ECLI:NL:RBGEL:2025:1646

ECLI:NL:RBGEL:2025:1646, Rechtbank Gelderland, 26-02-2025, 05.172506.21

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 26-02-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer 05.172506.21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordelingen voor een straatroof, waarbij twee verdachten zijn veroordeeld voor medeplegen ervan en een derde voor medeplichtigheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.172506.21

Datum uitspraak : 26 februari 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

raadsman: mr. J.R.T. Jonker, advocaat in Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid wiet (ongeveer 50 gram), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richtten en/of

- met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen in het gezicht van die [slachtoffer] te schieten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad.

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, een hoeveelheid wiet (ongeveer 50 gram), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richtten en/of

- met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen in het gezicht van die [slachtoffer] te schieten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met een auto op te halen en/of

- met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in een auto naar de (omgeving van de) afspraaklocatie te rijden en/of

- met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in een auto langs de afspraaklocatie te rijden om die [slachtoffer] te lokaliseren en/of

- een auto in de nabije omgeving van de afspraaklocatie te parkeren en op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te wachten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] na de uitvoering van het delict met een auto van de (omgeving van de) plaats delict te vervoeren.

2. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank verwerpt dit verweer en oordeelt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 april 2021 in Vaassen is door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , van [slachtoffer] (hierna: aangever) 50 gram wiet gestolen. Hierbij heeft [medeverdachte 1] een gaspistool op aangever gericht en in zijn gezicht geschoten, zodat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de gestolen wiet konden houden. Als gevolg hiervan heeft aangever een forse barstwond op zijn voorhoofd tot op zijn schedelbot, opgelopen Aangever houdt er minimaal een blijvend litteken op zijn voorhoofd aan over.

[verdachte] heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de auto opgehaald. [verdachte] is heen en weer langs de afspraaklocatie gereden om de exacte locatie te lokaliseren. Hij heeft in de nabije omgeving geparkeerd en op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gewacht. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] na de overval naar de woning van [medeverdachte 2] gebracht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich als medeplichtige (subsidiair) schuldig heeft gemaakt aan de overval op aangever en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair aan hem tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het aan verdachte tenlastegelegde bepleit. Verdachte was namelijk noch op de hoogte van het plan van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om wiet te gaan stelen noch van het feit dat er een gaspistool in het spel was.

Beoordeling door de rechtbank

Zwaar lichamelijk letsel

Het letsel van aangever bestond, zoals vastgesteld, uit een forse barstwond op het voorhoofd tot aan zijn schedelbot, waaraan hij een blijvend zichtbaar litteken aan zijn voorhoofd over zal houden.

Ten aanzien van het letsel van aangever was medisch ingrijpen noodzakelijk in de vorm van het hechten van de wond, het aanleggen van een drukverband en een korte opname op de afdeling neurologie.

De rechtbank concludeert dat het letsel dat aangever ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld heeft opgelopen, is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Medeplegen of medeplichtigheid?

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de rol van verdachte ten aanzien van de overval op aangever niet kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Vervolgens dient de vraag te worden beoordeeld of de handelingen van verdachte maken dat hij medeplichtig is geweest aan de door de medeverdachten gepleegde overval.

Bij de politie verklaarde verdachte dat de twee die hij heeft opgehaald (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) hem hebben verteld wat ze gingen doen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat in de auto is gesproken over wat hij en [medeverdachte 1] gingen doen. Zij hebben met verdachte een rondje gereden om te lokaliseren waar aangevers waren en zij hebben gezamenlijk besloten waar verdachte op hen zou wachten. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de auto bij [medeverdachte 2] het gaspistool heeft gezien.

Nadat [medeverdachte 2] en verdachte werden vrijgelaten op het politiebureau, bespraken zij onder meer het volgende.

Verdachte: Wat ik al zei, ik ben niet boos op jou toch. maar ja, je had misschien voor mij wel kunnen zeggen dat ik van tevoren niet wist toch. (…)

Verdachte: Ja GG! [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) heeft mij nooit verteld man. Pas ja, misschien, ik bedoel, ik kan wel zeggen dat ik nu niks heb gedaan. Ik had op dat moment ook misschien gewoon ook moeten zeggen zo van "G moet je niet doen”.

De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte op de hoogte was van het plan van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om wiet te gaan stelen van aangever en dat [medeverdachte 2] hiervoor een gaspistool bij zich had. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij een diefstal met geweld, waarbij het gaspistool daadwerkelijk gebruikt zou worden en zwaar lichamelijk letsel bij aangever zou worden veroorzaakt. Hij had namelijk moeten weten dat aangever zich bij de overval zou kunnen gaan verzetten en dat dan het enkel dreigen met het gaspistool voor een succesvolle diefstal onvoldoende zou zijn. Verdachte moest er daarom op bedacht zijn dat het gaspistool ook daadwerkelijk zou kunnen worden gebruikt om de diefstal te voltooien en dat is ook gebeurd. Daarmee heeft verdachte niet alleen het (voorwaardelijk) opzet gehad op medeplegen aan een diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, maar lag in zijn voorwaardelijk opzet ook besloten dat hij behulpzaam was hierbij.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan een diefstal met geweld.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen medeverdachten

De raadsman heeft bij een bewezenverklaring voorwaardelijk verzocht om de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuigen te mogen horen. Voor wat betreft medeverdachte [medeverdachte 2] stelt de raadsman dat sprake is van een Keskin-getuige en dat de verdediging de mogelijkheid moet worden geboden om hem te ondervragen. Ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt dat het noodzakelijk is dat de verdediging hem als getuige kan horen, omdat hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

De rechtbank wijst de verzoeken van de verdediging tot het horen van de medeverdachten als getuigen af.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat dit verzoek aan de hand van de Keskin-jurisprudentie moet worden beoordeeld. Dit leidt echter niet tot een toewijzing van het verzoek van de verdediging, nu de verklaring van [medeverdachte 2] niet de sole or decisive basis is voor de bewezenverklaring. In het dossier bevindt zich nog meer belastend materiaal tegen verdachte en bovendien heeft verdachte ook een verklaring afgelegd welke op delen belastend is voor hemzelf.

Voor wat betreft het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] acht de rechtbank dit niet noodzakelijk, nu hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

4. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, een hoeveelheid wiet (ongeveer 50 gram), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen aan die [slachtoffer] te tonen en/of op die [slachtoffer] te richtten en/of

- met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of met een (gas)pistool, althans een (vuur)wapen in het gezicht van die [slachtoffer] te schieten,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht van die [slachtoffer] , ten gevolge heeft gehad;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 april 2021 te Vaassen, gemeente Epe, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met een auto op te halen en/of

- met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in een auto naar de (omgeving van de) afspraaklocatie te rijden en/of

- met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in een auto langs de afspraaklocatie te rijden om die [slachtoffer] te lokaliseren en/of

- een auto in de nabije omgeving van de afspraaklocatie te parkeren en op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te wachten en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] na de uitvoering van het delict met een auto van de (omgeving van de) plaats delict te vervoeren.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Subsidiair

Opzettelijk behulpzaam zijn bij een diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

6. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie houdt bij de bepaling van zijn eis rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, het letsel van aangever en het reclasseringsadvies over verdachte. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met en proeftijd van één jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte inmiddels zijn leven goed op de rails heeft en verzocht wordt om de schending van de redelijke termijn in de strafmaat te verdisconteren conform de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte is behulpzaam geweest bij de gewapende overval door zijn mededaders, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij deze overval is het slachtoffer in zijn gezicht geschoten met een gaspistool en is hij beroofd van 50 gram wiet. Verdachte heeft zijn mededaders van en naar de plaats delict vervoerd en heeft hen daarbij geholpen om deze overval gezamenlijk te kunnen plegen. Het slachtoffer heeft een ontsierend litteken in zijn gezicht overgehouden aan het handelen van verdachte en zijn mededaders, waardoor hij de rest van zijn leven herinnerd blijft worden aan de overval. De beroving heeft veel angst veroorzaakt bij het slachtoffer. Verder versterken zulke gebeurtenissen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het verboden karakter van de handel in en het bezit van een dergelijke hoeveelheid wiet, maakt dat de aangiftebereidheid van het slachtoffer, en daarmee de kans op ontdekking, minimaal is.

De rechtbank weegt verder mee dat bij verdachte geen sprake is van relevante documentatie en dat hij een aanzienlijk kleinere rol heeft gespeeld dan zijn mededaders.

De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden in beginsel passend en geboden is. De rechtbank houdt echter rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is in juli 2021 aangehouden, zodat de redelijke termijn op dat moment is aangevangen. Dit betekent dat bij berechting in eerste aanleg de redelijke termijn vanaf juli 2023 is overschreden, wat een (forse) overschrijding van 1 jaar en 6 maanden betekent. De rechtbank zal de onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom matigen tot een taakstraf voor de duur van 100 uur met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar.

9. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.063,15 aan materiële schade en € 10.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid met de medeverdachten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het materiële deel moet worden gematigd. Het gevorderde bedrag voor de kleding van de benadeelde partij moet worden afgewezen, wegens gebrek aan onderbouwing van het gevorderde bedrag.

Voor wat betreft het immateriële deel stelt de verdediging dat dit bedrag gematigd moet worden. Primair vindt de verdediging dat het dossier aanleiding geeft om te veronderstellen dat de benadeelde partij zelf een mes heeft getrokken. Er is derhalve sprake van eigen schuld bij de benadeelde partij. Subsidiair stelt de verdediging dat rekening moet worden gehouden met vergelijkbare zaken waarin lagere smartengeldvergoedingen worden toegekend dan het gevorderde bedrag.

Overweging van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Materiële schade

‘Medische kosten’, ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘reiskosten’

Voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘medische kosten’, ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’, ‘huishoudelijke hulp’ en ‘reiskosten’ is deze door de verdediging niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dan ook op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en wijst de vordering in zoverre toe.

‘Kleding’

De benadeelde partij heeft gesteld dat hij de kleding die bij hem in beslag is genomen en die hij droeg ten tijde van het feit nog niet terug heeft gekregen van de politie. Ter onderbouwing van de waarde van de kleding heeft benadeelde enkel printscreens overgelegd met daarop de huidige nieuwwaarde van enkele kledingstukken. De rechtbank is van oordeel dat slechts een deel van de gevorderde kledingkosten voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank oordeelt dat niet de aanschafwaarde/nieuwwaarde van de kleding moet worden vergoed, maar de vervangingswaarde. De rechtbank schat de vervangingswaarde van de kleding in redelijkheid op een bedrag ad € 250,00. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere afwijzen.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ten gevolge van dit letsel heeft benadeelde een blijvend ontsierend litteken in zijn gezicht opgelopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het verweer dat deze schade het gevolg zou zijn van eigen schuld van de benadeelde partij mist feitelijke grondslag nu bij de bewijsvraag noch de strafbaarheid van het feit, gesteld of gebleken is dat de bewezenverklaarde gedragingen een gevolg waren van het trekken van een mes. De rechtbank laat daarbij nog onbesproken de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit zich afspeelde naar aanleiding van een door verdachte en zijn medeverdachten zelf geïnitieerde beroving.

Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters toewijzen in vergelijkbare zaken, zal de rechtbank de hoogte van het bedrag vaststellen op € 4.500,00. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere afwijzen.

De gevorderde wettelijke rente over de toegekende immateriële schade zal worden toegewezen, met als ingangsdatum 11 april 2021. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter voldoening van het toegewezen bedrag. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdacht(en) de schade heeft/hebben vergoed.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 48, 49 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

 Afwijzing van het verzoek tot het horen van medeverdachten;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert, het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het meerdere af;

 bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Jansen-van Leeuwen (voorzitter), mr. A. Bonder en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2025.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Bonder
  • mr. A. van Veldhuizen

Griffier

  • mr. E.W.A. Nabbe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?