RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.315620.24 en 05.010621.25 (gevoegd)
Datum uitspraak : 27 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Inzake parketnummer 05.315620.24
1.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Doetinchemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,verzorgingsproducten en/of frisdrank en/of tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Inzake parketnummer 05.010621.25
1.zij op of omstreeks 24 juli 2024 te Tieltezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf 3] , inelk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.zij op of omstreeks 24 juli 2024 te Zeisttezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 4][bedrijf 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haarmededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vijf de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte voor alle vijf de feiten moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Hij heeft ten aanzien van parketnummer 05.315620.24 bepleit dat de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] een vergelijking betreft en dat de herkenning door verbalisant [verbalisant 2] niet voldoet aan de vereisten die gesteld worden aan herkenningen, zodat aan beide herkenningen geen dan wel minder bewijskracht toekomt.
Ten aanzien van parketnummer 05.010621.25 heeft hij bepleit dat de herkenningen door [verbalisant 3] en [verbalisant 2] onvoldoende specifiek zijn (en/of met voorkennis zijn gedaan) zodat sprake is van onvoldoende bewijs.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 05.315620.24
De rechtbank zal de feiten gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij ieder bewijsmiddel wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.
Aangiftes en beeldmateriaal
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat op 3 februari 2024 om 13:45 uur drie vrouwen de [bedrijf 2] in Didam binnenkwamen. Twee van de vrouwen pakten een mandje. Ze liepen door de winkel en stopten producten in de mandjes en in een tas. Verpakkingen die beveiligingsstickers bevatten, werden achtergelaten in een schap. Daarna liepen ze naar de afdeling dranken. Daar pakten ze twee grote trays, zes kleine trays drankjes en twee canvas tassen. Ze liepen naar de zelfscan kassa en rekenden daar alleen een flesje handzeep af. De rest werd meegenomen maar niet afgerekend. Ze hebben voor een bedrag van € 407,47 meegenomen zonder te betalen.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 2] in Didam blijkt dat drie verdachten op 3 februari 2024 om 13:45 uur de winkel betreden. NN3 loopt voorop en achter haar pakken NN2 en NN1 een mandje. Alle drie de vrouwen pakken producten uit de schappen en stoppen die in hun eigen en elkaars mandjes. Onderling wordt er gecommuniceerd en worden producten gecontroleerd op beveiligingsmaatregelen. Bij de kassa houdt NN2 de tas open voor NN3 om die in te pakken. Tegelijkertijd schermt NN2 met haar lichaam de kassa af terwijl NN1 een product scant en afrekent. Alle drie de verdachten hebben niet afgerekende goederen bij zich wanneer zij gezamenlijk de winkel uit lopen.
Aangever [aangever 2] van de [bedrijf 1] in Didam heeft verklaard dat op zaterdag 3 februari 2024 tussen 14:30 uur en 14:50 uur drie vrouwen een winkelwagen vol laadden met artikelen uit de hele winkel. Een van de vrouwen stelde een vraag aan een medewerker op het zelfscanplein om haar weg te lokken. De andere twee vrouwen liepen naar een zelfscanpaal, rekenden één brood af en vertrokken met een volle kar zonder deze te betalen.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 1] in Didam blijkt dat de verdachten op 3 februari 2024 om 14:26 uur samen aankomen in een rode Peugeot. Gezamenlijk lopen zij naar binnen. NN2 heeft een mandje vast en NN1 heeft een lege winkelkar bij zich, welke wordt afgegeven aan NN3. Bij het passeren van de toegangshekjes heeft NN1 een scanapparaat vast. De verdachten lopen door de winkel, zowel gezamenlijk als los van elkaar. Elk pakken zij producten en leggen deze in het mandje of de winkelwagen. Wanneer de drie vrouwen elkaar weer treffen worden de producten in grote blauwe tassen gedaan. Op een aantal momenten verricht NN1 scanhandelingen met haar scanapparaat. NN1 pakt een brood en loopt met NN2 naar het scanplein. NN1 legt daar haar scanapparaat aan de kant en rekent enkel het brood af. NN2 staat met de volle kar op enige afstand van NN1 te wachten. De goederen in haar kar worden niet gescand. NN3 spreekt een medewerkster van het scanplein aan en loopt met haar verder de winkel in, weg van NN1 en NN2. NN1 en NN2 lopen naar de klaphekjes, waar NN1 het hekje opent met de broodbon en NN2 met de volle kar naar buiten loopt.
Aangever [aangever 3] van de [bedrijf 1] in Doetinchem heeft verklaard dat hij op zondag
3 februari 2024 bij een voorraadcontrole veel producten in het vak vlees en kip miste. Op de camerabeelden zag hij dat drie vrouwen rond 18:30-18:45 uur drie winkelwagens vol laadden en dat zij via de zelfscan de winkel verlieten.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 1] in Doetinchem blijkt dat de verdachten op 3 februari 2024 om 18:29 de winkel betreden. NN1 en NN3 hebben elk een lege winkelwagen bij zich en pakken elk een zelfscanner. NN2 heeft een winkelmandje bij zich en drie bigshoppers. Zij hangt aan elk van de winkelwagens een tas en zet de laatste open in de kar van NN1. Alle drie de verdachten pakken producten uit de schappen en leggen deze in hun eigen of elkaars wagen of mandje. NN1 en NN3 lijken producten te scannen, maar daarbij licht geen rood lampje op, wat wel gebruikelijk is wanneer producten gescand worden. Op een gegeven moment worden de winkelwagens in een gangpad geparkeerd en lopen NN1 en NN3 naar het einde van het gangpad, vanaf waar NN3 naar de kassa’s kijkt. Zij lopen dan terug naar de winkelwagens en lopen samen naar het zelfscanplein. NN1 en NN2 gaan naar de kassa en NN3 stelt zich tactisch op om de hoek. NN1 rekent één brood af en geeft het bonnetje daarvan aan NN2. NN2 en NN3 gaan met de volle winkelkarren richting de uitgang terwijl NN1 de hulp inroept van een medewerker, kennelijk om af te leiden van NN2 en NN3. Met behulp van de medewerker rekent NN1 voor een tweede maal het brood af en loopt dan richting de uitgang. Aangekomen bij de klappoortjes houdt NN2 de bon voor de scanner terwijl zij en NN3 elk met een kar naar buiten lopen. NN1 scant aan het andere klappoortje haar tweede broodbon en loopt mee naar buiten.
Bij alle drie de winkels is telkens door een van de vrouwen één product afgerekend met een oranje pinpas. Dit is de vrouw aangeduid als ‘NN1’ in het dossier. Het V-Card nummer achter alle drie deze transacties betrof: [V-Card nummer] . Dit betrof een nummer van de ING-bank. Aan het V-Card nummer waren twee rekeningnummers ( [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ) gekoppeld die beide op naam stonden van medeverdachte [medeverdachte] .
Herkenningen
Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan zijn collega’s in Arnhem een mail gestuurd waarin hij vroeg om een herkenning van de verdachten. Verbalisant [verbalisant 6] benaderde hem vervolgens met de informatie dat zij vanuit haar functie jarenlang met Roma families in Ede had gewerkt en dat NN3 erg leek op verdachte. Naar aanleiding daarvan heeft [verbalisant 1] foto’s uit het politiesysteem van verdachte vergeleken met beelden van de diefstallen. Hieruit heeft hij geconcludeerd dat NN3 verdachte betreft. Hij herkende haar aan de volgende gelaatskenmerken: de vorm van haar hoofd, haar haarkleur en haarlijn, de scheiding in haar haar, de vorm van haar wenkbrauwen (aan haar linker wenkbrauw heeft zij een scherpe hoek boven haar oog richting haar oor. Aan de rechterwenkbrauw is deze hoek minder scherp), haar amandelvormige ogen en de kleur en stand van haar ogen (haar ogen liggen wat dieper in haar gezicht), haar neusboog en vorm van de neus, haar kaakvorm, bollige wangen en de overgang naar haar kin, haar bredere kin, de vorm van haar mond, de afstand tussen de bovenlip en haar neus en de afstand tussen haar onderlip en de onderzijde van haar kin.
Op 6 maart 2025 ontving verbalisant [verbalisant 2] een aandachtsvestiging waarin om de herkenning van een persoon werd gevraagd. De aandachtsvestiging bevatte een foto van verdachte NN3 van de diefstal in de [bedrijf 1] in Doetinchem. [verbalisant 2] herkende de persoon als zijnde verdachte. [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden als opsporingsambtenaar bij basisteam [plaats] . Hij heeft verdachte op 31 mei 2024 voor circa 45 minuten gezien en gesproken tijdens een verhoor. Hij hoorde haar toen voor de onderhavige winkeldiefstallen. Ook heeft hij meerdere herkenningsfoto’s van haar gezien. Hij herkende haar aan het totaalbeeld van haar kenmerken, meer specifiek haar gezichtsvorm, haardracht, volle postuur, brede kin en opvallend strakke donkere wenkbrauwen. Hij herkende haar onmiddellijk toen hij de foto zag.
De raadsman heeft betoogd dat de herkenningen onbetrouwbaar, dan wel minder betrouwbaar zijn en daarmee dat aan de herkenningen geen dan wel minder bewijskracht toekomt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Verschillende elementen spelen een rol bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kan beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.
Bij de beoordeling of de rechtbank in de nu voorliggende zaken een herkenning voldoende betrouwbaar acht, speelt een doorslaggevende rol hoe specifiek de herkenning is omschreven door de verbalisant.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte aangewezen als NN3 na het vergelijken van foto’s uit het politiesysteem met de beelden van de diefstallen. Daarmee is geen sprake van een spontane herkenning, maar van een gezichtsvergelijking. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen. De door [verbalisant 1] genoemde overeenstemmende persoonskenmerken, op basis waarvan hij tot de herkenning is gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, specifiek en onderscheidend. In dat licht neemt de rechtbank bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning door [verbalisant 1] in overweging dat de kwaliteit van de beelden en de mate waarin het gezicht van de verdachte daarop te zien is, een herkenning naar het oordeel van de rechtbank mogelijk maken. Het feit dat een vergelijking heeft plaatsgevonden is geen reden om aan de herkenning geen dan wel minder bewijskracht toe te kennen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
De herkenning van [verbalisant 2] is gedaan in de wetenschap dat verdachte al als verdachte van de diefstallen was aangemerkt. Dat [verbalisant 2] verdachte al had gehoord inzake dit feit, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet af. Dat de aanwezigheid van voorkennis in theorie in enige mate kan bijdragen aan de totstandkoming van een herkenning, wil niet zeggen dat er niet langer sprake is van een betrouwbare waarneming. [verbalisant 2] heeft expliciet aangeduid waaruit zijn eigen waarneming bestond. Hij stoelde zijn herkenning op meerdere punten die voldoende onderscheidend zijn. De herkenning door [verbalisant 2] vindt bovendien steun in de vergelijking van [verbalisant 1] . De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Kortom, de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geen dan wel minder bewijswaarde te hechten.
Tussenconclusie
De rechtbank overweegt dat uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden naar voren komt dat bij de drie genoemde winkels winkeldiefstallen hebben plaatsgevonden.
De rechtbank acht op basis van de vergelijking van [verbalisant 1] en de herkenning door [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en dat zij de vrouw is die wordt aangeduid als ‘NN3’.
Medeplegen
Uit de gedragingen van verdachte en haar medeverdachten zoals die blijken uit de camerabeelden, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De drie vrouwen zijn samen van winkel naar winkel getrokken, waarbij sprake was van inwisselbare rollen. Alle drie de vrouwen pakten producten uit de schappen en deden die bij elkaar of bij zichzelf in de winkelwagen of het winkelmandje. Daarnaast zorgden ze ervoor dat ze ongezien producten in hun tassen konden stoppen dan wel dat de winkelmedewerker werd afgeleid zodat ze zonder problemen via de scankassa’s de winkel konden verlaten. Gelet op de wijze van uitvoering moeten aan deze diefstallen gezamenlijke plannen en afspraken ten grondslag hebben gelegen. Verdachte vervulde een significante rol bij deze “strooptocht” omdat zij onder andere een winkelmedewerker heeft afgeleid.
Verdachte heeft hiermee bij de totstandkoming van het delict een intellectuele en/of materiële- bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het medeplegen van alle tenlastegelegde diefstallen wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Ten aanzien van parketnummer 05.010621.25
De rechtbank zal de feiten gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij ieder bewijsmiddel wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.
Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat op 24 juli 2024 omstreeks 13:45 uur vier vrouwen de [bedrijf 3] in Tiel binnenkwamen. Zij verzamelden spullen op een platte kar en liepen vervolgens naar de kassa. Op een onbewaakt moment liepen drie vrouwen langs de kassa zonder af te rekenen terwijl de vierde vrouw contact zocht met een medewerker in de buurt, om hem af te leiden. Terwijl het drietal naar de auto liep rekende de vierde vrouw nog iets af. De vrouwen vertrokken vervolgens gezamenlijk.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 3] Tiel blijkt dat vier verdachten op 24 juli 2024 om 13:34 uur aan komen rijden in een witte auto en gezamenlijk naar de winkel lopen. Om 13:52 uur, in de winkel, duwt vrouw 3 een volgeladen platte kar. Vrouw 2 gaat in de rij staan bij de kassa terwijl de andere drie vrouwen met de platte kar langs een onbemande kassa de winkel uit lopen zonder af te rekenen. Vrouw 3 is degene die de platte kar langs de kassa duwt. Een medewerker lijkt dit te zien en wil eropaf lopen, maar wordt aangesproken door vrouw 2. Zij praat enige tijd met de medewerker en verdwijnt dan tussen de schappen. Om 13:54 uur komt zij weer tussen de schappen vandaan en rekent een artikel af. Vervolgens verlaat zij de winkel. Ondertussen hebben de andere drie vrouwen op het parkeerterrein de spullen in de witte auto geladen. Vrouw 2 stapt in aan de bestuurderszijde en de auto rijdt weg.
Aangever [aangever 4] heeft ook verklaard dat op diezelfde dag, 24 juli 2024, omstreeks 16:28 uur vier vrouwen de [bedrijf 4] in Zeist binnenkwamen. Een van de vrouwen had een platte kar bij zich. In de winkel verzamelden ze goederen op de kar. Toen ze aankwamen bij de kassa, begon één van de vrouwen een gesprek met de kassamedewerkster. De overige vrouwen liepen met de volle kar achter de afleidster langs zonder iets te betalen. Aan de hand van beveiligingsbeelden hebben ze kunnen achterhalen dat ze in ieder geval voor een bedrag van € 1.907,97 aan goederen meegenomen hebben. De vrouwen kwamen en vertrokken in een witte auto.
Uit de camerabeelden van de [bedrijf 4] Zeist blijkt dat om 16:27 uur een witte Volkswagen Golf arriveert op het parkeerterrein. De vier verdachten stappen uit en lopen richting de [bedrijf 3] . Verdachte 4 heeft een platte kar bij zich wanneer zij de winkel binnen loopt. De verdachten lopen de winkel door en verzamelen diverse goederen op de platte kar. Ze lopen vervolgens naar de kassa en blijven op een afstandje even staan. Er wordt gekeken of er gelegenheid is. Verdachte 2 loopt vervolgens naar een kassamedewerkster, maar er wordt toch nog even gewacht omdat er nog een klant bij de kassa is. Wanneer de klant weg is wordt de kassamedewerkster afgeleid door verdachte 2. Ondertussen trekt verdachte 1 de platte kar langs de kassa. Verdachten 3 en 4 volgen de kar. Verdachte 2 kijkt of de rest veilig de winkel heeft verlaten, daarna voegt zij zich bij de groep op de parkeerplaats. De spullen worden door alle vier de verdachten in de witte golf geladen. Een kassamedewerkster loopt naar de verdachten om te vragen of ze hebben afgerekend, en na het aanspreken loopt de medewerkster weer terug naar de winkel. De verdachten stappen snel in en rijden weg. Om 16:46 uur verlaat het voertuig de parkeerplaats.
Herkenningen
De beelden van de vier vrouwen uit de winkels in Tiel en Zeist zijn met elkaar vergeleken. Er is onder andere gekeken naar geschatte leeftijd, kleding en schoenen, haardracht, en accessoires. De vier vrouwen uit de winkels in Zeist en uit de winkel in Tiel komen met elkaar overeen.
Verbalisant [verbalisant 3] ontving op 28 augustus 2024 een mail van basisteam [plaats] waarin werd verzocht om een herkenning. Bij de mail waren zeven stills toegevoegd, afkomstig van de camerabeelden van de [bedrijf 3] Zeist. Zij herkende de jonge vrouw met het haar in een vlecht en de donkergrijsachtige gekleurde effen jurk (rechtbank: vrouw/verdachte 3) direct aan het totaalbeeld van haar fysieke kenmerken, meer specifiek de vorm van haar bolle neus, haar oogopslag en de vorm van haar mond. Zij herkende de vrouw als zijnde verdachte. De werkzaamheden van [verbalisant 3] bestaan uit het verdelen en duiden van informatie en onder andere het opmaken van persoonsdossiers en informatierapporten. Verdachte is door haar vaker bevraagd in de politiesystemen en van haar heeft zij daarbij de beschikbare politiefoto's bekeken. Vorig jaar is het gezin van verdachte veel in beeld geweest in verband met een familievete en er zijn toen diverse aandachtsvestigingen geweest op de gezinsleden, waaronder op verdachte.
Diezelfde mail met een verzoek tot herkenning werd ontvangen door verbalisant [verbalisant 2] . De persoon op de foto's 5 en 6 had het volgende signalement: bruin/blond haar in een staart, getinte huidskleur, donkere jurk, een tas over de schouder en witte sneakers. Deze persoon herkende [verbalisant 2] als zijnde verdachte. [verbalisant 2] herkende haar aan het totaalbeeld van haar kenmerken, meer specifiek haar volle postuur, bruin/blonde haardracht en -kleur, brede kin, opvallend strakke donkere wenkbrauwen en gezichtsvorm. De laatste keer dat [verbalisant 2] contact had met [verdachte] was enkele maanden eerder, op 31 mei 2024. Hij heeft haar toen in het kader van een verhoor circa 45 minuten lang gezien en gesproken. Hij herkende haar onmiddellijk toen hij de foto’s zag.
De raadsman heeft betoogd dat de herkenningen onbetrouwbaar, dan wel minder betrouwbaar zijn en dat daarmee geen dan wel minder bewijskracht aan die herkenningen toekomt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Verschillende elementen spelen een rol bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kan beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.
Bij de beoordeling of de rechtbank in de nu voorliggende zaken een herkenning voldoende betrouwbaar acht, speelt een doorslaggevende rol hoe specifiek de herkenning is omschreven door de verbalisant.
Op stills van de camerabeelden herkennen zowel verbalisant [verbalisant 3] als verbalisant [verbalisant 2] verdachte. Deze herkenningen zijn gedaan op basis van de camerabeelden en de rechtbank acht deze herkenningen voldoende concreet en betrouwbaar. De door [verbalisant 3] en [verbalisant 2] genoemde overeenstemmende persoonskenmerken, op basis waarvan zij tot de herkenning zijn gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, specifiek en onderscheidend. In dat licht neemt de rechtbank bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning door [verbalisant 3] in overweging dat de kwaliteit van de beelden en de mate waarin het gezicht van de verdachte daarop te zien is, een herkenning naar het oordeel van de rechtbank mogelijk maken. De rechtbank ziet daarom geen enkele aanleiding de herkenningen van het bewijs uit te sluiten en zal deze herkenningen dan ook voor het bewijs gebruiken.
Tussenconclusie
De rechtbank overweegt dat uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden naar voren komt dat bij de twee genoemde winkels winkeldiefstallen hebben plaatsgevonden.
De rechtbank acht op basis van de herkenningen van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en dat zij de vrouw is die wordt aangeduid als vrouw 3 of verdachte 3.
Medeplegen
Uit de gedragingen van verdachte en haar medeverdachten zoals die blijken uit de camerabeelden, leidt de rechtbank af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. De vier vrouwen zijn samen van winkel naar winkel getrokken, waarbij sprake was van inwisselbare rollen. Alle vier vrouwen pakten producten uit de winkel en legden die op de platte karren. Daarnaast zorgden ze ervoor dat de winkelmedewerkers werden afgeleid zodat ze zonder problemen met de goederen de winkel konden verlaten. De vrouwen pakten samen de auto in met de spullen. Gelet op de wijze van uitvoering moeten aan deze diefstallen gezamenlijke plannen en afspraken ten grondslag hebben gelegen. Verdachte vervulde een significante rol bij deze “strooptocht” omdat zij heeft geholpen met het pakken en inladen van spullen en zij in de winkel in Tiel degene is geweest die daadwerkelijk met de spullen langs de kassa is gelopen zonder te betalen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte bij de totstandkoming van het delict een intellectuele en/of materiële- bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het medeplegen van alle tenlastegelegde diefstallen wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Inzake parketnummer 05.315620.24
1.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Doetinchemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
zij op of omstreeks 3 februari 2024 te Didam, althans in de gemeente Montferlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,verzorgingsproducten en/of frisdrank en/of tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Inzake parketnummer 05.010621.25
1.zij op of omstreeks 24 juli 2024 te Tieltezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf 3] , inelk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.zij op of omstreeks 24 juli 2024 te Zeisttezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 4][bedrijf 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haarmededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Inzake parketnummer 05.315620.24
feiten 1, 2 en 3 telkens;
Diefstal door twee of meer verenigde personen
Inzake parketnummer 05.010621.25
feit 1 en 2 telkens;
Diefstal door twee of meer verenigde personen
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
6 maand met een proeftijd van 3 jaar. Zij is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, dan sluit de verdediging zich aan bij de straf zoals geëist door de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met anderen grote hoeveelheden goederen gestolen in vijf verschillende winkels op twee verschillende dagen. Door diefstallen als deze wordt schade toegebracht aan de desbetreffende winkelketens en daarmee ook aan consumenten, aan wie, naar valt aan te nemen, die schade uiteindelijk in de verkoopprijzen van de producten wordt doorberekend. Dit soort ‘strooptocht’-achtige winkeldiefstallen zijn bijzonder ergerlijk en de verdachten zijn daarbij onbeschaamd te werk gegaan. Er was sprake van het doelbewust en volgens een opgezet plan handelen. Deze vorm van criminaliteit is daardoor niet te vergelijken met eenvoudige winkeldiefstal.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van
3 februari 2025, waarop meerdere vermogensdelicten staan.
Op voornoemde vorm van winkeldiefstal staat volgens de oriëntatiepunten van het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden per feit. Wanneer sprake is van recidive wordt dat verhoogd naar 3 maanden. Aangezien het hier gaat om vijf winkeldiefstallen, zou dat voor verdachte uitkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hier slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf past. Ook zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. Verdachte heeft een aanzienlijk strafblad met daarop meerdere vermogensdelicten en laat zich door deze veroordelingen kennelijk niet tegenhouden. Gelet daarop is een voorwaardelijk strafdeel, dat doorgaans dient als ‘stok achter de deur’ of ‘laatste waarschuwing’ hier niet meer op de plaats. Verdachte was na eerdere veroordelingen immers een gewaarschuwd mens.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn voor de rechtbank geen reden tot matiging.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte een jong zoontje heeft dat zij zou kunnen kwijtraken wanneer zij veroordeeld zou worden tot een gevangenisstraf. De rechtbank overweegt in dat verband dat het feit dat zij kinderen heeft en haar huis kwijt zou kunnen raken voor verdachte juist redenen zouden moeten zijn om de criminaliteit achter zich te laten. Het zijn bovendien geen uitzonderlijke omstandigheden die noden tot oplegging van een lagere straf. Naar het oordeel van de rechtbank weegt dat belang van verdachte niet op tegen de doelen van vergelding en preventie. In de proceshouding van verdachte ziet de rechtbank ook geen reden om een lagere straf op te leggen.
De rechtbank ziet wel reden tot een iets lagere straf in het feit dat de recidive van oudere datum is. De rechtbank zal daarom in het voordeel van verdachte uitgaan van 2 maanden gevangenisstraf per feit, gelijk aan de voorgeschreven straf voor first offenders. Concreet betekent dit dat de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van 10 maanden oplegt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
Ten aanzien van de vordering van de [bedrijf 1]
De benadeelde partij [bedrijf 1] heeft in verband met feit 1 van parketnummer 05.315620.24 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij de rechtbank zijn twee verschillende vorderingen bekend. In de eerste vordering, van 13 oktober 2024, vordert de benadeelde partij € 151,16 aan materiële schade. Deze vordering is ondertekend door [aangever 3] . De tweede vordering, ook van 13 oktober 2024, is getekend door [naam 1] en daarin wordt € 151,- aan materiële schade gevorderd. Verder is in beide vorderingen om vermeerdering met de wettelijke rente gevraagd en is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, primair in verband met de door de verdediging bepleite vrijspraak en subsidiair omdat onduidelijk is door wie de vordering getekend is en of diegene gemachtigd was. Bovendien zou de vordering onvoldoende gespecificeerd zijn.
Overweging van de rechtbank
Uit het KvK-uittreksel van [bedrijf 1] blijkt dat de enig aandeelhouder van deze B.V. [naam 1] betreft. Van [naam 1] is geen KvK-uittreksel toegevoegd aan het dossier. Het is voor de rechtbank daarom niet te controleren wie de handelingsbevoegde namens deze holding is.
De eerste vordering is ondertekend door [aangever 3] . Niet gebleken is dus dat [aangever 3] vertegenwoordigingsbevoegd dan wel gemachtigd is. [naam 1] heeft weliswaar dezelfde voorletter en achternaam als de naam van de B.V., maar de rechtbank kan niet enkel op basis daarvan vaststellen dat hij handelingsbevoegd is.
Aanhouding van de zaak, vanwege het (alsnog) overleggen van een machtiging of een KvK-uittreksel, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Derhalve verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vorderingen.
Ten aanzien van de vordering van de [bedrijf 3]
De benadeelde partij [bedrijf 3] heeft in verband met feit 1 van parketnummer 05.010621.25 een vordering tot schadevergoeding ingediend. In de vordering, van
13 februari 2025, vordert de benadeelde partij € 634,03 aan materiële schade. Deze vordering is ondertekend door [aangever 4] . Verder is om vermeerdering met de wettelijke rente gevraagd en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Primair in verband met de door de verdediging bepleite vrijspraak, subsidiair omdat stukken rondom de vordering te laat zijn ingediend en meer subsidiair omdat onduidelijk is door wie de vordering getekend is en of diegene vertegenwoordigingsbevoegd dan wel gemachtigd was.
Overweging van de rechtbank
Uit het KvK-uittreksel van [bedrijf 3] blijkt dat de enig aandeelhouder en bestuurder van deze [bedrijf 3] betreft. Van [bedrijf 3] is geen KvK-uittreksel toegevoegd aan het dossier. Het is voor de rechtbank daarom niet te controleren wie de handelingsbevoegde namens deze holding is.
De vordering is ondertekend door [aangever 4] namens [bedrijf 3] . In het dossier bevindt zich een machtiging van [naam 2] aan [aangever 4] . Of [naam 2] bevoegd is om [aangever 4] te machtigen is – gelet op het voorgaande – niet gebleken. Bovendien is de machtiging overgelegd in een zaak met een ander parketnummer.
Aanhouding van de zaak, vanwege het (alsnog) overleggen van een machtiging levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Derhalve verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Mr. Ouweneel en mr. Dams zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.