RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/151100-25
Datum uitspraak : 12 september 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 11 mei 2025 in Ede (gemeente Ede), Bennekom (gemeente Ede), Veenendaal (gemeente Veenendaal) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten
- een geldbedrag van ongeveer €1200, toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] (zaak 14, aangifte 2025048641, pag. 394 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €1700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 8, aangifte 2025059931, pag. 321 ev) en/of
- een geldbedrag van €200 en een onbekend geldbedrag uit de gokkasten, toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [slachtoffer 3] (zaak 13, aangifte 2025044609, pag. 383 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €350-€500, toebehorende aan [bedrijf 4] en/of [slachtoffer 4] (zaak 15, aangifte 2025073447, pag. 405 ev) en/of
- een lege afstortkluis, toebehorende aan [bedrijf 5] en/of [slachtoffer 5] (zaak 10, aangifte 2025076958, pag. 353 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 5, aangifte 2025096805, pag. 284 ev) en/of
- het geld in de gokkasten en de kassalade met inhoud, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 9] ’ en/of [slachtoffer 6] (zaak 17, aangifte 2025098276, pag. 445 ev) en/of
- de kassalade met een geldbedrag van ongeveer €300, toebehorende aan [bedrijf 6] en/of [slachtoffer 7] (zaak 18, aangifte 2025103552, pag. 484 ev) en/of
- een geldbedrag van €150, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 3, aangifte 2025119169, pag. 264 ev) en/of
- de inhoud van de kassalade, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 7] ’ en/of [slachtoffer 8] (zaak 12, aangifte 2025119346, pag. 360 ev) en/of
- een geldbedrag van €20 en een houder van de papierhopper, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 9, aangifte 2025123965, pag. 337 ev) en/of
- een muntenkastje met inhoud, toebehorende aan [bedrijf 8] en/of [slachtoffer 9] (zaak 20, aangifte 2025217770, pag. 544 ev),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2
hij, in of omstreeks de periode van 16 februari 2025 tot en met 13 maart 2025 in Ede (gemeente Ede) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geldbedragen en/of enig ander goed naar zijn gading, in elke geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten
- [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 10] (zaak 6, aangifte 2025072541, pag. 306 ev) en/of
- Restaurant ‘ [bedrijf 11] ’ en/of [slachtoffer 11] (zaak 1, aangifte 2025098384, pag. 214 ev) en/of
- [bedrijf 12] en/of [slachtoffer 12] (zaak 19, aangifte 2025103464, pag. 528 ev) en/of
- Restaurant [bedrijf 11] en/of [slachtoffer 11] (zaak 2, aangifte 2025114048, pag. 240 ev),
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de ruiten/ramen en/of deuren van de panden van de genoemde slachtoffers heeft vernield en/of vervolgens die panden heeft betreden en/of doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde diefstallen en pogingen daartoe.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de verdediging zich ten aanzien van de inbraak op 11 mei 2025 (zaak 20) refereert aan het oordeel van de rechtbank nu verdachte dat feit bekent. Voor het overige stelt de raadsman dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal het bewijs bespreken aan de hand van de afzonderlijke zaken (hierna: deelfeiten) die in de tenlastelegging worden genoemd. Daarbij wijkt de rechtbank omwille van de leesbaarheid van dit vonnis op onderdelen af van de volgorde die in de tenlastelegging is gekozen.
Deelfeit 20: bekennende verdachte
[aangever 1] heeft namens [bedrijf 8] en [slachtoffer 9] aangifte gedaan van diefstal met braak. Aangever verklaarde dat hij op 11 mei 2025 om 8:50 uur bij het openen van de sportschool een hem onbekende man in de sportschool zag, die het pand via de nooduitgang verliet. Aangever verklaarde ook dat het luchtventilatierooster kapot was. Het in de sportschool aanwezige muntenkastje voor de sauna en zonnebank was kapot, omdat het opvangbakje met geweld uit het kastje was gehaald en was verbogen. Ook de deur naar de personeelsruimte was vernield.
Verdachte heeft ten aanzien van de inbraak bij [bedrijf 8] op 11 mei 2025 ter zitting een bekennende verklaring afgelegd. Verdachte verklaarde daarbij dat hij via het luchtventilatierooster is binnengekomen en dat hij daar een muntenkastje heeft gesloopt en een deur kapot heeft gemaakt. In het muntenkastje zaten geen euromunten, maar andersoortige munten. Deze munten heeft verdachte meegenomen en later buiten de sportschool weggegooid. De rechtbank acht dit deelfeit voor zover het ziet op de inhoud van het muntenkastje wettig en overtuigend bewezen.
Overige deelfeiten; algemeen
De rechtbank bespreekt alvorens de overige deelfeiten te beoordelen eerst twee algemene aspecten ten aanzien van het bewijs, te weten i) het gebruik van historische telefoongegevens met betrekking tot het telefoonnummer van verdachte en ii) de herkenningen die onderdeel zijn van het procesdossier.
i. i) Verdachte heeft tijdens een controle op 20 maart 2025 (PL0600-2025125920) verklaard dat zijn telefoonnummer [telefoonnummer] is. Aan dit telefoonnummer is [IMSI-nummer] gekoppeld, wat aangeeft dat deze gebruik maakt van het netwerk van de provider KPN. Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in gebruik in een toestel van het merk Xiamo Communications met [IMEI-nummer] . Deze telefoon is bij verdachte aangetroffen en in beslag genomen. In het kader van het onderzoek naar de verschillende inbraken zijn de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte bevraagd en aangeleverd met betrekking tot de periode van 1 februari 2025 tot en met 21 maart 2025.
De verdediging heeft aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte op 20 maart 2025 volgt dat hij op dat moment het onderzochte telefoonnummer in gebruik had, maar dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat verdachte over de gehele ten laste gelegde periode de gebruiker is geweest van dit telefoonnummer. Ter terechtzitting heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik van zijn telefoon. Vast staat dat verdachte op enig moment de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De rechtbank is van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet het alternatieve scenario heeft onderbouwd dat telefoonnummer [telefoonnummer] in de (onderzochte) periode vanaf 1 februari 2025 tot 20 maart 2025 niet van verdachte was of niet door verdachte werd gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte in de hele onderzochte periode de gebruiker is geweest van dit telefoonnummer. Dat in het proces-verbaal van bevindingen over de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte staat vermeld dat de afbeeldingen niet als bewijs kunnen worden gebruikt, zoals door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot bewijsuitsluiting van de gebruikte zendmastlocaties. Hiermee kan in ieder geval worden vastgesteld waar de telefoon van verdachte in de buurt is geweest. De rechtbank zal de historische verkeersgegevens daarom op deze manier gebruiken voor het bewijs.
ii) In het procesdossier zit een aantal herkenningen, waarbij verdachte naar aanleiding van aandachtvestigingen door verbalisanten is herkend. De verdediging heeft aangevoerd dat de herkenningen geen wettig en overtuigend bewijs leveren, omdat deze alleen op basis van foto’s (niet bewegende opnamen van camerabeelden) zijn gedaan en deze foto’s bovendien niet duidelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze herkenningen niet uitsluitend op basis van stilstaande beelden hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst in dat verband bijvoorbeeld op de herkenningen inzake deelfeit 1, waar de verbalisanten opmerkten dat de aandachtvestiging videobeelden bevatte. Hetzelfde geldt voor de herkenningen bij de deelfeiten 17 en 18. De herkenningen zijn naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar. Deze betrouwbaarheid wordt bovendien versterkt door de bekendheid van de verbalisanten met verdachte; zij hebben in het kader van de herkenningen steeds verklaard dat zij recentelijk, op meerdere momenten en gedurende enige tijd contact hebben gehad met verdachte. De rechtbank zal de processen-verbaal ten aanzien van de herkenningen dan ook gebruiken voor het bewijs.
Deelfeit 18
[slachtoffer 7] , eigenaar van [bedrijf 6] in Wageningen, heeft aangifte gedaan van diefstal met braak op 7 maart 2025. De kassalade is weg en aangever vermoedde dat er € 200 à € 300 in de kassalade lag. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van [bedrijf 6] bekeken en deze beschreven. Zij beschreef onder meer dat op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0005.mp4” te zien was dat op 7 maart 2025 om 06:06:00 uur een persoon in beeld verscheen. Hij hield in zijn rechterhand een hamer vast. De verbalisant zag dat de persoon om 06:06:04 uur met de hamer een keer tegen de gevel sloeg. Hierop liep hij iets verder naar een deur, waarop de persoon op dezelfde wijze drie keer tegen de deur of het raam sloeg met de hamer. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0009.mp4” zag ze de persoon, die zich met zijn handen op een vensterbank leek af te zetten om omhoog te komen. Ze zag dat de persoon zijn rechterarm omhoog deed en dat hij in zijn hand een hamer vasthield. Ze zag de persoon met deze hamer meerdere malen hard tegen iets (vermoedelijk iets van een raam) aansloeg. Vervolgens trok de persoon zichzelf omhoog en klom hij via een vensterbank omhoog en ging via het raam dat hij net had ingeslagen het pand binnen. De verbalisant verklaarde dat daar [bedrijf 6] is gevestigd. De camera gaf als tijdstip aan 06:07:39. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0002.mp4” was te zien was dat om 06:08:00 uur een persoon binnen kwam lopen. Deze persoon hield in zijn rechterhand hij een hamer vast. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0003.mp4” zag ze van bovenaf een kassa met een lopende band. De persoon stond achter de toonbank bij de kassa. Op de lopende band lag al een hamer en iets wat op een breekijzer leek. De verbalisant zag dat de persoon bij de kassa direct naar de kassalade eronder greep en deze naar zich toe trok. De lade zat vast aan een koord en de persoon trok flink aan de lade om deze los te krijgen. Ze zag dat deze persoon zowel de lade als de hamer en het breekijzer pakte en uit beeld verdween.
Verbalisant [verbalisant 2] verklaarde dat hij in het kader van een aandachtvestiging op basis van videobeelden en vijf foto’s (stills) de persoon op de stills herkende als verdachte. Hij herkende hem vanuit zijn werkzaamheden en heeft verdachte de afgelopen jaren meerdere malen gesproken en staande gehouden, waaronder op 21 februari 2025. Bij die gelegenheid heeft verbalisant verdachte 25 minuten gezien en gesproken en meerdere foto’s van verdachte gemaakt. Hij herkende verdachte onder andere aan zijn manier van lopen, een beetje voorover gebogen met zijn bovenlichaam en opvallend met zijn voeten naar voren schoppend, en heeft dit loopje ook geconstateerd op 21 februari 2025.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft verdachte op 8 maart 2025 voor de laatste keer gezien. Het contact duurde toen ongeveer 1 uur en 40 minuten. Hij herkende verdachte op de beelden aan zijn ingevallen gezicht, opvallend spitse kin, manier van lopen en fietsen.
In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 7 maart 2025 om 06:25 uur zendmastlocatie [adres 1] Wageningen gebruikte. Daaraan voorafgaand (om 05:44 uur) werd een zendmastlocatie in Ede gebruikt en om 07:15 uur een zendmastlocatie in Bennekom.
Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte door twee verbalisanten herkend op de camerabeelden van de inbraak bij [bedrijf 6] in Wageningen en maakte zijn telefoon gebruik van de zendmastlocatie in Wageningen ten tijde van de inbraak, terwijl de telefoon daarvoor in Ede werd gebruikt en daarna in Bennekom.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 7 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak bij [bedrijf 6] . Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van deelfeit 18.
Deelfeiten 1 en 17
Deelfeiten 1 en 17 zijn beide feiten die plaatsvonden in de (vroege) ochtend van 4 maart 2025.
[slachtoffer 11] heeft namens restaurant [bedrijf 11] in Ede aangifte gedaan van een poging tot diefstal met braak op 4 maart 2025 rond 05:56 uur (deelfeit 1). Aangever verklaarde dat de achterdeur van het restaurant vernield was en de ruit van het achterste raam beschadigd.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft de camerabeelden van restaurant [bedrijf 11] bekeken en beschreven. Zij verklaarde dat ze daarop een man met een zwarte winterjas met capuchon en blauwe spijkerbroek zag. Op de beelden met bestandsnaam “20250304091335 (Beveiligingscamera) 3.mp4” zag ze dat een man het terras van restaurant [bedrijf 11] op liep, zijn handen tegen het raam plaatste en naar binnen keek. Op de beelden met bestandsnaam “20250304091335 (Beveiligingscamera).mp4” zag ze dat dezelfde man richting een toegangsdeur liep en probeerde om een voorwerp in de deur te stoppen. Ze zag dat de man met een voorwerp aan het wrikken was ter hoogte van het slot van de toegangsdeur en onder in de deur. Daarna zag ze dat de man van de deur weg stapte, wegliep en vervolgens uit beeld fietste.
Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] hebben, afzonderlijk van elkaar, verklaard dat zij op basis van videobeelden van restaurant [bedrijf 11] en één foto (still) de persoon op deze camerabeelden hebben herkend als verdachte. Verbalisant [verbalisant 15] verklaarde dat hij verdachte meerdere keren op straat heeft gezien en hem twee keer heeft verhoord. De laatste keer dat hij verdachte zag was op 21 februari 2025; dat contact duurde 20 minuten. Verbalisant [verbalisant 15] herkende verdachte onder andere aan zijn opvallende loopje, waarbij hij zijn voeten als het ware naar voren schopt en daardoor een hoppend loopje heeft en met zijn bovenlichaam licht gebogen naar voren loopt. Verbalisant [verbalisant 2] verklaarde dat hij verdachte al zeker vijftien jaar kende vanuit zijn werkzaamheden als politieagent. Ook hij zag verdachte op 21 februari 2025. Verbalisant [verbalisant 2] herkende verdachte, ook op deze camerabeelden, aan zijn manier van lopen.
[aangever 2] , mede-eigenaar van [bedrijf 9] in Wageningen heeft aangifte gedaan van diefstal met braak op 4 maart 2025 rond 07:00 uur (deelfeit 17). Aangever zag dat aan de rechterkant, gezien vanaf de ingang aan de [adres 2] , het onderste raam van de deur eruit lag. Binnen zag hij dat de rechtergokkast leeg was gehaald en dat de kassalade in zijn geheel was weggenomen. Verbalisant [verbalisant 6] heeft twee bestanden met camerabeelden van [bedrijf 9] bekeken. Zij verklaarde dat ze op het bestand met de naam “BC gokkasten 20250304 70104.mp4” zag dat in [bedrijf 9] een man met een hamer in zijn rechterhand te zien was. Hij trok een gokkast van de muur en begon met de hamer te slaan op de voorzijde en onderzijde van de gokkast. De verbalisant zag dat hierdoor een klep onderin kon worden geopend en dat de man daar goederen uit haalde. Op de beelden met bestandsnaam “BC gokkasten 20250304 70244.mp4” zag de verbalisant dezelfde man, die een (kassa)lade in een tas leeg schudde. De verbalisant verklaarde dat de man een lichtkleurige jas en capuchon droeg en een grijze broek aan had. De verbalisant heeft ook beelden beschreven, die zijn genomen met een camera met zicht op de openbare weg. Op deze beelden zag zij om 06:54:09 uur een man doelgericht naar de gevel van [bedrijf 9] lopen. Ze zag de man met kracht tegen de deur duwen. Ze meende te zien dat hij een voorwerp in zijn handen had waarmee hij slaande bewegingen in de richting van de gevel maakte. Om 07:02:48 uur leek het de man te zijn gelukt om het pand binnen te komen; ze zag dat hij om 07:04:56 uur naar buiten stapte, zijn fiets pakte en wegliep. De verbalisant merkte op dat de man een donkerkleurige jas met capuchon droeg en geheel in het donker was gekleed.
De rechtbank merkt op dat verbalisant [verbalisant 6] verklaarde dat het haar opviel dat de beelden opgenomen binnen in [bedrijf 9] de persoon in kwestie licht gekleed op beeld verscheen en lichtgekleurde schoenen droeg, terwijl deze persoon op andere camerabeelden (te weten van camera’s met zicht op de openbare weg) geheel in het donker gekleed was en donkergekleurde schoenen droeg. De verbalisant verklaarde dat uit onderzoek is gebleken dat zwarte kleding in infrarood juist licht van kleur lijkt als er sprake is van veel IR-licht die reflecteert.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft verdachte herkend na een aandachtvestiging over de inbraak bij [bedrijf 9] . De verbalisant gaf aan dat de man op de beelden een donkere dikke winterjas en een donkere broek droeg. Hij herkende de fiets, de schoenen, de vorm van het gezicht en de manier van fietsen en voortbewegen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte ook op deze beelden herkend aan zijn manier van lopen, een beetje naar voren gebogen met zijn bovenlichaam en opvallend met zijn voeten naar voren schoppend, dit loopje heeft hij ook geconstateerd op 21 februari 2025 toen hij verdachte voor de laatste keer zag.
In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 4 maart 2025 om 03:52 uur zendmastlocatie [adres 3] in Ede gebruikte. Om 07:37 uur gebruikt dit telefoonnummer zendmastlocatie [adres 4] in Wageningen.
Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte zowel bij deelfeit 1 (in Ede) als bij deelfeit 17 (in Wageningen) door twee verbalisanten herkend op de camerabeelden van de (poging tot) inbraak bij restaurant [bedrijf 11] en [bedrijf 9] . Dat verdachte bij beide feiten andere kleding zou dragen (en dat niet zou rijmen met de tijdstippen waarop de feiten zijn gepleegd) klopt, gelet op de toelichting van verbalisant [verbalisant 6] over het infrarode licht en het effect daarvan op de kleur van de kleding, niet. Daarnaast maakt de telefoon van verdachte twee uur voor deelfeit 1 gebruik van een zendmastlocatie in Ede en een half uur na deelfeit 17 in Wageningen.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 4 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met braak bij restaurant [bedrijf 11] en diefstal met braak bij [bedrijf 9] . Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de deelfeiten 1 en 17.
Tussenconclusie
Op basis van de hiervoor bewezen verklaarde feiten 20, 18, 1 en 17 concludeert de rechtbank het volgende. Verdachte heeft in het merendeel van de gevallen een hamer bij zich en hij verschaft zich over het algemeen de toegang door met deze hamer of met een ander voorwerp een raam of deur te vernielen. Verdachte lijkt slechts op zoek naar contant geld, bij de inbraken richt hij zich uitsluitend op (de inhoud van) een muntenkastje, kassalades en gokkasten, andere goederen neemt hij niet mee. Bij de beoordeling van de resterende deelfeiten heeft de rechtbank deze modus operandi van verdachte meegewogen.
Deelfeit 14
Uit de aangifte blijkt dat op 1 februari 2025 om 05:45 uur bij de eigenaar van [bedrijf 1] in Wageningen het alarm afging. Op zijn telefoon zag aangever op de bewakingsbeelden dat een jongen met een hamer op het raam van de toegangsdeur aan het slaan was. Toen de jongen binnen was, zag aangever dat hij met de twee gokkasten bezig was. Hij is naar het cafetaria gegaan en zag dat de twee gokkasten waren opengebroken en dat een bedrag van ongeveer € 1.200 uit de gokkasten is weggenomen. Het raam van een zijdeur is vernield.
In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 1 februari 2025 om 05:50 uur en 06:02 uur zendmastlocatie [adres 4] te Wageningen gebruikte. Dit is rondom het tijdstip dat de inbraak heeft plaatsgevonden. Ook was te zien dat de telefoon direct daarvoor (om 04:58 uur) en daarna (om 06:31) zendmastlocaties in Ede gebruikte.
Deelfeit 13
Aangever [slachtoffer 3] , namens [bedrijf 3] in Veenendaal, verklaarde dat hij op 11 februari 2025 om 12:00 uur bij binnenkomst van zijn café zag dat er ingebroken was. Hij zag dat de gokkasten opengebroken waren. Ook de kassa was opengebroken. Er was geld uit de gokkasten en de kassa meegenomen. In de kassa zat alleen muntgeld, dit was maximaal € 200. Aangever gaf aan dat het bovenlicht aan de voorzijde van het café was opengebroken. Aangever had het café op 11 februari 2025 om 00:30 uur afgesloten en ook het bovenlicht afgesloten.
In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 11 februari 2025 om 06:01 uur zendmastlocatie [adres 5] in Veenendaal gebruikt en om 06:23 uur zendmastlocatie [adres 6] in Veenendaal. Daaraan voorafgaand (om 02:33 uur) en korte tijd erna (om 07:16 uur maakte het telefoonnummer gebruik van zendmastlocaties in Ede. In de periode 1 februari 2025 tot en met 21 maart 2025 maakt de telefoon van verdachte slechts op twee dagen (11 en 28 februari 2025) gebruik van een zendmastlocatie in Veenendaal.
Deelfeit 15
[slachtoffer 4] heeft namens [bedrijf 4] in Wageningen, aangifte gedaan van diefstal met braak op 17 februari 2025 . De onderste ruit van de voordeur was kapot geslagen. De gokkast aan de linkerzijde was kapot. De geldunit was uit de gokkast gehaald. Aangever vermoedde dat er ongeveer € 350 tot € 500 in de gokkast zat. Getuige [getuige 1] verklaarde dat zij omstreeks 05:45 uur gebonk en glasgerinkel uit de richting van [bedrijf 4] hoorde. Zij zag dat het glas van de deur aan de onderzijde kapot was en dat er een persoon uit de opening van het kapotte deurraam kroop. Ze zag dat deze persoon een man was en een hamer in zijn hand had. Verbalisant [verbalisant 7] heeft de camerabeelden van [bedrijf 4] bekeken en beschreef dat omstreeks 05:45 uur een persoon aan de voorzijde van [bedrijf 4] slaande en schoppende bewegingen leek te maken en dat deze persoon vervolgens door zijn hurken gaat en uit beeld verdween. De verbalisant beschreef dat de persoon omstreeks 05:47 uur weer verschijnt. De verbalisant verklaarde dat hij zag dat deze persoon een kleine hamer in zijn rechterhand had.
Deelfeit 12
Aangever [slachtoffer 8] deed aangifte mede namens [bedrijf 7] in Ede. Hij verklaarde dat hij op 16 maart 2025 ontdekte dat er bij de supermarkt was ingebroken, het raam van de uitgang kapot was gemaakt en dat er een stoeptegel bij het raam lag. De kassalade, met (munt)geld, is meegenomen. Verbalisant [verbalisant 8] heeft de camerabeelden van [bedrijf 7] bekeken en zij zag op de beelden met bestandsnaam “VID-20250510-WA0004.mp4” dat een man met kracht een stoeptegel tegen de voordeurruit van de winkel gooide en vervolgens met een stuk gereedschap tegen het verbrijzelde glas sloeg. De verbalisant zag dat de man tegen het verbrijzelde glas trapte en zich bukkend door het gat naar binnen werkte. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250510-WA0003.mp4” zag de verbalisant in de winkel een man met een klauwhamer in de rechterhand die direct naar de metalen kassalade liep. De man sloeg met kracht op de metalen kassaladedeksel, waardoor een deuk ontstond in de deksel. Vervolgens wrikte de man met grof geweld met de klauwen van de hamer. Het lukte de man de kassalade met de klauwhamer te openen en de man haalt de geld-inleglade uit de kassa en liep daarmee uit beeld. De verbalisant zag op de beelden met bestandsnaam “VID-20250510-WA0005.mp4” dat de man weer door het gat in de voordeur naar buiten kwam en de gehele geld-inleglade van de kassa in zijn handen had. De verbalisant merkte nog op dat als datum en tijdstip in beeld te zien waren: 2025-03-16 06:05:31.
Deelfeit 6
[slachtoffer 10] , eigenaar van [bedrijf 10] Ede heeft aangifte gedaan van diefstal met braak op 16 februari 2025.Alleen de kassalade is meegenomen, maar daar zat niks in. De voordeurruit, de ruit rechts naast de voordeur en de ruit aan de linkerzijde waren vernield. Verbalisant [verbalisant 9] heeft de camerabeelden van [bedrijf 10] bekeken. Hij zag op de beelden met bestandsnaam “IMG_0083” een persoon in beeld komen die een hamer in de rechterhand vasthield. Hij sloeg diverse keren met de hamer tegen de deur en de verbalisant zag dat de persoon uiteindelijk via de kapotgeslagen deur naar binnen ging. In beeld stonden de volgende datum en tijd stond weergegeven: 2025-02-16 06:12:13.
Deelfeit 19
[slachtoffer 12] heeft, namens [bedrijf 12] in Wageningen, aangifte gedaan. Aangeefster is mede-eigenaar van de kroeg en woont erboven. Zij verklaarde dat zij op 7 maart 2025 omstreeks 06:05 uur hoorde dat hard tegen een raam werd gebonkt. Ze hoorde glas breken. Verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] verklaarden dat zij een getuige hoorden zeggen dat hij een man een cassette onder een vuilcontainer in de [adres 7] zag schuiven. De verbalisanten hebben de cassette aangetroffen. Het betrof een kassalade. Verbalisant [verbalisant 10] zag de kassalade met veel kleingeld erbij liggen en trof in een van de containers een breekijzer en hamer aan. Verbalisant [verbalisant 12] heeft de beelden van [bedrijf 12] bekeken en op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0005”, waarop de binnenzijde van het café in beeld was, zag zij dat er glasscherven leken te vallen en dat er vervolgens een persoon door de kapotte ruit naar binnen kwam. De verbalisant omschreef de persoon als een man. Ze zag dat de man een hamer in zijn rechterhand vast had.
Deelfeit 2
[slachtoffer 11] , heeft namens restaurant [bedrijf 11] in Ede aangifte gedaan. Hij verklaarde dat hij op 13 maart 2025 in het restaurant zag dat een raam aan de achterkant van het pand kapot was. Verbalisant [verbalisant 9] heeft de camerabeelden van restaurant [bedrijf 11] bekeken en beschreven. Hij verklaarde dat hij op de beelden met bestandsnaam “20250313102946” zag dat een persoon bij de gevel van het pand met een voorwerp in de hand duwende en trekkende bewegingen maakte en met zijn been tegen de gevel aan schopte. Vervolgens ging de persoon het pand in. Op de beelden met bestandsnaam “20250313104101” was te zien dat de persoon binnen was en de kassalade opentrok. Na het openen liep de persoon met versnelde pas uit beeld. Getuige [getuige 2] verklaarde dat hij op 13 maart 2025 omstreeks 06:00 uur door hard gebonk werd gewekt. Hij zag dat een man met een hamer herhaaldelijk op de achterruit van het restaurant sloeg. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 13 maart 2025 om 05:21 uur de zendmastlocatie [adres 8] in Ede gebruikte, om 06:12 uur de zendmastlocatie [adres 9] te Ede en om 06:32 uur weer de zendmastlocatie [adres 8] in Ede.
Deelfeiten 3, 5, 8 en 9
De rechtbank zal de deelfeiten 3, 5, 8 en 9 in samenhang bespreken. Deze deelfeiten hebben alle betrekking op inbraken bij [bedrijf 2] in Ede. Deze inbraken vonden (chronologisch weergegeven) plaats op respectievelijk:
- 8 februari 2025 tussen 02:00 uur en 08:00 uur (deelfeit 8);
- tussen 2 maart 2025 om 04:00 uur en 3 maart 2025 om 08:30 uur (deelfeit 5);
- tussen 15 maart 2025 om 20:00 uur en 16 maart 2025 om 04:09 uur (deelfeit 3);
- op 19 maart 2025 tussen 00:31 uur en 00:37 uur (deelfeit 9).
Voorafgaand merkt de rechtbank nog op dat de eigenaar [slachtoffer 2] van [bedrijf 2] bij de aangifte van deelfeit 3 heeft verklaard dat hij sinds de tweede inbraak de munt- en biljethoppers op de biljarttafel legde, zodat bij een eventuele inbraak geen andere dingen kapot worden gemaakt. De munt- en biljethoppers zijn de apparaten waarin het geld wordt opgevangen als er geld in de gokkast wordt gedaan. De biljethopper was daarbij leeg, maar in beide munthoppers zat een bedrag in muntstukken.
Ten aanzien van deelfeit 8 bevat het dossier een proces-verbaal van aangifte. Aangever verklaarde dat een werknemer van het [bedrijf 2] in Ede op 8 februari 2025 omstreeks 02:15 uur het café heeft afgesloten. Op 8 februari 2025 om 08:30 uur heeft aangever de inbraak geconstateerd. Hij zag dat de geldlade weg was en de gokkasten op de grond lagen. De geldlade van de kassa en de twee geldlades van de gokkasten lagen op de grond en de inhoud ervan was weggenomen. Er was braakschade aan de ruit en aan de twee gokkasten. Aangever verklaarde dat in de gokkasten standaard € 500 aan muntgeld zat en € 100 aan briefgeld. Het volgende was volgens aangever weggenomen: uit de kassalade briefgeld en muntgeld, vermoedelijk ter waarde van € 500 en uit de twee gokkasten briefgeld en muntgeld, vermoedelijk ter waarde van € 1200. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 8 februari 2025 omstreeks 04:50 uur de zendmastlocatie [adres 8] te Ede gebruikte. Daarvoor om 03:00 uur en daarna om 04:57 uur gebruikte het telefoonnummer een andere zendmastlocatie in Ede.
Ten aanzien van deelfeit 5 verklaarde aangever [slachtoffer 2] dat hij op 3 maart 2025 omstreeks 08:30 uur bij zijn [bedrijf 2] aankwam en zag dat de ruit achter de opgestapelde terrasstoelen was ingeslagen. Aangever liep naar binnen en zag dat de twee gokkasten kapot waren en dat de bakken die in de kasten horen te zitten eruit waren gehaald en dat er geen geld meer in de bakken zat. Aangever zag ook dat de kassalade open stond en dat het contante geld uit de kassa weg was. Aangever verklaarde dat in de kassalade ongeveer € 100 aan muntgeld zat en dat hij vermoedde dat in iedere gokkast ongeveer € 300 aan muntgeld zat. Verbalisant [verbalisant 9] heeft camerabeelden van [bedrijf 2] bekeken en beschreven. Hij verklaarde dat hij op de beelden met bestandsnaam “Video inbraak 4” een persoon zag die
met zijn rechterhand in de kassalade zat en dat deze persoon een tas opschudde en om de kassalade deed. Hij zag dat de persoon de kassalade eruit haalde en in de tas leegde. De verbalisant verklaarde ook dat hij de persoon in een andere ruimte bij een gokautomaat stond en daar slaande en trekkende bewegingen tegen maakte, waardoor een paneel van de gokautomaat losliet.
Met betrekking tot deelfeit 3 bevat het procesdossier een aangifte van [slachtoffer 2] . Hij verklaarde dat hij op 16 maart 2025 om 03:37 uur vernam dat een ruit van het [bedrijf 2] kapot was en dat er een lamp aanstond. Hierop is de zoon van aangever naar het café gegaan. Bij aankomst zag zijn zoon dat de platen die tegen het kapotte raam getimmerd waren, kapot waren. Hij zag dat de munthoppers leeg waren en op de biljarttafel lagen. Aangever verklaarde dat hij in beide munthoppers € 75 in verschillende muntstukken liet zitten. Verbalisant [verbalisant 13] heeft de camerabeelden van [bedrijf 2] bekeken en daarop was een man te zien die naar de biljarttafel liep en beide munthoppers boven een tas hield en leegschudde. Ook was te zien dat de man de kassalade opende en met een licht in de kassalade scheen.
Bij deelfeit 9 werd door [slachtoffer 2] aangifte gedaan van inbraak in zijn [bedrijf 2] . Hij verklaarde dat hij op 19 maart 2025 omstreeks 02:00 uur van de politie vernam dat er was
ingebroken in zijn café. Toen hij bij het café aankwam zag hij dat het reclamebord, waarmee hij het raam had afgedicht, op de grond lag en het houtwerk aan de binnenzijde was verbroken. In het café zag hij dat de kassalade achter de bar was leeggehaald. In de kassalade zat € 20 aan muntgeld. Aangever verklaarde verder dat de man een onderdeel van de gokkast, te weten een houder van de papierhopper, heeft meegenomen. Aangever zag op de beveiligingsbeelden dat de man omstreeks 00:31 uur aan kwam fietsen en via het raam naar binnen kwam, waarna hij naar de kassalade achter de bar liep, deze kassalade leegde en weer door het raam naar buiten ging en omstreeks 00:37 uur wegfietste.
In de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer] is te zien dat het telefoonnummer op 19 maart 2025 om 23:35 uur de zendmastlocatie [adres 10] in Ede gebruikte en om 00:43 uur de zendmastlocatie [adres 8] in Ede.
Deelfeit 10
Met betrekking tot de inbraak bij [bedrijf 5] in Bennekom bevat het dossier een aangifte. Aangever verklaarde dat hij op woensdag 19 februari 2025 om 05:03 uur een melding op zijn telefoon kreeg dat het alarm van mijn bedrijfspand afging. Toen aangever ter plaatse kwam zag hij dat het raam van de voordeur gebarsten was en dat de voordeur aan de onderzijde uit zijn scharnieren was geduwd. Aan de onderzijde van de deur zag de aangever een baksteen op de grond liggen. De afstortkluis die zich onder de kassa zou moeten bevinden, was niet meer aanwezig. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 19 februari 2025 om 06:36 uur de zendmastlocatie [adres 11] Bennekom gebruikte.
Conclusie
De rechtbank concludeert ten aanzien van deelfeiten (op volgorde van de tenlastelegging) 14, 8, 13, 15, 5, 3, 12, 9, 6, 19 en 2 dat de modus operandi overeenkomt met de reeds hiervoor vastgestelde werkwijze van verdachte. Daar komt nog bij dat uit de historische telefoongegevens ten aanzien van de verschillende deelfeiten volgt dat de telefoon van verdachte op of omstreeks de tijdstippen van de verschillende inbraken vaak in de buurt van die locaties is geweest. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het gebruik van het telefoontoestel en telefoonnummer door verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op of omstreeks de tijdstippen van de inbraken steeds in de buurt van de locaties is geweest. Bij voornoemde deelfeiten is telkens sprake van het (willen) wegnemen van contant geld (kassalade / gokkast) in combinatie met het gebruik van een hamer óf in combinatie met het feit dat verdachte door het gebruik van zijn telefoon aan de (poging) tot inbraak is te linken. De samenhang van twee onderdelen van de modus operandi (uit op contant geld en gebruik hamer) of de samenhang van één onderdeel van de modus operandi (uit op contant geld) en het gebruik van de telefoon in de buurt, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (pogingen tot) diefstal met braak van deze deelfeiten.
Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de deelfeiten 14, 8, 13, 15, 5, 3, 12, 9, 6, 19 en 2.
Alleen ten aanzien van deelfeit 10 oordeelt de rechtbank anders. Hoewel de dader uit is op contant geld (het wegnemen van de afstortkluis) is er geen samenhang met het gebruik van een hamer of het gebruik van de telefoon in de buurt. De telefoongegevens van verdachte wijzen wel uit dat hij in Bennekom is geweest, maar het tijdstip waarop de telefoon de zendmastlocatie in Bennekom gebruikte wijkt te veel af van het tijdstip waarop de inbraak is gepleegd. Van het ten laste gelegde deelfeit 10 zal de rechtbank verdachte dan ook partieel vrijspreken.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 11 mei 2025 in Ede (gemeente Ede), Bennekom (gemeente Ede), Veenendaal (gemeente Veenendaal) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten
- een geldbedrag van ongeveer €1200, toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] (zaak 14, aangifte 2025048641, pag. 394 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €1700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 8, aangifte 2025059931, pag. 321 ev) en/of
- een geldbedrag van €200 en een onbekend geldbedrag uit de gokkasten, toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [slachtoffer 3] (zaak 13, aangifte 2025044609, pag. 383 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €350-€500, toebehorende aan [bedrijf 4] en/of [slachtoffer 4] (zaak 15, aangifte 2025073447, pag. 405 ev) en/of
- een lege afstortkluis, toebehorende aan [bedrijf 5] en/of [slachtoffer 5] (zaak 10, aangifte 2025076958, pag. 353 ev) en/of
- een geldbedrag van ongeveer €700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 5, aangifte 2025096805, pag. 284 ev) en/of
- het geld in de gokkasten en de kassalade met inhoud, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 9] ’ en/of [slachtoffer 6] (zaak 17, aangifte 2025098276, pag. 445 ev) en/of
- de kassalade met een geldbedrag van ongeveer €300, toebehorende aan [bedrijf 6] en/of [slachtoffer 7] (zaak 18, aangifte 2025103552, pag. 484 ev) en/of
- een geldbedrag van €150, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 3, aangifte 2025119169, pag. 264 ev) en/of
- de inhoud van de kassalade, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 7] ’ en/of [slachtoffer 8] (zaak 12, aangifte 2025119346, pag. 360 ev) en/of
- een geldbedrag van €20 en een houder van de papierhopper, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 9, aangifte 2025123965, pag. 337 ev) en/of
- de inhoud van het muntenkastje, toebehorende aan [bedrijf 8] en/of [slachtoffer 9] (zaak 20, aangifte 2025217770, pag. 544 ev),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2
hij, in of omstreeks de periode van 16 februari 2025 tot en met 13 maart 2025 in Ede (gemeente Ede) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geldbedragen en/of enig ander goed naar zijn gading, in elke geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten
- [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 10] (zaak 6, aangifte 2025072541, pag. 306 ev) en/of
- Restaurant ‘ [bedrijf 11] ’ en/of [slachtoffer 11] (zaak 1, aangifte 2025098384, pag. 214 ev) en/of
- [bedrijf 12] en/of [slachtoffer 12] (zaak 19, aangifte 2025103464, pag. 528 ev) en/of
- Restaurant [bedrijf 11] en/of [slachtoffer 11] (zaak 2, aangifte 2025114048, pag. 240 ev),
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de ruiten/ramen en/of deuren van de panden van de genoemde slachtoffers heeft vernield en/of vervolgens die panden heeft betreden en/of doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming, meermaals gepleegd
feit 2:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking, meermaals gepleegd.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (isd-maatregel) voor de duur van 2 jaar wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangegeven zich niet tegen een eventuele oplegging van een isd-maatregel te verzetten, indien de rechtbank van oordeel is dat aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel wordt voldaan.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de isd-maatregel) kan worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan.
De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Verder is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van deze feiten ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld of is aan hem bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf opgelegd.
De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en/of maatregelen.
Er moet naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal plegen. Daarom eist de veiligheid van goederen het opleggen van de isd-maatregel, die strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive.
De rechtbank is daarom van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor oplegging van de isd-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers. Op grond van deze richtlijn kan een isd-maatregel door het Openbaar Ministerie worden gevorderd ten aanzien van een stelselmatige dader die voldoet aan de wettelijke eisen en die wordt beschouwd als een “zeer actieve veelpleger”. Daaronder wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van 5 jaren - waarvan het peiljaar het laatste jaar vormt - meer dan 10 processen-verbaal tegen zich zag opmaken, waarvan tenminste één in het peiljaar. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie valt verdachte onder deze definitie.
Hierbij is van belang dat in het reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg Adviesunit Arnhem-Nijmegen van 8 augustus 2025 is beschreven dat, gezien de instabiliteit op vrijwel alle levensgebieden, een ambulant kader niet voldoende is om stabiliteit te brengen. Een (deels) voorwaardelijke straf, met een klinische opname als bijzondere voorwaarde, is gelet op het verloop van eerdere zorgtrajecten van verdachte, evenmin toereikend, omdat dit teveel ruimte biedt en de kans op succes ten aanzien van een duurzame gedragsverandering zal verminderen. Binnen het kader van de isd-maatregel kan tussentijds, zonder dat verdachte op straat komt te staan en terugvalt in middelengebruik en/of delictgedrag, worden beoordeeld of, en onder welke voorwaarden, een nieuwe behandelroute passend is, aldus de reclassering.
De isd-maatregel is een vergaand middel, dat in beginsel pas wordt toegepast indien eerdere straffen een verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden te recidiveren en alle eerdere hulpverlening niet het gewenste effect heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke isd-maatregel in dit geval noodzakelijk en proportioneel is. Verdachte heeft geen eigen woonplek, geen dagbesteding en geen inkomen. Verdachte kampt daarnaast met een jarenlange verslaving. Eerdere zorgtrajecten, zowel vrijwillig als in een strafrechtelijk kader, zijn niet gelukt. De instabiele omstandigheden en het – mede gezien de verslavingsproblematiek – grote risico op recidive, maken dat naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen mogelijkheden bestaan om met succes de hulp en begeleiding binnen een voorwaardelijk en/of ambulant kader te laten plaatsvinden. De problematiek van verdachte vereist een strak kader dat alleen de isd-maatregel kan bieden.
De isd-maatregel geldt als alternatief voor een gevangenisstraf en is zowel gericht op beveiliging van de maatschappij door langdurige vrijheidsbeneming als op het voorkomen van recidive door gedragsbeïnvloeding. Bij verdachte is sprake van verslaving. Omdat het plegen van strafbare feiten samenhangt met zijn verslavingsproblematiek, strekt de maatregel er in zijn geval mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing daarvan. Om het gedrag van verdachte te beïnvloeden en de problematiek van verdachte grondig te kunnen aanpakken en zo de recidive te beëindigen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel ten uitvoer te leggen. De rechtbank legt de maatregel daarom voor de maximale termijn van twee jaar op. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, wordt daarom niet in mindering op de duur van de maatregel gebracht.
De rechtbank zal de isd-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De volgende benadeelde partijen hebben de volgende vorderingen tot schadevergoeding ingediend:
- [slachtoffer 5] in verband met deelfeit 10. Deze benadeelde partij vordert € 814,79 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
- [slachtoffer 12] mede namens [bedrijf 12] v.o.f. in verband met deelfeit 19. Deze benadeelde partij vordert € 130,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
- [slachtoffer 7] (mede) namens [bedrijf 6] supermarkt in verband met deelfeit 18. Deze benadeelde partij vordert € 3.350,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
- [slachtoffer 2] , eigenaar van eenmanszaak [bedrijf 2] in verband met de deelfeiten 3, 5, 8 en 9. Deze benadeelde partij vordert € 2.849,70 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ( [bedrijf 2] ) kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen [slachtoffer 5] ( [bedrijf 5] ), [slachtoffer 12] ( [bedrijf 12] v.o.f.) en [slachtoffer 7] ( [bedrijf 6] ) moeten niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze vorderingen niet nader zijn onderbouwd.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen vanwege de bepleite vrijspraken niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] ( [bedrijf 2] ) slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van € 279,70 en de benadeelde partijen [slachtoffer 5] ( [bedrijf 5] ), [slachtoffer 12] ( [bedrijf 12] v.o.f.) en [slachtoffer 7] ( [bedrijf 6] ) niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Nu verdachte (partieel) wordt vrijgesproken ten aanzien van het als deelfeit 10 tenlastegelegde, zal benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.
Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 12] ( [bedrijf 12] v.o.f.) en van [slachtoffer 7] ( [bedrijf 6] supermarkt) is de rechtbank van oordeel dat deze vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn, nu nadere stukken aan de hand waarvan de (aard en omvang van de) schade kan worden beoordeeld, ontbreken. Het in de gelegenheid stellen van deze benadeelde partijen om deze vorderingen alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 2] , eigenaar van eenmanszaak [bedrijf 2] , wel toewijzen. Deze vordering is ten aanzien van de ruitbestickering niet betwist en deze schadepost is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor. De vergoedingen voor de weggenomen geldbedragen komen overeen met hetgeen in de verschillende aangiften is opgegeven en waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal een bedrag van € 2.849,70 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
veroordeelt verdachte in verband met het feit 1 (deelfeiten 3, 5, 8 en 9) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 2.849,70 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] in deze
procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij
[slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 2.849,70 aan materiële schade. Dit wordt
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag dat het hele
bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 38 dagen gijzeling worden
toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Benadeelde partijen [slachtoffer 5] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 7]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 1, deelfeit 10) niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 12] (feit 2, deelfeit 19) niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade en smartengeld;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 1, deelfeit 18) niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade.