RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.169414.21
Datum uitspraak : 26 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats], op dit moment gedetineerd en ingeschreven in RJJI [RJJI] in [verblijfplaats].
raadsman: mr. H. Weisfelt, advocaat in 's-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid wiet (ongeveer 50 gram), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richtten en/of
- met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen in het gezicht van die [slachtoffer] te schieten,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht van die [slachtoffer], ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 april 2021 in Vaassen is door [medeverdachte 1] en anderen, van [slachtoffer] (hierna: aangever) 50 gram wiet afhandig gemaakt zonder dat hiervoor is betaald. Hierbij is een wapen op aangever gericht. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] en een ander opgehaald en naar de afspraaklocatie gebracht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, ten gevolge waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat geen sprake is van diefstal, nu aangever de wiet vrijwillig heeft afgegeven aan de daders. De daders hebben vervolgens niet betaald, hetgeen is te kwalificeren als oplichting. Dat is echter niet ten laste gelegd, zodat vrijspraak moet volgen.
Subsidiair blijkt niet dat verdachte het pistool in handen heeft gehad tijdens het feit, nu op grond van het dossier niet is vast te stellen op welk moment zijn DNA op dat pistool terecht is gekomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet bij het feit aanwezig was.
Beoordeling door de rechtbank
Aanwezigheid verdachte
Aangever heeft verklaard dat hij had afgesproken met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]). Ene [verdachte] was daar ook bij. [naam 1] had de zak wiet afgegeven aan [medeverdachte 1]. [verdachte] ging al direct met het wapen dreigen toen [naam 1] de zak overhandigde aan [medeverdachte 1]. [verdachte] zei tegen aangever ‘ik doe jullie niks’. [verdachte] is degene die schoot met het wapen. De kleur van het wapen was grijsachtig.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een afspraak met aangever heeft gemaakt om wiet te kopen.Hij had bedacht dat hij de wiet niet wilde kopen, maar wilde stelen. Hij heeft hierover afspraken gemaakt met [verdachte] voordat zij afspraken met aangever. [medeverdachte 2] heeft [verdachte] en [medeverdachte 1] naar de plek van de afspraak gebracht. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn uitgestapt. [medeverdachte 1] heeft de wiet aangepakt van [naam 1]. Op dat moment had [verdachte] een wapen in zijn handen waarmee hij aangever wilde intimideren. [medeverdachte 1] deed de zak wiet in zijn jaszak en liep weg met [verdachte]. Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard over dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) erbij was. [medeverdachte 2] heeft [verdachte] op zijn verzoek opgehaald, zij zijn vervolgens samen [medeverdachte 1] op gaan halen. [verdachte] en [medeverdachte 1] zaten bij hem in de auto. [medeverdachte 2] wachtte in de auto op een paar honderd meter afstand. [verdachte] heeft tegen hem gezegd ‘we hebben die wiet gepakt’. [medeverdachte 1] heeft het wapen meegenomen en het in de auto aan [verdachte] gegeven. [medeverdachte 1] was in het bezit van een zilverkleurig alarmpistool. [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, alwaar ze de wiet hebben verdeeld. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben beiden de helft van de opbrengst gekregen.
De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat met de naam ‘[verdachte]’ in de verklaring van aangever [verdachte] wordt bedoeld en dat gelet op die verklaring en de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig was bij het feit.
Gebruikt wapen
In de woning van [medeverdachte 1] heeft een doorzoeking plaatsgevonden waar onder meer een zilverkleurig Air soft wapen, zijnde een gaspistool, is aangetroffen. Dit goed is onder [medeverdachte 1] in beslag genomen onder SIN nummer [SIN-nummer]. De ruwe delen, de trekker en de trekkerbeugel van dit het gaspistool zijn bemonsterd op humane biologische sporen en deze zijn veiliggesteld onder SIN [SIN-nummer]. Uit forensisch DNA-onderzoek is gebleken dat sprake is van een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Het is extreem veel waarschijnlijker wanneer de bemonstering van het spoor DNA van [verdachte] bevat en twee onbekende, niet verwante personen, dan wanneer de bemonstering DNA van drie onbekende, niet verwante personen, bevat. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat er DNA-materiaal van [verdachte] op het zilverkleurig gaspistool dat is gevonden bij [medeverdachte 1] zit.
Tussenconclusie gaspistool
Gelet op het feit dat sprake was van een zilverkleurig wapen, dat door [medeverdachte 1] was meegenomen en aan [verdachte] is gegeven in de auto, en het feit dat het DNA van [verdachte] hierop is aangetroffen, in samenhang bezien met de verklaringen van aangever en [medeverdachte 1] over de overval, concludeert de rechtbank dat het gaspistool dat bij [medeverdachte 1] thuis is aangetroffen het wapen is dat tijdens de overval is gebruikt door [verdachte].
Diefstal
Door, onder bedreiging van een gaspistool, met de wiet weg te lopen zonder daarvoor te hebben betaald, hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] zich de wiet wederrechtelijk toegeëigend en zich dus schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Dat de zak wiet door [naam 1] in het kader van de voorgenomen verkoop vrijwillig is afgegeven staat er niet aan in de weg dat sprake is van wegneming en maakt ook niet dat sprake is van een ander delict zoals oplichting.
Gevolgd van geweld en bedreiging met geweld
Aangever heeft verklaard dat [verdachte] het vuurwapen op hem richtte. [verdachte] richtte daarbij op het hoofd van aangever. [verdachte] schoot één keer. Aangever voelde direct hoofdpijn en was bang dat hij dood zou gaan. Ten gevolge van het schot met het gaspistool in zijn gezicht heeft aangever een barstwond aan zijn voorhoofd opgelopen. Dit letsel kan verklaard worden als gevolg van een contactschot of een schot van zeer korte afstand met een gasalarmpistool.
De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat [verdachte] met het gaspistool in het gezicht van aangever heeft geschoten en concludeert dat de diefstal van de wiet van aangever niet alleen gevolgd werd door bedreiging met geweld, maar ook daadwerkelijk door geweld. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel
Het letsel van aangever bestond, zoals eerder overwogen, uit een forse barstwond op het voorhoofd tot aan zijn schedelbot.
Ten aanzien van dit letsel was medisch ingrijpen noodzakelijk in de vorm van het hechten van de wond, het aanleggen van een drukverband en een korte opname op de afdeling neurologie. Aangever zal van dit letsel minimaal een blijvend zichtbaar litteken aan zijn voorhoofd overhouden.
De rechtbank concludeert dat het letsel dat aangever ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld heeft opgelopen, is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht dan ook dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen
Gelet op het voorgaande en in het bijzonder, dat:
is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de diefstal met geweld, met zwaar lichamelijk letsel bij aangever als gevolg.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid wiet (ongeveer 50 gram), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richtten en/of
- met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen in het gezicht van die [slachtoffer] te schieten,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht van die [slachtoffer], ten gevolge heeft gehad;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie houdt bij de bepaling van zijn eis rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, het letsel van aangever, de recidive van verdachte en het feit dat hij momenteel een PIJ-maatregel uitzit. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast en vordert dat aan verdachte 6 maanden jeugddetentie wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast, nu het volwassenenstrafrecht niet wenselijk is voor wat betreft de executie van een op te leggen straf. Verdachte zit momenteel een PIJ-maatregel uit, welke sinds de dag voor de inhoudelijke behandeling goed lijkt te verlopen. Het is niet opportuun om de PIJ-maatregel te onderbreken voor het uitzitten van een gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting voor volwassenen, noch om een dergelijke straf volgend op de PIJ-maatregel uit te zitten.
Verder dient in de strafmaat te worden meegewogen dat volgens de verdediging niet op het hoofd van aangever is geschoten, maar enkel is geslagen met het gaspistool.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewapende overval, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij deze overval is het slachtoffer beroofd van 50 gram wiet en is hij in zijn gezicht geschoten met een gaspistool. Het slachtoffer heeft een ontsierend litteken in zijn gezicht overgehouden aan het handelen van verdachte, waardoor hij de rest van zijn leven herinnerd blijft worden aan de overval. Verdachte had slechts oog voor zijn eigen financiële gewin zonder rekening te houden met deze ernstige gevolgen voor het slachtoffer. De beroving heeft veel angst veroorzaakt bij het slachtoffer. Verder versterken zulke gebeurtenissen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het verboden karakter van de handel in en het bezit van een dergelijke hoeveelheid wiet, maakt dat de aangiftebereidheid van het slachtoffer, en daarmee de kans op ontdekking, minimaal is.
De rechtbank zal het adolescentenstrafrecht niet toepassen. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe. Bovendien zijn het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan dusdanig ernstig dat aan het adolescentenstrafrecht niet wordt toegekomen. De rechtbank zal verdachte dan ook berechten volgens het volwassenenstrafrecht.
De rechtbank weegt verder mee dat bij verdachte sprake is van relevante documentatie. Bovendien is hij degene geweest die het gaspistool heeft gehanteerd tijdens de overval.
De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden in beginsel passend en geboden is. De rechtbank houdt echter rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is in oktober 2021 als verdachte verhoord, zodat de redelijke termijn op dat moment is aangevangen. Dit betekent dat bij berechting in eerste aanleg de redelijke termijn vanaf oktober 2023 is overschreden, wat een overschrijding van 1 jaar en 4 maanden betekent. De rechtbank zal de onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom matigen tot een duur van 6 maanden.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.063,15 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid met de medeverdachten.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het materiële deel moet worden gematigd. Het gevorderde bedrag voor de kleding van de benadeelde partij moet worden afgewezen, wegens gebrek aan onderbouwing van het gevorderde bedrag.
Voor wat betreft het immateriële deel stelt de verdediging dat dit bedrag gematigd moet worden. Primair vindt de verdediging dat het dossier aanleiding geeft om te veronderstellen dat de benadeelde partij zelf een mes heeft getrokken. Er is derhalve sprake van eigen schuld bij de benadeelde partij. Subsidiair stelt de verdediging dat rekening moet worden gehouden met vergelijkbare zaken waarin lagere smartengeldvergoedingen worden toegekend dan het gevorderde bedrag.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.
Materiële schade
‘Medische kosten’, ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘reiskosten’
Voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘medische kosten’, ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘reiskosten’ is deze door de verdediging niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dan ook op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en wijst de vordering in zoverre toe.
‘Kleding’
De benadeelde partij heeft gesteld dat hij de kleding die bij hem in beslag is genomen en die hij droeg ten tijde van het feit nog niet terug heeft gekregen van de politie. Ter onderbouwing van de waarde van de kleding heeft benadeelde enkel printscreens overgelegd met daarop de huidige nieuwwaarde van enkele kledingstukken. De rechtbank is van oordeel dat slechts een deel van de gevorderde kledingkosten voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank oordeelt dat niet de aanschafwaarde/nieuwwaarde van de kleding moet worden vergoed, maar de vervangingswaarde. De rechtbank schat de vervangingswaarde van de kleding in redelijkheid op een bedrag ad € 250,00. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ten gevolge van dit letsel heeft benadeelde partij een blijvend ontsierend litteken in zijn gezicht opgelopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het verweer dat deze schade het gevolg zou zijn van eigen schuld van de benadeelde partij mist feitelijke grondslag nu bij de bewijsvraag noch de strafbaarheid van het feit, gesteld of gebleken is dat de bewezenverklaarde gedragingen een gevolg waren van het trekken van een mes. De rechtbank laat daarbij nog onbesproken de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten zich afspeelden naar aanleiding van een door verdachte en zijn medeverdachten zelf geïnitieerde beroving.
Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters toewijzen in vergelijkbare zaken, zal de rechtbank de hoogte van het bedrag vaststellen op € 4.500,00. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere afwijzen.
De gevorderde wettelijke rente over de toegekende immateriële schade zal worden toegewezen, met als ingangsdatum 11 april 2021. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter voldoening van het toegewezen bedrag. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdacht(en) de schade heeft/hebben vergoed.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert, het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;
wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het meerdere af;
bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.