RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/321419-24
Datum uitspraak : 30 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] (Duitsland), wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats].
Raadsman: mr. M.S. Rozenbeek, advocaat in Haarlem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, openlijk, te weten op/aan de Keizer Karelplein en/of de Molenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door:
- één of meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen, en/of
- één of meerdere malen (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde geweld gericht tegen [slachtoffer 2]. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op de camerabeelden slechts te zien is dat medeverdachte [medeverdachte] een slaande beweging maakt en niet dat deze beweging [slachtoffer 2] raakt. Een onbekend gebleven persoon heeft [slachtoffer 2] geslagen. Verdachte kent deze onbekend gebleven persoon niet en er is geen sprake geweest van onderlinge betrokkenheid. Voor het overige, waaronder het geweld gericht tegen [slachtoffer 1], heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Vaststaat dat op 20 juli 2024 aan het Keizer Karelplein te Nijmegen een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen meerdere personen.
Het dossier bevat camerabeelden waarop de vechtpartij is te zien. Verbalisant [verbalisant 1] heeft deze camerabeelden uitgekeken en de betrokken personen omschreven als verdachte 1, 2 en 3 en aangever 1 en 2.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de personen en beelden als volgt beschreven:
(…)
Aangever/slachtoffer 1:
- man;
- 40-50 jaar oud;
- licht getinte huidskleur;
- korte donkere haren;
- witte blouse;
- zwarte lange broek;
- zwarte schoenen.
Aangever/slachtoffer 2:
- man;
- 25-30 jaar;
- blanke huidskleur;
- donkere broek;
- donker t-shirt;
- lichte haarkleur.
(…)
04:49:13
Verdachten 1 en 2 en persoon 1 staan tegenover aangever 1.
04:49:18
Verdachte 1 duwt met beide handen aangever 1 naar achteren. Hierdoor zet aangever 1
één stap naar achter.
04:49:19
Aangever 1 pakt de armen van verdachte 1 vast terwijl verdachte 1 aangever 1 nog duwt
op zijn borst.
04:49:23
Verdachte 2 draait zich om en voegt zich bij verdachte 1.
04:49:24
Verdachte 1 haalt zich rechterarm naar achter, en haalt zijn rechterarm vervolgens
met kracht naar voren. Verdachte 1 had zijn rechtervuist gebald en slaat hiermee
aangever 1 op zijn linkerwang/oog. Direct na de klap draaide het hoofd en de romp van
aangever 1 naar rechts.
04:49:25
Aangever 1 laat verdachte 1 los en zet een stap naar achteren.
04:49:26
Aangever 2 klemt verdachte 1 vast bij zijn nek. Ik kan niet goed zien hoed dit
gebeurd. Hierdoor buigt het lichaam van verdachte 1 iets naar beneden. Gelijktijdig
loopt verdachte 2 achter aangever 1 aan, haalt met zijn rechter arm uit naar het
gezicht van aangever 1. Aangever 1 wordt geraakt op zijn linkerwang/-oog.
04:49:27
Als gevolg van de klap deinst aangever 1 achterover maar komt niet ten val. Direct
hierna haalt verdachte 2 uit met zijn linkerarm richting het gezicht van aangever 1.
Het is niet te zien of dit met een vuist of een vlakke hand gebeurd. Gelijktijdig
haalt verdachte 1 met zijn rechtervuist, welke is gebald, uit in de richting van het
gezicht van aangever 2. Aangever 2 wordt hierbij geraakt in zijn gezicht ter hoogte
van zijn ogen.
04:49:28
Aangever 1 haalt zijn linkerarm naar achteren en brengt deze met kracht naar voren om
verdachte 2 op zijn gezicht te slaan. Verdachte 2 bukte echter toen aangever 1 hem
wilde slaan en ontweek hierdoor de klap. Gelijktijdig lijkt het alsof aangever 2 aan
beweging met zijn rechterbeen maakt on de richting van de benen van verdachte 1.
Verdachte 1 struikelt half maar komt niet ten val.
04:49:29
Verdachte 2 halt wederom uit mijn zijn rechtervuist in de richting van het gezicht
van aangever 1 maar aangever 1 kan deze klap ontwijken.
04:49:31
Aangever 2 pakt verdachte 1 vast bij zijn kraag. Verdachte 3 bemoeit zich met de
situatie tussen verdachte 1 en aangever 2. Hij haalt zijn rechterarm naar achter en
brengt deze met kracht naar voren. Hij slaat hierbij aangever 2 met gebalde vuist
tweemaal op zijn hoofd. Hierdoor komt aangever 2 al bij de eerste klap ten val over
een prullenbak. Gelijktijdig zie ik dat verdachter 2 achter aangever 1 rent. Mijn
zicht werd belemmerd door twee palen met daarop verkeersborden.
04:49:34
Aangever 1 pakt met beide handen zijn neus vast en rent weg in de richting van de
Oranjesingel. Gelijktijdig zie ik dat aangever 2 nog steeds in dezelfde houding
voorover op een prullenbak hangt.
(…)
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van openbare geweldpleging op 20 juli 2024 omstreeks 04:45 uur in de buurt van het Keizer Karelplein in Nijmegen. De politie heeft foto’s van het letsel van [slachtoffer 1] gemaakt.
[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van openlijke geweldpleging, gepleegd op 20 juli 2024 toen hij met zijn vriend ([slachtoffer 1]) richting het Keizer Karelplein in Nijmegen liep. De politie heeft foto’s van het letsel van [slachtoffer 2] gemaakt.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte liep samen met medeverdachte [medeverdachte] de stad uit toen er vanuit een groep mensen wat werd geschreeuwd en gescholden, waarna een vechtpartij heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] is gaan helpen en iemand heeft geslagen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij degene is die door verbalisant [verbalisant 1] bij de beschrijving van de camerabeelden ‘verdachte 2’ wordt genoemd en dat [medeverdachte] in het proces-verbaal van [verbalisant 1] ‘verdachte 1’ wordt genoemd.
Verbalisant [verbalisant 1] omschrijft in het proces-verbaal de signalementen van twee aangevers. Gelet op de aangiftes, de letselfoto’s en de signalementen (de leeftijd, de huidskleur, de haarkleur en de witte blouse respectievelijk het donkere T-shirt) is, gelet op de overeenkomsten, vast te stellen dat ‘aangever 1’ [slachtoffer 1] is en dat ‘aangever 2’ [slachtoffer 2] is.
Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat [medeverdachte] allereerst [slachtoffer 1] meermaals duwt en hem met een vuist tegen zijn gezicht slaat. Vervolgens slaat ook verdachte [slachtoffer 1] tegen zijn gezicht. Gelijktijdig haalt [medeverdachte] dan met zijn vuist uit richting [slachtoffer 2] en raakt hem ook in zijn gezicht. Pas daarna bemoeit de onbekend gebleven ‘verdachte 3’ zich met de situatie.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elk een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan het gebruikte geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl dit geweld plaatsvond in het openbaar. Het ten laste gelegde feit, het in vereniging plegen van openlijk geweld door het duwen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en het slaan en/of stompen in het gezicht van [slachtoffer 1] én [slachtoffer 2], is daarom wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 20 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, openlijk, te weten op/aan de Keizer Karelplein en/of de Molenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door:
- één of meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen, en/of
- één of meerdere malen (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte een taakstraf conform de LOVS-oriëntatiepunten dient te worden opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen door één van de slachtoffers te duwen en één of meerdere malen tegen het gezicht van beide slachtoffers te slaan. Verdachte heeft ervoor gekozen om één van de slachtoffers, nadat [medeverdachte] hem al had geslagen, ook te slaan in plaats van uit de situatie weg te lopen. Dit gedrag rekent de rechtbank hem aan. De slachtoffers hebben hierbij lichamelijk letsel opgelopen. Dergelijke feiten maken ernstig inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden in het uitgaansleven tijdens de Nijmeegse Vierdaagse, waardoor er veel mensen op straat waren en die dus getuige zijn geweest van het incident.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 21 maart 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.
De reclassering heeft op 23 januari 2025 een rapport uitgebracht en hieruit blijkt het volgende. Verdachte heeft volgens de reclassering een nonchalante houding en trekt een duidelijke grens met betrekking tot de informatie die hij wil geven. Verdachte heeft aangegeven geen hulp nodig te hebben. De reclassering vindt dat er tijdens het gesprek geen ruimte ontstond om door te vragen en daardoor heeft de reclassering onvoldoende zicht op de verschillende leefgebieden. Verdachte woont bij zijn ouders, heeft een eigen bedrijf en heeft geen financiële problemen. Op grond van de beperkte beschikbare informatie ziet de reclassering geen aanleiding om reclasseringsinterventies in te zetten. De reclassering adviseert daarom geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wat betreft openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel uitgaan van een taakstraf voor de duur van 150 uren. Verdachte en zijn medeverdachte hebben een vergelijkbare bijdrage gehad aan de openlijke geweldpleging. Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden een taakstraf voor de duur van 150 uren.
8. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.734,83 aan materiële schade en € 800,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van handelingen ten aanzien van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft materiële schade en smartengeld gevorderd op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW onder ‘lichamelijk letsel’ en niet wegens ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de benadeelde partij in die bewuste nacht niet alleen door medeverdachte [medeverdachte] is geslagen. Een onbekend gebleven persoon heeft de benadeelde partij ook geslagen en uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat tussen verdachte, de medeverdachte en de onbekend gebleven persoon sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Op grond van de vordering en op grond van het voorgaande kan de rechtbank, zonder nader onderzoek, niet vaststellen dat de gevorderde schade van de benadeelde partij het rechtstreekse gevolg is van het handelen van verdachte. Voor een (nadere) onderbouwing en bewijslevering van de door de benadeelde partij gestelde schade is in het strafproces geen plaats omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 mei 2025.
mr. Van de Fliert en mr. Van Veldhuizen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.