RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.315617.24
Datum uitspraak : 27 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Doetinchemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,verzorgingsproducten en/of frisdrank en/of tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte voor alle drie de feiten moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft bepleit dat de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] een vergelijking betreft en dat de herkenning door verbalisant [verbalisant 2] niet voldoet aan de vereisten die gesteld worden aan herkenningen, zodat aan beide herkenningen geen dan wel minder bewijskracht toekomt.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de feiten gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij ieder bewijsmiddel wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.
Aangiftes en beeldmateriaal
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat op 3 februari 2024 om 13:45 uur drie vrouwen de [bedrijf 2] in Didam binnenkwamen. Twee van de vrouwen pakten een mandje. Ze liepen door de winkel en stopten producten in de mandjes en in een tas. Verpakkingen die beveiligingsstickers bevatten, werden achtergelaten in een schap. Daarna liepen ze naar de afdeling dranken. Daar pakten ze twee grote trays, zes kleine trays drankjes en twee canvas tassen. Ze liepen naar de zelfscan kassa en rekenden daar alleen een flesje handzeep af. De rest werd meegenomen maar niet afgerekend. Ze hebben voor een bedrag van € 407,47 meegenomen zonder te betalen.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 2] in Didam blijkt dat drie verdachten op 3 februari 2024 om 13:45 uur de winkel betreden. NN3 loopt voorop en achter haar pakken NN2 en NN1 een mandje. Alle drie de vrouwen pakken producten uit de schappen en stoppen die in hun eigen en elkaars mandjes. Onderling wordt er gecommuniceerd en worden producten gecontroleerd op beveiligingsmaatregelen. Bij de kassa houdt NN2 de tas open voor NN3 om die in te pakken. Tegelijkertijd schermt NN2 met haar lichaam de kassa af terwijl NN1 een product scant en afrekent. Alle drie de verdachten hebben niet afgerekende goederen bij zich wanneer zij gezamenlijk de winkel uit lopen.
Aangever [aangever 2] van de [bedrijf 1] in Didam heeft verklaard dat op zaterdag 3 februari 2024 tussen 14:30 uur en 14:50 uur drie vrouwen een winkelwagen vol laadden met artikelen uit de hele winkel. Een van de vrouwen stelde een vraag aan een medewerker op het zelfscanplein om haar weg te lokken. De andere twee vrouwen liepen naar een zelfscanpaal, rekenden één brood af en vertrokken met een volle kar zonder deze te betalen.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 1] in Didam blijkt dat de verdachten op 3 februari 2024 om 14:26 uur samen aankomen in een rode Peugeot. Gezamenlijk lopen zij naar binnen. NN2 heeft een mandje vast en NN1 heeft een lege winkelkar bij zich, welke wordt afgegeven aan NN3. Bij het passeren van de toegangshekjes heeft NN1 een scanapparaat vast. De verdachten lopen door de winkel, zowel gezamenlijk als los van elkaar. Elk pakken zij producten en leggen deze in het mandje of de winkelwagen. Wanneer de drie vrouwen elkaar weer treffen worden de producten in grote blauwe tassen gedaan. Op een aantal momenten verricht NN1 scanhandelingen met haar scanapparaat. NN1 pakt een brood en loopt met NN2 naar het scanplein. NN1 legt daar haar scanapparaat aan de kant en rekent enkel het brood af. NN2 staat met de volle kar op enige afstand van NN1 te wachten. De goederen in haar kar worden niet gescand. NN3 spreekt een medewerkster van het scanplein aan en loopt met haar verder de winkel in, weg van NN1 en NN2. NN1 en NN2 lopen naar de klaphekjes, waar NN1 het hekje opent met de broodbon en NN2 met de volle kar naar buiten loopt.
Aangever [aangever 3] van de [bedrijf 1] in Doetinchem heeft verklaard dat hij op zondag
3 februari 2024 bij een voorraadcontrole veel producten in het vak vlees en kip miste. Op de camerabeelden zag hij dat drie vrouwen rond 18:30-18:45 uur drie winkelwagens vol laadden en dat zij via de zelfscan de winkel verlieten.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 1] in Doetinchem blijkt dat de verdachten op 3 februari 2024 om 18:29 de winkel betreden. NN1 en NN3 hebben elk een lege winkelwagen bij zich en pakken elk een zelfscanner. NN2 heeft een winkelmandje bij zich en drie bigshoppers. Zij hangt aan elk van de winkelwagens een tas en zet de laatste open in de kar van NN1. Alle drie de verdachten pakken producten uit de schappen en leggen deze in hun eigen of elkaars wagen of mandje. NN1 en NN3 lijken producten te scannen, maar daarbij licht geen rood lampje op, wat wel gebruikelijk is wanneer producten gescand worden. Op een gegeven moment worden de winkelwagens in een gangpad geparkeerd en lopen NN1 en NN3 naar het einde van het gangpad, vanaf waar NN3 naar de kassa’s kijkt. Zij lopen dan terug naar de winkelwagens en lopen samen naar het zelfscanplein. NN1 en NN2 gaan naar de kassa en NN3 stelt zich tactisch op om de hoek. NN1 rekent één brood af en geeft het bonnetje daarvan aan NN2. NN2 en NN3 gaan met de volle winkelkarren richting de uitgang terwijl NN1 de hulp inroept van een medewerker, kennelijk om af te leiden van NN2 en NN3. Met behulp van de medewerker rekent NN1 voor een tweede maal het brood af en loopt dan richting de uitgang. Aangekomen bij de klappoortjes houdt NN2 de bon voor de scanner terwijl zij en NN3 elk met een kar naar buiten lopen. NN1 scant aan het andere klappoortje haar tweede broodbon en loopt mee naar buiten.
Bij alle drie de winkels is telkens door een van de vrouwen één product afgerekend met een oranje pinpas. Dit is de vrouw aangeduid als ‘NN1’ in het dossier. Het V-Card nummer achter alle drie deze transacties betrof: [V-Card nummer] . Dit betrof een nummer van de ING-bank. Aan het V-Card nummer waren twee rekeningnummers ( [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ) gekoppeld die beide op naam stonden van medeverdachte [medeverdachte] .
Herkenningen
Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan zijn collega’s in Arnhem een mail gestuurd waarin hij vroeg om een herkenning van de verdachten. Verbalisant [verbalisant 3] benaderde hem vervolgens met de informatie dat zij vanuit haar functie jarenlang met Roma families in Ede had gewerkt en dat NN2 erg leek op verdachte. Naar aanleiding daarvan heeft [verbalisant 1] foto’s uit het politiesysteem van verdachte vergeleken met beelden van de diefstallen. Hieruit heeft hij geconcludeerd dat NN2 verdachte betreft. Hij herkende haar aan de volgende gelaatskenmerken: de vorm van haar hoofd, haar haarkleur en haarlijn, de scheiding in haar haar (vanuit het midden schuin naar links en daarna in een rechte lijn naar haar kruin), de vorm van haar wenkbrauwen (in haar linker wenkbrauw heeft zij aan de neuszijde een kleine onderbreking in de haarlijn en aan de oorzijde van haar linker wenkbrauw heeft zij een vlekje op haar huid), haar amandelvormige ogen en de kleur en stand van haar ogen, haar neusboog en vorm van de neus, haar kaakvorm, bollige wangen en de overgang naar haar kin, de vorm van haar mond (mondhoeken liggen wat dieper in haar gezicht) en de afstand tussen de bovenlip en haar neus.
Op 6 maart 2025 ontving verbalisant [verbalisant 2] een aandachtsvestiging waarin om de herkenning van een persoon werd gevraagd. De aandachtsvestiging bevatte een foto van verdachte NN2 van de diefstal in de [bedrijf 1] in Doetinchem. [verbalisant 2] herkende de persoon als zijnde verdachte. [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden als opsporingsambtenaar bij basisteam [plaats] . Hij heeft verdachte op 31 mei 2024 voor circa 45 minuten gezien en gesproken tijdens een verhoor. Hij hoorde haar toen voor de onderhavige winkeldiefstallen. Ook heeft hij meerdere herkenningsfoto’s van haar gezien. Hij herkende haar aan het totaalbeeld van haar kenmerken, meer specifiek haar volle postuur, brede kin en opvallend strakke donkere wenkbrauwen. Hij herkende haar onmiddellijk toen hij de foto zag.
De raadsman heeft betoogd dat de herkenningen onbetrouwbaar, dan wel minder betrouwbaar zijn en daarmee dat aan de herkenningen geen dan wel minder bewijskracht toekomt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Verschillende elementen spelen een rol bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kan beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.
Bij de beoordeling of de rechtbank in de nu voorliggende zaken een herkenning voldoende betrouwbaar acht, speelt een doorslaggevende rol hoe specifiek de herkenning is omschreven door de verbalisant.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte aangewezen als NN2 na het vergelijken van foto’s uit het politiesysteem met de beelden van de diefstallen. Daarmee is geen sprake van een spontane herkenning, maar van een gezichtsvergelijking. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen. De door [verbalisant 1] genoemde overeenstemmende persoonskenmerken, op basis waarvan hij tot de herkenning is gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, specifiek en onderscheidend. In dat licht neemt de rechtbank bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning door [verbalisant 1] in overweging dat de kwaliteit van de beelden en de mate waarin het gezicht van de verdachte daarop te zien is, een herkenning naar het oordeel van de rechtbank mogelijk maken. Het feit dat een vergelijking heeft plaatsgevonden is geen reden om aan de herkenning geen dan wel minder bewijskracht toe te kennen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
De herkenning van [verbalisant 2] is gedaan in de wetenschap dat verdachte al als verdachte van de diefstallen was aangemerkt. Dat [verbalisant 2] verdachte had gehoord inzake dit feit, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet af. Dat de aanwezigheid van voorkennis in theorie in enige mate kan bijdragen aan de totstandkoming van een herkenning, wil niet zeggen dat er niet langer sprake is van een betrouwbare waarneming. [verbalisant 2] heeft expliciet aangeduid waaruit zijn eigen waarneming bestond. Hij stoelde zijn herkenning op meerdere punten die voldoende onderscheidend zijn. De herkenning door [verbalisant 2] vindt bovendien steun in de vergelijking van [verbalisant 1] . De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Kortom, de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen dan wel minder bewijswaarde te hechten.
Tussenconclusie
De rechtbank overweegt dat uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden naar voren komt dat bij de drie genoemde winkels winkeldiefstallen hebben plaatsgevonden.
De rechtbank acht op basis van de vergelijking van [verbalisant 1] en de herkenning door [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en dat zij de vrouw is die wordt aangeduid als ‘NN2’.
Medeplegen
Uit de gedragingen van verdachte en haar medeverdachten zoals die blijken uit de camerabeelden, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De drie vrouwen zijn samen van winkel naar winkel getrokken, waarbij sprake was van inwisselbare rollen. Alle drie de vrouwen pakten producten uit de schappen en deden die bij elkaar of bij zichzelf in de winkelwagen of het winkelmandje. Daarnaast zorgden ze ervoor dat ze ongezien producten in hun tassen konden stoppen dan wel dat de winkelmedewerker werd afgeleid zodat ze zonder problemen via de scankassa’s de winkel konden verlaten. Gelet op de wijze van uitvoering moeten aan deze diefstallen gezamenlijke plannen en afspraken ten grondslag hebben gelegen. Verdachte vervulde een significante rol bij deze “strooptocht” omdat zij degene is geweest die steeds met (een groot deel van de) niet betaalde goederen onder zich de winkel heeft verlaten.
Verdachte heeft hiermee bij de totstandkoming van het delict een intellectuele en/of materiële- bijdrage van voldoende gewicht geleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het medeplegen van alle tenlastegelegde diefstallen wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Doetinchemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,verzorgingsproducten en/of frisdrank en/of tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1, 2 en 3 telkens;
Diefstal door twee of meer verenigde personen
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
1 maand met een proeftijd van 3 jaar. Zij is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte gelet op haar persoonlijke omstandigheden niet in staat is een gevangenisstraf of taakstraf te ondergaan. Hij pleit voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met twee anderen grote hoeveelheden goederen gestolen in drie verschillende winkels op een en dezelfde dag. Door diefstallen als deze wordt schade toegebracht aan de desbetreffende winkelketens en daarmee ook aan consumenten, aan wie, naar valt aan te nemen, die schade uiteindelijk in de verkoopprijzen van de producten wordt doorberekend. Dit soort ‘strooptocht’-achtige winkeldiefstallen zijn bijzonder ergerlijk en de verdachten zijn daarbij onbeschaamd te werk gegaan. Er was sprake van het doelbewust en volgens een opgezet plan handelen. Deze vorm van criminaliteit is daardoor niet te vergelijken met eenvoudige winkeldiefstal.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van
3 februari 2025, waarop één andere winkeldiefstal staat, waarvoor verdachte in 2021 een geldboete van € 150,- heeft gekregen.
Op winkeldiefstal zoals in dit geval gepleegd staat volgens de oriëntatiepunten van het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden per feit. Aangezien het hier gaat om drie winkeldiefstallen, zou dat voor verdachte uitkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hier slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf past.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en haar grotendeels lege strafblad wel reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op 3 jaar.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij de rechtbank zijn twee verschillende vorderingen bekend. In de eerste vordering, van 13 oktober 2024, vordert de benadeelde partij € 151,16 aan materiële schade. Deze vordering is ondertekend door [aangever 3] . De tweede vordering, ook van 13 oktober 2024, is getekend door [naam] en daarin wordt € 151,- aan materiële schade gevorderd. Verder is in beide vorderingen om vermeerdering met de wettelijke rente gevraagd en is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, primair in verband met de door de verdediging bepleite vrijspraak en subsidiair omdat onduidelijk is door wie de vordering getekend is en of diegene gemachtigd was. Bovendien zou de vordering onvoldoende gespecificeerd zijn.
Overweging van de rechtbank
Uit het KvK-uittreksel van [bedrijf 1] blijkt dat de enig aandeelhouder van deze B.V. [naam] betreft. Van [naam] is geen KvK-uittreksel toegevoegd aan het dossier. Het is voor de rechtbank daarom niet te controleren wie de handelingsbevoegde namens deze holding is.
De eerste vordering is ondertekend door [aangever 3] . Niet gebleken is dus dat [aangever 3] vertegenwoordigingsbevoegd dan wel gemachtigd is. [naam] heeft weliswaar dezelfde voorletter en achternaam als de naam van de B.V., maar de rechtbank kan niet enkel op basis daarvan vaststellen dat hij handelingsbevoegd is.
Aanhouding van de zaak, vanwege het (alsnog) overleggen van een machtiging of een KvK-uittreksel, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Derhalve verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vorderingen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.