RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.268785.24
Datum uitspraak : 11 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. O.J. Much, advocaat in Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 30 maart 2024 tot 2 april 2024 te België en/of Acquoy,gemeente West Betuwe, en/of elders in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk[slachtoffer]wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,door voornoemde [slachtoffer]- een of meerdere malen (met kracht) op/tegen de nek, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen,- (vervolgens) in een bus, althans een voertuig, te trekken en/of te leggen en/of voornoemde [slachtoffer] hiermee te vervoeren,- meerdere malen, althans eenmaal, op/tegen/in het (rechter)oog, althans op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen,- meerdere malen, althans eenmaal, de capuchon over het hoofd te trekken en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] naar beneden te duwen en/of te houden en/of en/of (daarmee) het zicht te ontnemen,- (met ijzerdraad) vast te binden op een stoel en/of voornoemde [slachtoffer] vastgebonden te laten zitten op een stoel,- meerdere malen, althans eenmaal, te bedreigen met een vuurwapen en/of- meerdere malen, althans eenmaal, met water te overgieten;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 april 2024 omstreeks 10:21 uur is de politie ter plaatse gegaan op de [adres 2] in Acquoy in verband met een inbraakmelding. Echter bleek het niet te gaan om een inbraak, maar om een gijzeling. Ter plaatse werd de politie door de melder, [getuige 1] , naar een loods begeleid waar zij het slachtoffer, [slachtoffer] , aantroffen. [slachtoffer] verklaarde tegenover de politie dat hij vanuit Antwerpen was meegenomen, mishandeld was en enkele dagen in de loods vastgehouden was. De politie zag dat hij gewond en gekneveld was.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Hij stelt dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] of het vervoer naar Acquoy, maar dat wel bewezen kan worden dat hij [slachtoffer] van zijn vrijheid beroofd heeft gehouden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft net als de officier van justitie bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij de vrijheidsberoving of het vervoer van [slachtoffer] . De raadsman voegt daaraan toe dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] met water heeft overgoten of heeft bedreigd met een vuurwapen. Slechts het tezamen en in vereniging van de vrijheid beroofd houden kan bewezen worden.
Beoordeling door de rechtbank
Verklaring van [slachtoffer]
heeft verklaard dat hij op 30 maart 2024 rond 20:00/21:00 uur bij zijn huis in België in zijn nek werd geslagen, in een bus werd gelegd en werd ontvoerd. Hij kreeg klappen en er werd een capuchon over zijn hoofd getrokken. Aangekomen op een voor hem onbekende locatie werd hij door twee bewakers met ijzerdraad op een stoel vastgebonden. De stoel stond in een melkput en in deze put stond een laag water, waardoor [slachtoffer] met zijn voeten in het water zat. Er werd water over hem heen gegooid wanneer hij in slaap dreigde te vallen, in totaal gebeurde dat 10 tot 15 keer. Hij raakte hierdoor onderkoeld. Hij werd steeds bewaakt door personen maar hij mocht niet naar hen kijken en zij spraken niet tegen hem. Hij zag bij een persoon een zwart pistool en heeft deze ook tegen zijn achterhoofd gevoeld.
Op 2 april 2024 waren zijn bewakers plots weg en wist [slachtoffer] te ontkomen.
De vrijheidsberoving
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 2 april 2024 met [getuige 2] aan het klussen was geweest op de [adres 2] te Acquoy. Zij zagen in de loods een onbekende man lopen. Toen [getuige 1] de politie belde, vluchtte de onbekende man in een auto. Vervolgens kwam een andere onbekende man uit de loods naar buiten gelopen. Deze man had een natte broek en zijn handen waren vastgebonden. Hij trilde en zei dat hij het koud had. De man zei ook dat hij was ontvoerd. [getuige 2] verklaart dat hij zag dat de man gewond was, dikke handen had (mogelijk van het ijzerdraad) en naar urine stonk.
De man die getuige [getuige 1] had zien wegrijden bleek medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn. Hij is op heterdaad aangehouden en in zijn auto werd een automatisch vuurwapen aangetroffen. In een bosperceel nabij de [adres 2] werden op 2 april 2024 medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangehouden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] reeds door deze rechtbank veroordeeld zijn op 14 november 2024.
Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op een vastgebonden persoon heeft gepast in de loods. Hij heeft gezien dat de persoon op zijn stoel moest toiletteren en dat iemand water over de persoon heen gooide.
De politie heeft de loods beschreven en foto’s gemaakt. Er waren een rokersruimte, een keuken, twee grotere en vrijwel lege schuurruimtes en ten slotte de ruimte met de melkput, welke de politie heeft aangeduid als ‘martelruimte’. Verbalisant [verbalisant] heeft gezien dat er in de melkput een laagje water stond. Hij zag dat er een stoel in stond en dat er diverse ijzerdraden waren.
De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen af dat [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en een aantal dagen beroofd is gehouden. De vraag is vervolgens of verdachte daarbij in de ten laste gelegde zin betrokken is geweest.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat een kennis hem via Snapchat benaderde. De kennis vroeg hem of hij op wilde passen. De kennis haalde hem met een auto op en bracht hem naar een loods. De auto reed de loods in en verdachte stapte binnen uit. Pas daar zag hij dat het niet om drugs of goederen ging, maar om een persoon, vastgebonden op een stoel.
Verdachte verklaart dat hij de situatie “shokkend” vond, dat de sfeer grimmig was en dat hij gelijk weg wilde, maar dat niet kon. In de loods waren ook andere personen aanwezig en er kwamen en gingen steeds auto’s.
Hij is één nacht in de loods gebleven. Hij heeft op een stoel gezeten en heeft op [slachtoffer] gepast. Hij zag [slachtoffer] alleen op de rug en zag dat [slachtoffer] vastgebonden was. Verdachte wil niet verklaren over het overgieten met water of over vuurwapens.
Op de tweede dag zag verdachte kans om weg te komen. Hij belde een vriend om hem op te halen en is met hem vertrokken.
De verklaring van verdachte komt grotendeels overeen met de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Het DNA van verdachte is aangetroffen op een blikje Red Bull, gevonden in de ruimte waar [slachtoffer] werd vastgehouden en tevens op een Spa-fles, gevonden voor de ingang naar deze ruimte.
De telefoongegevens van verdachte zijn onderzocht. Uit de politiesystemen bleek dat 5 verschillende telefoonnummers gekoppeld waren aan verdachte. Uit de historische verkeersgegevens van deze nummers bleek dat [telefoonnummer] het enige nummer was dat actief was in de ten laste gelegde periode. In deze periode heeft dit nummer tussen 31 maart 2024 04:44:32 uur en 1 april 2024 21:34:57 uur gebruik gemaakt van de zendmastlocaties op de Kerkweg te Everdingen en de Rijksweg A2 te Beesd. Beide locaties bieden dekking op de [adres 2] in Acquoy.
Beoordeling door de rechtbank
Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] in Antwerpen en/of het vervoer van hem naar Acquoy. Hiervan spreekt de rechtbank verdachte vrij.
Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank wél betrokken geweest bij het van zijn vrijheid beroofd houden van slachtoffer [slachtoffer] . De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] van 30 maart 2024 tot en met 2 april 2024 is vastgehouden in de loods. Hierbij werd hij vastgebonden met ijzerdraad, werd hij bedreigd met een vuurwapen en werd hij meerdere malen met water overgoten. De rechtbank kan niet vaststellen welke handelingen verdachte in de loods heeft verricht. Vaststaat wel dat verdachte samen met anderen in de loods is geweest waar bovengenoemde allemaal heeft plaatsgevonden.
Verdachte heeft verklaard dat hij in de loods aanwezig is geweest en op [slachtoffer] heeft gepast. Uit de historische verkeersgegevens leidt de rechtbank af dat verdachte ongeveer 41 uur aanwezig is geweest op de [adres 2] . Verdachte verklaart dat hij in de ruimte met de melkput op een stoel heeft gezeten en dat hij [slachtoffer] in de gaten heeft gehouden. Hij omschrijft de situatie als schokkend, heftig en ‘een vreselijk gezicht’. Daardoor, in combinatie met zijn relatief lange aanwezigheid in de loods, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten wat er in de loods plaatsvond. Verdachte bekent dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] op de stoel vastgebonden zat. Dat verdachte niet wenst te verklaren over een vuurwapen of het overgieten met water doet niets af aan de constatering van de rechtbank dat hij daar wel getuige van moet zijn geweest.
Verdachte verklaart dat hij steeds de beschikking had over zijn mobiele telefoon, maar geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om via zijn telefoon de politie te waarschuwen. Verdachte heeft op geen enkele manier ingegrepen en is 41 uur lang door blijven gaan met zijn opdracht, te weten het samen met anderen vasthouden van [slachtoffer] in de loods. Naar het oordeel van de rechtbank stemde verdachte hiermee in met het gedrag van de andere aanwezigen. Op zijn minst genomen heeft verdachte de gijzelnemers getalsmatig versterkt en op die manier de gijzeling laten voortduren. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en andere personen. De rechtbank acht verdachte daarmee ook verantwoordelijk voor het vasthouden van [slachtoffer] op de stoel, het bedreigen met het vuurwapen en het overgieten met water.
De rechtbank acht op basis van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 31 maart 2024 tot 1 april 2024 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden van [slachtoffer] , door [slachtoffer] op een stoel vastgebonden te laten zitten, met een vuurwapen te bedreigen en [slachtoffer] meermalen met water te overgieten.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode 31 30 maart 2024 tot 1 2 april 2024 te België en/of Acquoy,gemeente West Betuwe, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door voornoemde [slachtoffer]- een of meerdere malen (met kracht) op/tegen de nek, althans het (boven)lichaam, te slaan en/of te stompen, - (vervolgens) in een bus, althans een voertuig, te trekken en/of te leggen en/of voornoemde [slachtoffer] hiermee te vervoeren, - meerdere malen, althans eenmaal, op/tegen/in het (rechter)oog, althans op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, - meerdere malen, althans eenmaal, de capuchon over het hoofd te trekken en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] naar beneden te duwen en/of te houden en/of en/of (daarmee) het zicht te ontnemen,- (met ijzerdraad) vast te binden op een stoel en/of voornoemde [slachtoffer] vastgebonden te laten zitten op een stoel,- meerdere malen, althans eenmaal, te bedreigen met een vuurwapen en/of- meerdere malen, althans eenmaal, met water te overgieten;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte veroordeeld zou moeten worden tot een geheel voorwaardelijke straf. Mocht de rechtbank meegaan met de officier van justitie en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, dan vraagt de raadsman om de hoogte van de gevangenisstraf te matigen en een deel voorwaardelijk op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Op 30 maart 2024 werd [slachtoffer] – door onbekend gebleven personen – ontvoerd in Antwerpen en vervolgens naar een loods in Acquoy gebracht. [slachtoffer] was werkzaam bij de havens van Antwerpen en deed de planning van de containerterminals. Bezien tegen deze achtergrond, gaat de rechtbank uit van een ontvoering in een zwaar crimineel verband.
Dat verdachte niet bij de ontvoering in Antwerpen betrokken was, neemt niet weg dat hij heeft meegeholpen aan het opzettelijk wederrechtelijk beroofd houden van de vrijheid van [slachtoffer] in Acquoy. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. De omstandigheden waaronder dit feit heeft plaatsgevonden vindt de rechtbank zeer ernstig en verontrustend. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] .
Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is in dit geval op zijn plaats vanwege de bijzonder angstige situatie die verdachte en zijn mededaders voor het slachtoffer in het leven hebben geroepen. Verdachte heeft hieraan bijgedragen. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd. In het voordeel van verdachte zal de rechtbank meewegen dat hij zich uiteindelijk heeft gedistantieerd van de situatie. Uit de genoemde telefoongegevens blijkt dat verdachte op enig moment is vertrokken, terwijl de gijzeling nog gaande was, dit in tegenstelling tot de veroordeelde medeverdachten, die allen pas uit de loods weg vluchtten toen zij werden ontdekt. Gelet hierop, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de medeverdachten hebben gekregen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder in aanraking met politie en justitie is gekomen voor geweldsmisdrijven, wat de rechtbank in het nadeel van verdachte meeweegt. Verdachte zit ten tijde van de terechtzitting bovendien al 10 maanden in voorlopige hechtenis in verband met een ander strafbaar feit. De raadsman verzoekt de rechtbank deze hechtenis vanuit een materieel oogpunt, in het kader van artikel 63 Wetboek van Strafrecht, matigend te laten meewerken. De rechtbank zal de raadsman hierin niet volgen, omdat de veroordeling voor verdachte in de onderhavige zaak juist matigend zal kunnen werken bij een eventuele veroordeling voor dat nieuwe feit.
De rechtbank ziet wel aanleiding om in het voordeel van verdachte een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank heeft hiervoor twee redenen.
Ten eerste de proceshouding van verdachte: tijdens de terechtzitting heeft verdachte een verklaring afgelegd en is hij relatief open geweest, met dien verstande dat hij geen namen heeft willen noemen en niet heeft willen verklaren over verschillende handelingen en over wat daadwerkelijk voorgevallen is in de loods. Hoewel verdachte dus geen volledige openheid van zaken heeft willen geven, is de rechtbank van mening dat de deels open opstelling van verdachte in zijn voordeel moet zijn.
Ten tweede de persoon van verdachte: verdachte is nog erg jong – 22 jaar oud – en heeft sinds 6 maanden een dochter met zijn vriendin. Verdachte verklaart dat hij voor zijn gezin wil zorgen, een opleiding wil gaan doen, en zich wil afkeren van de criminaliteit.
Alles afwegend legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op 2 jaar.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;
bepaalt dat deze een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. A.A.M. Bögemann en mr. J.S.W. Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 maart 2025.
Mr. Van Bergen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.