RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/330922-24
Datum uitspraak : 30 mei 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats].
Raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2025.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te Tiel, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het meermalen, althans eenmaal kussen van/op de mond van die [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal (trachten te) tongzoenen van die [slachtoffer] en/of
- het aanraken van de (linker) heup en/of bil van die [slachtoffer], waarbij dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht ontstaan uit het grote leeftijdsverschil en/of
- de weg heeft versperd voor die [slachtoffer] en/of
- onverhoeds die [slachtoffer] heeft aangeraakt/vastgepakt en/of gekust.
2. De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 50 uren en een 38v-maatregel voor de duur van 2 jaren in de vorm van een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod binnen een straal van 500 meter rondom de woning van aangeefster, met 5 dagen vervangende hechtenis per overtreding.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Veel zedenzaken kenmerken zich door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig moet worden gekeken naar de afgelegde verklaringen bij de waardering daarvan voor het bewijs, zeker als een verdachte een andere lezing heeft dan een aangeefster. Uit de jurisprudentie volgt dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat de betwiste ontuchtige handelingen steun vinden in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de aangifte op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring van aangeefster niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron of bronnen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende steunbewijs is voor de aangifte. Het dossier bevat een NFI-rapport waaruit blijkt dat op de buitenzijde van de mond van aangeefster een relatief kleine hoeveelheid DNA is aangetroffen die afkomstig kan zijn van verdachte en van minimaal één onbekende man. Het betreft dus een zogenaamd DNA-mengprofiel. Volgens het rapport kan de bewijskracht van de gevonden overeenkomst met het profiel van verdachte echter niet worden berekend. Dat betekent dat er geen conclusies over donorschap aan de DNA-overeenkomst kunnen worden verbonden. Er is dan namelijk niet duidelijk in hoeverre de DNA-overeenkomst de hypothese van donorschap van de onderzochte persoon, dan wel een andere willekeurige persoon, daadwerkelijk ondersteunt. De rechtbank kan dit rapport daarom niet gebruiken bij de beoordeling van het bewijs. Daarnaast bevat het dossier getuigenverklaringen van de broer en de moeder van aangeefster, maar hun verklaringen hebben aangeefster als bron; zij verklaren immers alleen over wat aangeefster aan hen heeft verteld. Verder bieden de verklaringen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende context om ze als steunbewijs te kunnen gebruiken. De moeder en de broer beschrijven geen specifieke emoties die ze hebben waargenomen bij aangeefster toen zij over de ontmoeting met verdachte vertelde. Haar broer heeft alleen verklaard dat hij aan de mimiek van aangeefster zag dat zij ‘het smerig vond dat hij aan haar zat’, maar dat vindt de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs te kunnen gebruiken. Verder hebben verbalisanten beschreven dat verdachte bij zijn aanhouding meermaals wisselde tussen een schuldbewuste houding en een ontkennende houding en dat verdachte zenuwachtig overkwam. Deze bevindingen van de verbalisanten bieden volgens de rechtbank ook onvoldoende aanknopingspunt om als steunbewijs te kunnen dienen voor de ten laste gelegde aanranding.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.
4. De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 mei 2025.
mr. Van de Fliert en mr. Van Veldhuizen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.