregen. Ten aanzien van de privé-uitgaven staat niet vast wie de desbetreffende uitgaven hebben gedaan. Daarnaast blijkt uit het onderzoek bij de accountant dat de partner het contact onderhield voor het indienen van de aangiften loonheffingen en de bijzonderheden daaromtrent. Over de betrokkenheid van belanghebbende heeft de inspecteur niets vastgesteld. Ten aanzien van de overige correcties heeft de inspecteur niets gesteld op grond waarvan opzet kan worden verweten. De inspecteur heeft daarom opzet niet bewezen.
Immateriële schadevergoeding
98. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
99. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 1 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 36 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De rechtbank ziet geen reden de redelijke termijn te verlengen. De inspecteur heeft aangevoerd dat het beroepschrift op 4 oktober 2021 is ingediend en pas op 30 mei 2022 is gemotiveerd. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. In het beroepschrift van 4 oktober 2021 zijn (beknopt) de gronden van het beroep opgenomen en is verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen. De rechtbank heeft bij brief van 29 april 2022 het verzoek gedaan de aanvullende gronden binnen vier weken toe te zenden. Belanghebbende heeft hier met het stuk ‘toelichting op het beroep’ gevolg aan gegeven.
100. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 40 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500. De zaken van belanghebbende zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbende en zijn partner gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvragen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbende en zijn partner een schadevergoeding van ieder € 1.750 toe te kennen. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 31 augustus 2021. Dit is 8 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 350 (8/40 x € 1.750). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.400. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
101. De beroepen zijn gegrond. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boeten betreft. De navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen blijven in stand, maar de boeten worden vernietigd.
102. Belanghebbende krijgt een vergoeding van haar proceskosten tot een bedrag van belanghebbende tot een bedrag van € 3.931,88. Het verzoek om vergoeding van de integrale proceskosten wijst de rechtbank af, omdat de inspecteur niet tegen beter weten in heeft geprocedeerd of in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt belanghebbende het betaalde griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. D. Liem, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.