RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/740379-18
Datum uitspraak: 14 april 2025
Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]
wonende aan de [adres], [postcode], in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. W.C. Alberts, advocaat te 's-Gravenhage.
Procedure
Betrokkene is op 7 november 2019 bij vonnis van de rechtbank Gelderland veroordeeld
vanwege meerdere zedendelicten tot onder meer terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Deze maatregel is ingegaan op 2 oktober 2020 en verlengd bij beslissing van deze rechtbank
van 17 oktober 2022.
Bij vordering van 21 augustus 2024, ingekomen op diezelfde datum, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel wordt verlengd voor de duur van één jaar.
Op 11 november 2024 heeft de rechtbank een tussenbeslissing gewezen naar aanleiding van de behandeling van de vordering op 28 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
Ter zitting van 14 april 2025 zijn gehoord:
De standpunten
De officier van justitie heeft ter zitting afwijzing van de vordering en beëindiging van de
maatregel gevorderd.
De raadsvrouw van betrokkene heeft eveneens om beëindiging van de maatregel verzocht.
De beoordeling
De rechtbank heeft op 11 november 2024 een tussenbeslissing gewezen, omdat zij zich op dat moment onvoldoende voorgelicht achtte om op de vordering te beslissen. De rechtbank concludeert in die beslissing – kort gezegd – dat de inhoud van de rapportage van psychiater M.R. Weeda voor de verlengingszitting in 2022 op belangrijke onderdelen afwijkt van de rapporten opgemaakt voor de onderhavige verlengingsvordering. Zo bestond voor de rechtbank onder andere nog onduidelijkheid over de vraag of en zo ja hoe tijdens de ambulante behandeling bij De Waag is gewerkt aan het risicomanagement, of de noodzakelijk geachte delictanalyse inmiddels is voltooid, of er een concreet signaleringsplan ligt en of het sociaal netwerk van betrokkene daadwerkelijk beschermend kan zijn wanneer de spanning in de toekomst zou oplopen.
Psychiater Weeda heeft op 8 februari 2025 een nieuw rapport uitgebracht en deze ter zitting van 14 april 2025 toegelicht. Uit het rapport volgt dat bij betrokkene is vastgesteld dat sprake is van een pedofiele stoornis, een voyeurismestoornis (in remissie) en een andere parafiele stoornis (in remissie), aangezien ten tijde van de indexdelicten sprake was van hyperseksualiteit en seks als coping. Deze DSM-classificaties dienen te worden gezien als onderdeel van een en dezelfde kwetsbaarheid en hangen samen met de bij betrokkene beschreven risicobevorderende persoonlijkheidskenmerken van zowel vermijdende, als narcistische, als afhankelijke trekken. Tijdens zijn verblijf in de kliniek en onder behandeling bij De Waag heeft betrokkene geleerd om stil te staan bij en te praten over (negatieve) emoties en heeft hij inzicht gekregen in zijn intrapersoonlijk functioneren en zijn valkuilen. De kliniek stelde bij ontslag in 2022 dat er met betrekking tot de kernproblematiek slechts beperkt sprake had kunnen zijn van bewerking, aangezien daarvoor de nodige diepgang in de behandeling grotendeels had ontbroken en aangezien betrokkene te zeer geneigd gebleven was om moeilijke en meer confronterende zaken weg te houden, hetgeen in de egosparende omgeving van de kliniek ook goed mogelijk was geweest. De Waag was in deze positiever en stelde bij het einde van de behandeling in 2023 dat betrokkene zich gaandeweg de behandeling meer opengesteld had, ook over spanningen en negatieve emoties, en meer geleerd had om hulp te vragen en te accepteren. Bovendien was gaandeweg zijn seksualiteitsbeleving meer in zicht gekomen en was bij einde behandeling sprake van een gezonde invulling van zijn seksuele functioneren. De psychiater stelt vast dat de kwetsbaarheden in de persoonlijkheid van betrokkene niet veranderd zijn, aangezien de neiging tot een narcistisch en vermijdend gekleurde coping nog altijd bestaan. Ook zijn moeite met het erkennen van het delictgedrag als onderdeel van hemzelf lijkt onveranderd te spelen. Daarentegen is hij minder krampachtig in het ontkennen van de actuele seksualiteitsbeleving en hij heeft wel degelijk meer zicht gekregen op de problematische en vermijdende aspecten van zijn coping. Hoewel nog altijd sprake is van een enigszins egosparende invulling van zijn omgeving, is op dit moment wel sprake van een (seksuele) relatie en van een voldoende divers en beschermend sociaal netwerk. Het noodgedwongen opnieuw opbouwen van een sociaal maatschappelijk leven buiten de kliniek sinds medio 2022 heeft hem geconfronteerd met een aantal zaken die in psychotherapie zijn besproken en deels zijn bewerkt. Betrokkene is daarbij niet uit beeld geraakt en is, ondanks natuurlijke spanningen, niet vervallen in delictgedrag. Ook is geen sprake meer geweest van meer in het algemeen zorgelijk (verslavings-)gedrag. De psychiater schat het risico op herhaling nu in als laag. Zij adviseert, gelet op het voorgaande, om de TBS-maatregel met voorwaarden te beëindigen.
Ter zitting heeft de psychiater toegelicht dat de situatie van betrokkene erg is veranderd ten opzichte van drie jaar geleden en dat dit een belangrijke reden is om nu anders naar het recidiverisico te kijken. De zorg van de psychiater was destijds gelegen in het feit dat betrokkene in de kliniek waar hij verbleef niet werd geconfronteerd met de maatschappij en de oordelen die vanuit daar kunnen voortkomen. Belangrijk is dat betrokkene zelf actief aan de slag is gegaan met het risicomanagement. Hij heeft de situationele zaken zelf opgezocht en georganiseerd. Dit getuigt van probleembesef. Er heeft inmiddels een inhoudelijke delictanalyse plaatsgevonden waar betrokkene zelf een belangrijke bijdrage aan heeft geleverd. Daarnaast heeft betrokkene ten opzichte van drie jaar geleden een steviger en groter sociaal netwerk. Inmiddels heeft hij de stap gemaakt om mensen deelgenoot te maken van zijn verleden, waar intrinsieke motivatie aan te pas is gekomen. Het netwerk is voldoende beschermend als spanningen bij betrokkene oplopen. De psychiater ziet bij betrokkene ook daar meer probleembesef en het inzicht dat hij naar zijn netwerk moet uitreiken als het niet goed gaat.
Voorgaande conclusies sluiten aan bij hetgeen de psycholoog en de reclassering rapporteerden voor de eerdere zitting in 2024 en zoals beschreven in de tussenbeslissing van 11 november 2024. Ook zij schatten het recidiverisico in als laag en adviseren om de maatregel TBS met voorwaarden te beëindigen.
Conclusie
Op grond van de rapporten en hetgeen ter zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat onder de huidige omstandigheden geen noodzaak meer bestaat om de terbeschikkingstelling te verlengen. Het recidiverisico bij beëindiging van de maatregel wordt ingeschat als laag. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende beschermende factoren in het leven van betrokkene die het mogelijk maken dat hij zijn leven zonder de maatregel van terbeschikkingstelling verder kan vormgeven. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen dan ook niet langer de verlenging van de maatregel. De rechtbank zal daarom de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling afwijzen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling.
Deze beslissing is gegeven door mr. mr. M.S. de Vries, als voorzitter, mr. M.G.E. ter Hart en mr. A.T.G. van Wandelen, als rechters in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2025.