RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/026400-24 en 05/060152-19 (tul)
Datum uitspraak : 20 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (waardoor het neusschot scheef is komen te staan) en/of verlies van smaak en/of verlies van het reukvermogen en/of een
hersenschudding en/of een (blijvend) litteken in het gezicht en/of een whiplash, heeft toegebracht door:
- meermalen met kracht met de vuist in het gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en/of
- meermalen met kracht met geschoeide voet in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen met kracht met de vuist in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen en/of
- meermalen met kracht geschoeide voet in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, telefoon, lakens en koffiezetapparaat, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [hotel] Apeldoorn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde is aangevoerd dat er bij verdachte geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wat betreft de vernieling onder feit 2, heeft de raadsman betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat de spullen daadwerkelijk kapot zijn en – als dit al het geval zou zijn – dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1: zware mishandeling
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 22 januari 2024 samen met verdachte in een hotelkamer van het [hotel] in Apeldoorn was. Er ontstond een woordenwisseling waarbij verdachte doordraaide. Hij schopte haar met zijn hak en gebalde hand in haar gezicht en op haar bovenlijf. [slachtoffer] voelde dat verdachte dit een stuk of 20 keer deed. Zij voelde hevige pijn aan haar hoofd en zij heeft tegen verdachte gezegd dat ze wegviel. Verdachte bleef haar echter trappen en slaan op haar hoofd. Hij raakte haar neus die hevig begon te bloeden. [slachtoffer] heeft veel pijn. Ze heeft twee blauwe ogen, last van haar hoofd, rechterpols en is misselijk.
In een aanvullend verhoor verklaarde [slachtoffer] dat verdachte maar op haar bleef in slaan. Ze kreeg na iedere klap een soort steek in haar hoofd en had het gevoel daarna weg te vallen. Het waren hele snelle trappen en klappen na elkaar. Verdachte trapte met het been waar hij een schoen aan had. [slachtoffer] zag dat verdachte haar met de hak van zijn schoen onder haar neus raakte, waardoor ze voelde dat het botje in haar neus naar boven schoot.
Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar zo’n 20 keer heeft geschopt en geslagen. Verdachte hield niet op met slaan en schoppen. Het was klap na trap. Hij heeft haar geschopt onder haar neus, in haar nek en achter op haar hoofd. Ook heeft hij haar in haar gezicht geslagen. [slachtoffer] heeft verklaard dat haar neus scheef staat en dat zij hier over een jaar aan wordt geopereerd. Ook heeft zij een whiplash opgelopen en heeft zij littekens in haar gezicht.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. [slachtoffer] heeft direct na de gebeurtenissen op de hotelkamer aangifte gedaan. Dezelfde dag is zij nader gehoord en een kleine vijf maanden later is zij bij de rechter-commissaris gehoord. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op verschillende momenten gedetailleerd en consistent over de gebeurtenissen heeft verklaard. De verklaring van [slachtoffer] wordt bovendien ondersteund door de volgende bewijsmiddelen.
Letsel
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die ter plaatse zijn gegaan, zien op bed een vrouw zitten (naar later blijkt [slachtoffer] ) met bloed in haar gezicht en een grote bult op haar voorhoofd. Ook zien zij een grote zwelling boven haar linkeroog en nemen zij waar dat er bloed uit haar neus komt.
Naar het door [slachtoffer] opgelopen letsel is Forensisch geneeskundig onderzoek gedaan. Hieruit volgt dat [slachtoffer] het volgende letsel had:
De letsels aan het hoofd en het gelaat waaronder de gebroken neus, worden allen verklaard door stomp botsend geweld ter plaatse. Hierbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen schoppen/trappen of andersoortige botsende geweldinwerkingen. De bloeduitstortingen ter hoogte van het linker jukbeen en nabij de pols toonden een specifiek patroon, passend bij botsend geweld met een object of oppervlak met deze specifiek vorm.
Ten aanzien van de breuk in het neusbeen volgt uit medische gegevens van de KNO-arts dat er op 28 mei 2024 sprake is post-traumatische in en- uitwendige neusdeviatie met functionele klachten, en dat er op termijn een septumcorrectie (operatie neustussenschot) nodig is. Ook is er sprake van reuk- en smaakverlies. Tevens is bij [slachtoffer] een whiplash vastgesteld. Ook heeft aangeefster een litteken op haar linkerwang.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat [slachtoffer] verschillende (onderhuidse) blauwe plekken heeft opgelopen in haar gezicht en op haar hoofd, rechterarm en linker bovenbeen en schaafwonden bij haar rechterelleboog. Ook heeft zij licht traumatisch hoofd-hersenletsel, een gebroken neus waarvoor op termijn medisch ingrijpen noodzakelijk is, een whiplash, en ervaart zij reuk- en smaakverlies. Daarbij heeft zij een litteken in haar gezicht
Gelet op de verklaringen van [slachtoffer] , het vastgestelde letsel en de conclusie uit het forensisch geneeskundig onderzoek dat dit letsel is opgelopen door botsend geweld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte meermalen met zijn vuist in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen met geschoeide voet in het gezicht van [slachtoffer] heeft getrapt.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. Zij overweegt daartoe het volgende.
Zware mishandeling
Lichamelijk letsel kan als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij zijn de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel van belang.
De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan [slachtoffer] toegebrachte letsel, te weten een gebroken neus waarbij (op termijn) medisch ingrijpen noodzakelijk is, meerdere (onderhuidse) bloeduitstortingen op het hoofd en in het gelaat en licht traumatisch hoofd-hersenletsel, in onderlinge samenhang bezien, gelet op de aard, ernst en de gevolgen daarvan, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Het gaat immers om meerdere heftige verwondingen aan het hoofd. Er is gebleken dat [slachtoffer] nog steeds kampt met de gevolgen hiervan, waaronder smaak-en reuk verlies, een whiplash en een litteken in haar gezicht. Ook moet zij op termijn geopereerd worden aan haar neus. [slachtoffer] heeft dus nog lang last gehad van de consequenties van het toegebracht letsel en ondervindt daarvan, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting, ook nu nog hinder. Ook dit draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte bewust als doel had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Er is dus geen sprake van vol opzet. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is.
De rechtbank is van oordeel dat, door met zodanige kracht in het gezicht van [slachtoffer] te slaan en te trappen, wetende dat dit een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, sprake is van een aanmerkelijke kans dat daardoor zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. De gedragingen van verdachte – namelijk het meermalen met kracht slaan en trappen in het gezicht van [slachtoffer] – kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn geweest dat het, met uitzondering van aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is niet gebleken. De rechtbank acht het voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar meermalen in het gezicht te slaan en te trappen.
Feit 2: vernieling
Namens het [hotel] in Apeldoorn heeft aangever [aangever] verklaard dat hij op 22 januari 2024 zag dat hotelkamer 150 een grote rotzooi was. Er zat bloed op de lakens en zowel de televisie als het koffiezetapparaat waren kapot.
Bij de aangifte van [aangever] zitten meerdere foto’s. De rechtbank neemt op foto 2 een koffiezetapparaat waar, waarvan de stekker kapot is. Op foto 3, 4, 5, 6 en 7 neemt de rechtbank waar dat er verschillende bloedplekken/spetters op de lakens van het bed zitten. Op foto 6 neemt de rechtbank een beschadiging aan het televisiescherm waar.
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte zijn telefoon tegen het scherm van de televisie gooide. Het scherm van de televisie was toen stuk.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 februari 2025 verklaard dat het klopt dat hij de lakens, televisie en het koffiezetapparaat uit de hotelkamer heeft beschadigd dan wel kapot heeft gemaakt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigd bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, lakens en een koffiezetapparaat van hotel [hotel] in Apeldoorn heeft beschadigd en vernield.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat verdachte ook de telefoon heeft vernield. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
1.
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus (waardoor het neusschot scheef is komen te staan) en/of verlies van smaak en/of verlies van het reukvermogen en/of een
hersenschudding en/of een (blijvend) litteken in het gezicht en/of een whiplash, heeft toegebracht door:
- meermalen met kracht met de vuist in het gezicht van die [slachtoffer] te stompen/slaan en/of
- meermalen met kracht met geschoeide voet in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] te schoppen/trappen;
2.
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, telefoon, lakens en koffiezetapparaat, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorden aan [hotel] Apeldoorn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
zware mishandeling
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen waarvan 142 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een taakstraf van 200 uur op te leggen, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Tot slot is verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit.
De raadsman heeft subsidiair bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte niet zinvol is gelet op het traject dat is ingezet met de reclassering en dat een taakstraf te fors is. De verdediging kan zich vinden in een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Hij heeft haar meerdere malen hard met de vuist in het gezicht geslagen en haar meerdere malen in het gezicht geschopt. Als gevolg van dit heftige geweld heeft het slachtoffer een gebroken neus, hersenschudding, whiplash en een blijvend litteken in het gezicht opgelopen. Zij is ook haar reuk- en smaakvermogen verloren en zal nog een operatie moeten ondergaan voor het herstellen van haar neus. Dit agressieve handelen van verdachte heeft niet alleen lichamelijk letsel tot gevolg gehad, maar was ook zeer beangstigend voor het slachtoffer. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit heeft veel impact op haar gehad, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een televisie, lakens en een koffiezetapparaat van het [hotel] Apeldoorn.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van 24 december 2024 van verdachte waaruit volgt dat verdachte in 2019 nog is veroordeeld voor huiselijk geweld.
Uit het reclasseringsadvies d.d. 30 januari 2025 volgt dat er bij verdachte sprake is van beperkte cognitieve vaardigheden, een stoornis in cannabis- en alcoholgebruik en trauma gerelateerde klachten voortkomend uit een instabiele jeugd. Binnen het lopende schorsingstoezicht is verdachte aangemeld voor een begeleid wonen traject bij Stichting de Tussenvoorziening. Daar is hij toegelaten wat betekent dat verdachte hier op korte termijn kan gaan wonen. Ook heeft verdachte recent een intakegesprek gehad bij Fivoor betreffende zijn behandelverplichting middelengebruik en emotieregulatie. Ook hier kan hij op korte termijn starten. Verdachte heeft sinds november 2024 een zinvolle dagbesteding en houdt zich binnen het lopende schorsingstoezicht goed aan de afspraken en staat open voor begeleiding. De reclassering vindt een reclasseringstoezicht geïndiceerd gelet op de onstabiliteit op meerdere leefgebieden, het gemiddelde recidiverisico en het gemiddelde risico op geweld. De reclassering acht de volgende bijzondere voorwaarden noodzakelijk:
Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 februari 2025 verklaard zich te zullen houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) Hierin wordt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meerdere kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden als uitgangspunt genomen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte inmiddels 158 dagen in voorarrest heeft gezeten en een positieve lijn heeft ingezet met zijn traject bij de reclassering.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 300 dagen waarvan 142 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met aftrek van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank ziet, mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten geen aanleiding voor het opleggen van een taakstraf. Daarnaast beveelt de rechtbank de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.993,65 aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ten aanzien van de vordering eigen risico 2025 heeft de benadeelde partij aangegeven dat nu deze schade nog niet is geleden, zij niet-ontvankelijk daarin is. De kilometervergoeding fysiotherapeut (PM) is vervallen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.608,65,- aan materiële schade en voor een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor de materiële post eigen risico 2025 heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering vanwege een onevenredige belasting van het strafproces met betrekking tot de materiële post die ziet op de huishoudelijke hulp. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering omdat de materiële post die ziet op de huishoudelijke hulp niet voldoende is onderbouwd. Uiterst subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Eigen risico 2025
De benadeelde partij is in deze vordering niet-ontvankelijk nu het eventuele toekomstige schade betreft.
Kosten huishoudelijke hulp
De rechtbank is van oordeel dat de kostenpost met betrekking tot de huishoudelijke hulp onvoldoende onderbouwd is. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waar de kosten precies uit hebben bestaan en wat de duur en intensiteit van de huishoudelijke hulp is geweest. De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot deze post, ad € 1.482,00, niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Overige posten
De gevorderde bedragen ten aanzien van het eigen risico 2024 (€ 385,00), de kilometervergoeding naar de psycholoog (€ 67,71), de kosten voor het sportschoolabonnement (€ 179,94), de kosten van de medicatie (€ 50,00) en de kosten van de kapotte kleding (€ 444,00) zijn onderbouwd en niet betwist. Deze posten zijn genoegzaam onderbouwd en toewijsbaar.
Het totale bedrag aan materiële schade dat de rechtbank toewijst bedraagt daarmee
€ 1.126,65.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van een gebroken neus, een whiplash, een hersenschudding, verlies van het reuk- en smaakvermogen en een litteken in het gezicht opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500,00 vaststellen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
In totaal zal de rechtbank een schadevergoeding toewijzen van € 4.626,65 die bestaat uit:
De materiële schade is geleden in de periode vanaf 22 januari tot en met augustus 2024 (bezoek psycholoog). In redelijkheid acht de rechtbank wettelijke rente hierover toewijsbaar vanaf 1 mei 2024. De wettelijke rente over de immateriële schade is toewijsbaar vanaf 22 januari 2024.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging 05/060152-19
De politierechter heeft verdachte op 25 juni 2021 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken.
De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht om afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat de vordering tot tenuitvoerlegging ziet op een geheel ander feit en omdat verdachte de kans geboden moet worden de positieve lijn die hij heeft ingezet wat betreft het starten van een behandeling, (begeleid) wonen en een dagbesteding voort te kunnen zetten.
10. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 142 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Stichting de Tussenvoorziening of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
stelt als overige voorwaarden dat:
- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen.
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer]
verklaart de benadeelde [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en immateriële schade;
Vordering tenuitvoerlegging 05-060152-19
wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 25 juni 2021 voorwaardelijk opgelegde straf af.
Mr. A.M.P.T. Blokhuis is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.