ECLI:NL:RBGEL:2025:3027

ECLI:NL:RBGEL:2025:3027, Rechtbank Gelderland, 17-04-2025, 05.014487.23

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 17-04-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer 05.014487.23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0008804

Samenvatting

Voorhanden hebben van verschillende wapens, te weten een pistool, een busje pepperspray, een busje traangas en twee stroomstootwapens, en munitie. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door op de openbare weg vanuit verdachtes auto aangever een vuurwapen te tonen en een magazijn in dat vuurwapen te steken en aangever daarbij de woorden toe te voegen: “ga nou weg, niet doorgaan, anders schiet ik je.” Niet aannemelijk geworden dat verdacht heeft gehandeld vanuit een noodweersituatie. Beroep op noodweer dan wel noodweerexces verworpen. Forse overschrijding van de redelijke termijn van 12 maanden. Gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.014487-23

Datum uitspraak : 17 april 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboortedatum] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. N.W.A. Dekens, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 12 april 2022, in de gemeente Apeldoorn een persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: - een vuurwapen te tonen aan die [slachtoffer] en/of - vervolgens een magazijn in het vuurwapen te steken/stoppen en/of - vervolgens voornoemd vuurwapen door te laden en/of daarbij opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen: "ga nou weg, niet doorgaan, anders schiet ik je", waarbij er voor die [slachtoffer] een zeer bedreigende situatie is ontstaan;

2. hij op of omstreeks 13 april 2022 te Apeldoorn, althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een bus traangas en/of pepperspray (merk: Umarex GmbH & Co.KG), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

3. hij op of omstreeks 13 april 2022, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland munitie van categorie II onder (sub) 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .45 auto en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten - 5 (volmantel) kogelpatronen van het kaliber .45auto (S&B .45 auto) en/of - 7 kogelpatronen van het kaliber .45 auto (Midway .45 auto) en/of voorhanden heeft gehad;

4. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (gelijkend op een zaklamp, merk: Police, model: Flashlight), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;

5. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een bus traangas en/of pepperspray (merk: American Style NATO super-paralisant CS-Gas Silliarde Maximum Bummer), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

6. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type P-10 S, kaliber 9/19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

7. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (merk: 800TYPE 500K VOLT), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 april 2022 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) de verkeerslichten bij de kruising van de Laan van Spitsenbergen met de Europaweg in Apeldoorn. Bij deze verkeerslichten stond [slachtoffer] met zijn auto achter de auto van verdachte. Beide auto’s stonden op dat moment stil. [slachtoffer] is toen uitgestapt en naar de auto van verdachte gelopen en heeft de deur van de bestuurderszijde van de auto van verdachte geopend. Verdachte zat op de bestuurdersstoel.

Op 13 april 2022 is verdachte in Apeldoorn aangehouden. Bij zijn aanhouding is een busje met pepperspray in de rechterbroekzak van verdachte aangetroffen. Dit busje pepperspray van het merk Umarex GmbH & Co.KG is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen.In verband met de aanhouding is ook de auto van verdachte doorzocht. In de armleuning tussen de stoel van de bestuurder en de bijrijder is scherpe munitie voor een vuurwapen aangetroffen.

Op 13 april 2022 is de woning van verdachte in [woonplaats] doorzocht. In de kruipruimte is een zwart vuurwapen aangetroffen. Het gaat om een pistool, van het merk CZ, type P-10 S, kaliber 9/19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool. In de afgesloten slaapkamer van verdachte zijn kogelpatronen, twee stroomstootwapens en een busje met traangas aangetroffen. Het gaat om 4 kogelpatronen van het kaliber .45 auto (munitie in de zin van artikel 2 lid 2 categorie II sub 4 van de Wet wapens en munitie). Daarnaast is sprake van 5 volmantel kogelpatronen van het kaliber .45 auto (met op de hulsbodems vermeld S&B 45 auto) en 7 kogelpatronen van het kaliber .45 auto (met op de hulsbodems vermeld Midway 45 auto), zijnde munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. Eén stroomstootwapen is van het merk Police, model flashlight met de uiterlijke kenmerken van een zaklamp en één stroomstootwapen is van het merk 800TYPE, 500K VOLT, met beide voorwerpen kunnen door een elektrische stroomstoot personen weerloos worden gemaakt of pijn worden toegebracht. Het busje traangas is een American Style NATO super-paralisant CS-Gas Silliarde Maximum Nummer, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat ten onrechte (gemeente) Apeldoorn ten laste is gelegd in plaats van [plaats] , maar dat door de toevoeging ‘althans in Nederland’ wel tot een bewezenverklaring van ook dit feit kan worden gekomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (primair) bepleit dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten 1 en 6 moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft de betrouwbaarheid van aangever en de getuigen in twijfel getrokken ten aanzien van het voorhanden hebben van een wapen, het tonen en het (door)laden van het vuurwapen door verdachte en de door verdachte geuite bedreiging. De getuigen zijn partijdig en de verklaringen van aangever en de getuigen zijn onderling wisselvallig en inconsistent. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte de vereiste wetenschap en beschikkingsmacht over het - in de kruipruimte aangetroffen - vuurwapen had. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 5 en 7 geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten 2, 3, 4, 5 en 7

Gelet op de vastgestelde feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens en munitie zoals onder de feiten 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste is gelegd, voorhanden heeft gehad. De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 dat er voor verdachte geen onduidelijkheid bestond over de plaats waar hij dit feit in Nederland heeft gepleegd, zodat het ontbreken van de juiste plaatsnaam in de tenlastelegging niet tot een ander oordeel leidt.

Feit 1

[slachtoffer] heeft op 12 april 2022 aangifte gedaan van bedreiging.

Hij heeft over de aanleiding van de confrontatie bij het verkeerslicht en de reden van het opentrekken van de deur van verdachte verklaard dat hij door zijn vrouw was gebeld over een incident tussen haar en verdachte bij een supermarkt. Hij is toen met de auto vanaf zijn zaak komen aanrijden. Zijn bekenden [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn hem toen gevolgd.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat hij de deur van de auto van verdachte open had gedaan, zag dat verdachte een zwart vuurwapen vast had. [slachtoffer] stond op dat moment op minder dan een meter afstand van verdachte. Hij hoorde dat de man zei: “Ga nou weg, niet doorgaan anders schiet ik je”. Op het moment dat [slachtoffer] de deur van de auto van verdachte opentrok, kwamen voornoemde bekenden aanrijden.

Getuige [getuige 1] heeft op 12 april 2022 verklaard dat hij achter [slachtoffer] aan is gereden. Dat hij [slachtoffer] naast een auto zag staan, is uitgestapt en naar hem is toegelopen. Toen hij aan de bestuurderszijde naast de auto van verdachte stond, zag hij dat er een vuurwapen op de schoot van verdachte lag. Hij stond op minder dan een meter afstand en had vrij zicht op dat moment. Hij zag dat verdachte een magazijn vast had en dat magazijn in het vuurwapen deed. [getuige 1] heeft op 14 april 2022 aanvullend verklaard dat het een zwart vuurwapen was.

Getuige [getuige 2] heeft op 13 april 2022 verklaard dat hij ook naar de auto van verdachte is gelopen en verdachte gedeeltelijk kon zien doordat de deur van de auto geopend was. Op enig moment zag hij dat verdachte een zwart vuurwapen vasthield en dat verdachte een magazijn in het vuurwapen plaatste.

Getuige [getuige 3] heeft op 14 april 2022 verklaard dat hij naar de auto van verdachte liep en zag dat verdachte een zwart vuurwapen vasthield. Hij zag dat verdachte het magazijn eruit haalde en vervolgens weer terug in het vuurwapen deed. [getuige 3] zag dat verdachte het vuurwapen doorlaadde.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] direct, op de dag van het incident, aangifte heeft gedaan en dat [getuige 1] op diezelfde dag, kort na de aangifte, telefonisch is verhoord. [getuige 2] en [getuige 3] zijn vervolgens één dag respectievelijk twee dagen later verhoord. Nu aangever en de getuigen kort na het incident zijn verhoord en uit de verklaringen of anderszins niet blijkt van onderlinge afstemming, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en de getuigen. Het enkele feit dat de getuigen en aangever bekenden van elkaar zijn, is onvoldoende om de betrouwbaarheid van hun verklaringen in twijfel te trekken. [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] hebben hun verklaringen bij de rechter-commissaris ook herhaald.

Anders dan het standpunt van de verdediging is de rechtbank niet van oordeel dat sprake is van wisselvallige en inconsistente verklaringen over de gebeurtenissen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen heeft doorgeladen. Getuige [getuige 3] is de enige die dit verklaard, [slachtoffer] heeft hierover niets verklaard en de andere getuigen weten niet of verdachte het vuurwapen zou hebben doorgeladen. [getuige 3] is bovendien als enige niet verhoord bij de rechter-commissaris. Van dit gedeelte van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook vrijgesproken. Het tonen van het vuurwapen aan [slachtoffer] en het plaatsen van het magazijn in dit vuurwapen is met de aangifte en getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen.

Hoewel alleen [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte de ten laste gelegde dreigende woorden “ga nou weg, niet doorgaan, anders schiet ik je” heeft gebruikt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit gezegd heeft, nu deze woorden worden ondersteund door verdachtes eigen verklaring dat er op dat moment een discussie heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] en het hiervoor bewezen tonen van het vuurwapen en het plaatsen van het magazijn in dit vuurwapen. Ook dit deel van de tenlastelegging is bewezen.

Feit 6

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat verdachte feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Het pistool is aangetroffen in kruipruimte van de woning van verdachte, waar hij samen met zijn ouders woont. Het pistool is door het NFI onderzocht en vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. De conclusie van dit DNA-onderzoek is dat wordt aangenomen dat de bemonstering van de binnenzijde van de loop van het pistool DNA bevat van drie personen en dat het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is dat het DNA afkomstig is van verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Voor de bemonstering van de ruwe delen, trekker en trekkerbeugel van het pistool wordt aangenomen dat het DNA bevat van twee personen en dat het meer dan één miljard keer waarschijnlijker is dat het DNA afkomstig is van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat zich zowel in de loop als op de ruwe delen, trekker en/of trekkerbeugel celmateriaal van verdachte bevond.

De politie heeft foto’s van de kogelpatroon die in de auto van verdachte zijn aangetroffen bekeken en aan de hand van de daarop waargenomen aanduidingen op de kogels en de huls tot de conclusie gekomen dat deze met het pistool uit de woning van verdachte kan worden verschoten.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het pistool in de vrij toegankelijke kruipruimte in de woning van verdachte is aangetroffen en dat op (en in) het pistool celmateriaal van verdachte zat. Verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe het vuurwapen met zijn lichaamsmateriaal er op en er in zonder zijn medeweten in de kruipruimte van zijn woning is terechtgekomen wat in deze omstandigheden wel had mogen worden verwacht. Temeer nu verdachte (gelet op de verklaringen zoals opgenomen onder feit 1) een dag ervoor is gezien met een op dat aangetroffen zwarte pistool lijkend vuurwapen en er een kogelpatroon in zijn auto is gevonden die met dit pistool kan worden afgeschoten acht de rechtbank bewezen dat verdachte de beschikkingsmacht over dit vuurwapen had en zich van de aanwezigheid van dit vuurwapen bewust is geweest. Dat in de woning van verdachte nog twee andere bewoners (zijn ouders) woonachtig zijn, maakt dit niet anders. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 6 ten laste gelegde.

4. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks 12 april 2022, in de gemeente Apeldoorn een persoon genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: - een vuurwapen te tonen aan die [slachtoffer] en/of - vervolgens een magazijn in het vuurwapen te steken/stoppen en/of - vervolgens voornoemd vuurwapen door te laden en/of daarbij opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen: "ga nou weg, niet doorgaan, anders schiet ik je", waarbij er voor die [slachtoffer] een zeer bedreigende situatie is ontstaan;

2. hij op of omstreeks 13 april 2022 te Apeldoorn, althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een bus traangas en/of pepperspray (merk: Umarex GmbH & Co.KG), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

3. hij op of omstreeks 13 april 2022, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland munitie van categorie II onder (sub) 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .45 auto en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten - 5 (volmantel) kogelpatronen van het kaliber .45auto (S&B .45 auto) en/of - 7 kogelpatronen van het kaliber .45 auto (Midway .45 auto) en/of voorhanden heeft gehad;

4. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (gelijkend op een zaklamp, merk: Police, model: Flashlight), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;

5. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een bus traangas en/of pepperspray (merk: American Style NATO super-paralisant CS-Gas Silliarde Maximum Nummer), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

6. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type P-10 S, kaliber 9/19 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

7. hij op of omstreeks 13 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen (merk: 800TYPE 500K VOLT), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2, 4, 5 en 7 steeds:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 6:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

6. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw (subsidiair) aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel (meer subsidiair) noodweerexces.

Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Verdachte is door [slachtoffer] achtervolgd. [slachtoffer] heeft eerst geprobeerd de auto van verdachte en zijn vriendin klem te rijden. Toen dat niet lukte, is [slachtoffer] verdachte verder gevolgd en op het moment dat verdachte stilstond in het verkeer heeft [slachtoffer] in het bijzijn van zijn drie vrienden de deur van de auto opengetrokken en hem intimiderend aangesproken. Dit is volgens de verdediging een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden maken dat een noodweersituatie aannemelijk is geworden en dat verdachte, wat hem betreft, niet strafbaar is ten aanzien van de bedreiging.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat door de gedragingen van [slachtoffer] , het klemrijden en opentrekken van de deur op enig moment sprake was van enig gevaar voor een aanranding van eigen of eens ander lijf, maar is op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat sprake was een dusdanige onmiddellijke dreiging dat de gedragingen van verdachte, het tonen van het vuurwapen en het plaatsen van het magazijn, geboden waren door de noodzakelijke verdediging van hemzelf en/of zijn vriendin.

Met name is ook niet aannemelijk geworden dat verdachte zoals de raadsvrouw aanvoert - voordat hij het vuurwapen trok - door vier mannen werd belaagd.

Verdachte zelf heeft niet verklaard dat zich op enig moment een dergelijke onmiddellijk dreigend gevaar bestond. Hij heeft over de confrontatie verklaard:

Die man zei toen tegen mij: "Waarom bedreig jij mijn vrouw?" Toen zei ik dat dat niet klopte en heb ik mijn kant van het verhaal aan hem verteld. Mijn vrouw ging toen ook uitstappen om het uit te leggen. Die man ging toen slaande bewegingen naar mij maken, maar ook dat heb ik vermeden. Ik heb zijn vrouw ook niet meer gezien vanaf het moment dat die man er was. Deze discussie ging buiten de auto nog even verder. Uiteindelijk zijn mijn vrouw en ik in onze auto gestapt en zijn we weggereden. Verder is er niks gebeurd.

Dat er sprake is geweest van een dreigende aanval door meerdere personen of anderszins enig dusdanig dreigend onmiddellijk gevaar dat dit het trekken van een vuurwapen rechtvaardigde blijkt daar niet uit, integendeel, aannemelijk wordt daaruit enerzijds dat er slechts een confrontatie was met [slachtoffer] en anderzijds dat er voldoende minder verdergaande mogelijkheden waren om een eventuele gevaarlijke situatie af te wenden, zoals de door verdachte genoemde uitleg van zijn kant van de situatie, de tussenkomst van zijn partner, eventueel het aanbieden van excuses en/of uiteindelijk het wegrijden.

Ook uit de verklaringen van [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] wordt het bestaan van de noodzaak van het trekken van het vuurwapen niet aannemelijk. Zij verklaren dat verdachte het vuurwapen al vasthad toen [slachtoffer] de autodeur opentrok, voordat zij aangever genaderd waren. Verdere confrontaties zijn volgens hen uitgebleven. Ook volgens [slachtoffer] is de bijrijdster er tussen gaan staan en is verdachte op enig moment weggereden. Een onmiddellijke (dreigende) aanval van meerdere personen volgt daar niet uit.

Dat [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, bijna drie jaren na het incident, heeft verklaard dat hij op zoek was gegaan naar verdachte omdat hij kwaad was en verdachte “een draai om z’n oren wilde geven” maakt het vorenstaande niet anders. Dat [slachtoffer] dit voornemen daadwerkelijk zou uitvoeren en dat dit al resulteerde in een onmiddellijk dreigend gevaar en dat dit op het moment van het trekken van het vuurwapen niet anderszins kon worden voorkomen volgt daar geenszins uit, nog daargelaten dat aannemelijk is geworden dat deze intentie van [slachtoffer] destijds al bij verdachte bekend was. Ook dan geldt nog dat dit, gelet op de genoemde alternatieve mogelijkheden, nog niet zou nopen tot het trekken van een vuurwapen.

Zoals overwogen heeft verdachte zelf niet verklaard over een noodweersituatie. Hij is niet ter terechtzitting verschenen om het namens hem door zijn advocaat gedane stelling dat hij zou hebben gehandeld uit noodweer toe te lichten of aannemelijk te maken. Dit verweer van de verdediging, zoals overgenomen door de officier van justitie, lijkt dan ook enkel gebaseerd op veronderstellingen.

De conclusie is dat niet aannemelijk is geworden dan verdacht heeft gehandeld vanuit een noodweersituatie en dat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Dit verweer wordt eveneens verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een (eventueel op te leggen) onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden beperkt tot de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door op 12 april 2022 op de openbare weg vanuit zijn auto aangever een vuurwapen te tonen en een magazijn in dat vuurwapen te steken en aangever daarbij de woorden toe te voegen: “ga nou weg, niet doorgaan, anders schiet ik je.” Daarmee heeft verdachte bij aangever, en ook bij de andere personen die het vuurwapen hebben gezien, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende wapens, te weten een pistool, een busje pepperspray, een busje traangas en twee stroomstootwapens, en munitie. Het ongecontroleerde bezit van deze wapens brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en vormt een aanzienlijke dreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit daarvan maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan, met alle – vaak onherstelbare – gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 4 maart 2025 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 24 mei 2024. Hieruit volgt dat het voor de reclassering vanwege de proceshouding van verdachte en de beperkte informatie die is ontvangen, niet mogelijk is gebleken om delictgerelateerde factoren aan te wijzen. Wel kunnen volgens de reclassering eventuele problemen op de leefgebieden worden beschreven. Er zijn aanwijzingen dat verdachte zich in een crimineel netwerk zou (hebben) begeven. Hij heeft geen startkwalificatie en zijn werkverleden blijft vaag. Ondanks zijn belastingschuld lijkt er geen sprake van forse financiële problematiek. Ondanks veelvuldig middelengebruik in het verleden zou er nu geen sprake meer zijn van drugsgebruik. Of er sprake is van agressieproblematiek of een gebrek aan probleemoplossend vermogen is voor de reclassering onduidelijk gebleven. Omdat het recidiverisico niet kan worden ingeschat, het niet mogelijk is gebleken om delictgerelateerde factoren aan te wijzen en er geen hulpvraag lijkt te zijn, heeft de reclassering geen aanknopingspunten om in te kunnen schatten of bijzondere voorwaarden nodig zijn om gedragsverandering (indien nodig) te bewerkstelligen. Bij een veroordeling adviseert zij daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat er weliswaar geen sprake is geweest van noodweer(exces), maar dat aangever verdachte wel heeft opgezocht en daarmee dus een aandeel heeft gehad in (de aanleiding van) het incident op 12 april 2022. Ook houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij mantelzorger is voor zijn beide ouders. Verdachte krijgt hiervoor betaald vanuit het persoonsgebonden budget van zijn ouders. Daar staat tegenover dat gesteld noch gebleken is dat er geen andere betaalde hulp voor hen kan worden verkregen. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en dat hij niet ter terechtzitting is verschenen om een verklaring af te leggen.

Met inachtneming van het voorgaande, alsmede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en het feit dat de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie verdachte strafbaar acht voor alle bewezen verklaarde feiten, is de rechtbank

van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door de officier van justitie geëiste straf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, op zichzelf passend en geboden.

De rechtbank constateert dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het uitgangspunt is dat een rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een vonnis uitspreekt. Als uitgangspunt van de redelijke termijn geldt in onderhavige zaak de dag waarop verdachte werd aangehouden, strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet op 17 april 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daarmee met twaalf maanden overschreden. Weliswaar is de zaak ter terechtzitting van 1 juli 2024 aangehouden voor het horen van vijf getuigen door de rechter-commissaris op verzoek van de raadsvrouw, maar dat maakt niet dat genoemde overschrijding volledig of met name te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak dan wel aan de proceshouding van verdachte of onderzoekswensen van de verdediging. De overschrijding zal daarom leiden tot enige matiging van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn echter geen aanleiding om tot een andere strafmodaliteit over te gaan. Daarvoor zijn de feiten te ernstig.

Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.

9. De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de teruggave van de hierna genoemde voorwerpen aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet:

- telefoon Apple 13 Pro (goednummer PL0600-2022158835-2726084);

- telefoon Apple (goednummer PL0600-2022158835-2726088).

De rechtbank zal ook de teruggave van een ‘brok vermoedelijk hasj’ (goednummer PL0600-2022158835-2726139) aan verdachte gelasten, nu het gaat om een geringe hoeveelheid die slechts indicatief is getest, waardoor niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank zal verder beslissen dat de hierna genoemde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, omdat met betrekking tot deze inbeslaggenomen voorwerpen de feiten zijn begaan en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet:

- munitie (kogelpatroon), S&B 9x19 (goednummer PL0600-2022158835-2726112);

- stroomstootwapen (goednummer PL0900-2022103012-2975993);

- stroomstootwapen, Police Flashlight (goednummer PL0900-2022103012-2975995);

- pepperspray (goednummer PL0900-2022103012-2976003);

- sok met hulzen en patronen (goednummer PL0900-2022103012-2976005);

- zwarte vuilniszak waarin vuurwapen zat (goednummer PL0900-2022103012-2976007);

- zwart pistool inclusief patroonhouder, merk CZ P-10 (goednummer PL0900-2022103012-2976012).

Bij gelegenheid van het onderzoek zijn ook andere voorwerpen aangetroffen. Deze voorwerpen staan niet in enig verband met de bewezenverklaarde feiten, waardoor artikel 36c Sr geen grondslag biedt voor onttrekking aan het verkeer. Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn echter ook de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan (artikel 36d Sr).

De rechtbank is van oordeel dat het zwarte mes, merk Sinclair (goednummer (PL0900-2022103012-2975996), kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten zoals bewezenverklaard. De rechtbank zal daarom beslissen dat dit mes wordt onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De volgende voorwerpen resteren:

- ponypack met vermoedelijk cocaïne (goednummer PL0600-2022158835-2726135);

- ponypack met vermoedelijk cocaïne (goednummer PL0600-2022158835-2726138);

- verdovende middelen (cocaïne, crack) (goednummer PL0900-2022103012-2976017);

- plastic zak met mogelijk drugs en wat gripzakjes (goednummer PL0900-2022103012-

2976020).

Ten aanzien van deze voorwerpen kan niet worden gezegd dat zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten zoals bewezenverklaard, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Artikel 36d Sr biedt dus evenmin grondslag om deze voorwerpen te onttrekken aan het verkeer. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangegeven dat, behalve de twee telefoons, de inbeslaggenomen voorwerpen niet terug hoeven naar verdachte. De rechtbank verstaat deze mededeling aldus dat over genoemde vier voorwerpen geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten drie (3) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:

- munitie (kogelpatroon), S&B 9x19 (goednummer PL0600-2022158835-2726112);

- stroomstootwapen (goednummer PL0900-2022103012-2975993);

- stroomstootwapen, Police Flashlight (goednummer PL0900-2022103012-2975995);

- pepperspray (goednummer PL0900-2022103012-2976003);

- sok met hulzen en patronen (goednummer PL0900-2022103012-2976005);

- zwarte vuilniszak waarin vuurwapen zat (goednummer PL0900-2022103012-2976007);

- zwart pistool inclusief patroonhouder, merk CZ P-10 (goednummer PL0900-

2022103012-2976012);

- zwart mes, merk Sinclair (goednummer (PL0900-2022103012-2975996);

 gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte:

- telefoon Apple 13 Pro (goednummer PL0600-2022158835-2726084);

- telefoon Apple (goednummer PL0600-2022158835-2726088);

- brok vermoedelijk hasj (goednummer PL0600-2022158835-2726139).

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T.P.E.E. van Groeningen
  • mr. P. Verkroost

Griffier

  • mr. M. van Gameren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?