RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/009373-25 en 05/104628-25 (gev. t.t.z.)
Datum uitspraak : 9 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats],
raadsman: mr. T. Scheffer, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van parketnummer 05/009373-25:
1.hij op of omstreeks 7 januari 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk/type BBM Bruni Olympic 38, kaliber .22lr (long rifle) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 7 januari 2024 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van een categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietstaaf (merkloos), kaliber 6.35mm zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen, te weten een schietpen voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 7 januari 2024 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- één kogelpatroon van het kaliber 6.35mm en/of- 151, althans een of meerdere, kogelpatronen van het kaliber .22lr (long rifle)
voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van parketnummer 05/104628-25:
1.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten gaspistool, van het merk Rohm, type RG 300, kaliber 6mm folbert zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten gaspistool, van het merk Glock, type 17gen5, kaliber 9mm knal/gas zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;3.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50, althans een of meerdere, knalpatronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
ten aanzien van parketnummer 05/009373-25 :
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen feit 1:
- proces-verbaal van bevindingen, p. 7-9;
- proces-verbaal onderzoek wapen, p. 126-127;
- verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 april 2025.
Bewijsmiddelen feit 2:
- proces-verbaal van bevindingen, p. 7-9;
- proces-verbaal onderzoek wapen, p. 116;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 april 2025.
Bewijsmiddelen feit 3:
- proces-verbaal van bevindingen, p. 7-9;
- proces-verbaal onderzoek wapen, p. 106-107;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 april 2025.
ten aanzien van parketnummer 05/104628-25 :
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de gaspistolen zijn onderworpen aan voorlopige onderzoeken, maar een volledig wapenrapport ontbreekt. De wapens zijn niet getest en dus kan niet bewezen worden dat ze geschikt zijn om mee te schieten. Nu de gaspistolen niet zijn getest en volgens de verbalisant vooralsnog bestemd zijn om mee te schieten kan evenmin worden geconcludeerd dat voldaan is aan het bestemmingsvereiste.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feit 3.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
De rechtbank zal de feiten 1 en 2 tegelijk beoordelen gelet op de nauwe onderlinge samenhang.
Op 27 maart 2025 heeft de verbalisant in de woning van verdachte op de [adres] te [woonplaats] twee zwarte plastic dozen aangetroffen. In beide dozen zat een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Deze wapens zijn in beslag genomen.
Een verbalisant heeft onderzoek ingesteld naar een voorwerp dat op 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, in beslag was genomen. Het betrof een gaspistool van het merk Röhm, model RG 300, met serienummer [serienummer 1] in het kaliber 6mm flobert. De werking van het gaspistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Het gaspistool is vooralsnog bestemd om traanverwekkende, weerloosmakende, verstikkende of soortgelijke stoffen af te schieten door een gedeeltelijk open loop. Het betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Verbalisant heeft onderzoek ingesteld naar een voorwerp dat op 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, in beslag was genomen. Het betrof een gaspistool l van het merk Glock, model 17Gen5, met serienummer [serienummer 2] in het kaliber 9mm knal/gas. Dit gaspistool is geschikt om de tevens inbeslaggenomen knalpatronen te verschieten. Dit gaspistool is vooralsnog bestemd om weerloosmakende of traanverwekkende, verstikkende of soortgelijke stoffen af te schieten door een loop en waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of andere scheikundige reactie. Dit gaspistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapen en Munitie.
Verdachte heeft verklaard dat de in beslag genomen gaspistolen van hem waren. Deze wapens had hij in Emmerich gekocht.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer als volgt. Een vuurwapen is volgens artikel 1, sub 3, van de Wet Wapens en Munitie: “een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een ontploffing of een andere scheikundige reactie”. Gaspistolen, zoals in casu aangetroffen, vallen onder die definitie, immers, zijn die, blijkens onderzoek, bestemd om (oorspronkelijk) stoffen door een loop af te schieten waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of reactie.
Op grond van het voorgaande kan het verweer van de verdediging dat het proces-verbaal van de wapendeskundige voorlopig is en dat er geen schietproeven zijn gedaan, geen doel treffen. De politie heeft er kennelijk van afgezien nader onderzoek te doen naar de vraag of de gaspistolen ook geschikt waren om met scherpe munitie te schieten. Wat daarvan ook zij, dat neemt niet weg dat in het rapport wel beschreven staat dat het hoe dan ook om gaspistolen gaat. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- proces-verbaal van bevindingen, p. 15-16;
- proces-verbaal onderzoek wapen, p. 55;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 april 2025.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de parketnummers 05/009373-25 en 05/104628-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
ten aanzien van parketnummer 05/009373-25:
1.hij op of omstreeks 7 januari 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk/type BBM Bruni Olympic 38, kaliber .22lr (long rifle) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 7 januari 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van een categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietstaaf (merkloos), kaliber 6.35mm zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen, te weten een schietpen voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 7 januari 2024 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten- één kogelpatroon van het kaliber 6.35mm en/of- 151, althans een of meerdere, kogelpatronen van het kaliber .22lr (long rifle)
voorhanden heeft gehad;ten aanzien van parketnummer 05/104628-25:
1.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Rohm, type RG 300, kaliber 6mm folbert zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal, althans in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Glock, type 17gen5, kaliber 9mm knal/gas zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 27 maart 2025 te [woonplaats], gemeente Berg en Dal munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50, althans een of meerdere, knalpatronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van parketnummer 05/009373-25:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van parketnummer 05/104628-25:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan verdachte een straf op te legen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een groot aantal (vuur)wapens en munitie. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Illegaal wapenbezit hoort niet thuis in de maatschappij en dient krachtig te worden bestreden. Het staat buiten kijf dat het ongeoorloofde bezit van dergelijke wapens en munitie onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich brengt vanwege de kans op het gebruik daarvan, met alle mogelijke onomkeerbare gevolgen van dien. Verdachte is naar eigen zeggen een verzamelaar, maar dat doet niet af aan het feit dat dit onderdeel van zijn verzameling verboden is. Juist als verzamelaar ligt het op zijn weg om zich goed te laten informeren over de legaliteit van zijn verzameling nu het gaat om wapens.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 april 2025 waaruit blijkt dat hij een uitgebreid justitieel verleden kent.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 11 april 2025. Geadviseerd wordt oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank ziet aan de andere kant het belang van verdachte bij het behoud van zijn woning en ziet daarin aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en aftrek van de tijd die reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht, passend. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en behoud van verdachtes woning.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 5 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bonder (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2025.
mr. G.L.C. van den Bosch en mr. L.L.M. van Schaik zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.