ECLI:NL:RBGEL:2025:8316

ECLI:NL:RBGEL:2025:8316, Rechtbank Gelderland, 05-02-2025, 11245824 CV EXPL 24-2217

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 05-02-2025
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer 11245824 CV EXPL 24-2217
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zutphen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005290

Samenvatting

vordering tot schriftelijke vastlegging van een pachtoverenkomst

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Pachtkamer

Zittingsplaats Zutphen

zaakgegevens 11245824 \ CV EXPL 24-2217 \ 1607 \ 44219

Grosse aan : L.C. van Slagmaat

Afschrift aan : J.P.E. Baakman

Verzonden d.d. : 5-2-2025

vonnis d.d. 5 februari 2025 van de pachtkamer

in de zaak van

de burgerlijke maatschap [eiser]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eisende partij

gemachtigde: L.C. van Slagmaat

tegen

de stichting Stichting Tobra

gevestigd te Rietmolen, gemeente Berkelland

gedaagde partij

gemachtigde: J.P.E. Baakman

Partijen worden hierna [eiser] en Tobra genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 oktober 2024 en de daarin genoemde processtukken

- de brief namens [eiser] van 29 november 2024, met productie 21

- de brief van Tobra van 2 december 2024, met een productie

- de mondelinge behandeling van 12 december 2024.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna samen: [naam 3] ) waren eigenaar van de volgende percelen grond, gelegen aan het adres [adres] te [plaats] , met een totaal oppervlakte van 8,235 ha., kadastraal bekend:

[kadastrale aanduiding 1] ter grootte van 5.24.20 ha., met een boerderij en een oude, inmiddels vervallen boerderij;

[kadastrale aanduiding 2] ter grootte van 2.89.40 ha.

[kadastrale aanduiding 3] ter grootte van 0.09.90 ha.

Vanaf 1 januari 1996 heeft [eiser] bovengenoemde percelen, met uitzondering van de boerderij en de bijbehorende oprit, geleidelijk aan tegen betaling in gebruik genomen. Zij gebruikt de grond voor de exploitatie van een veehouderij en het verbouwen van mais. De vervallen boerderij wordt door [eiser] gebruikt als opslag.

Op enig moment heeft [naam 3] de percelen overgedragen aan Tobra.

[eiser] betaalt sinds 1996 jaarlijks voor het gebruik van de percelen, eerst aan [naam 3] en vervolgens aan Tobra. [eiser] betaalt Tobra thans € 3.815,73 per jaar, in termijnen van € 2.000,-- en € 1.815,73.

Tobra heeft het gebruik van de percelen en de oude boerderij bij brief van 4 oktober 2023 opgezegd tegen 31 december 2024. [eiser] heeft zich bij brief van 13 november 2023 beroepen op een mondelinge pachtovereenkomst en heeft zich tegen de opzegging verzet.

Tobra heeft het gebruik bij e-mailbericht van 26 april 2024 nogmaals opgezegd, dit keer per 30 april 2025. [eiser] heeft bij e-mail van 7 mei 2024 laten weten de percelen niet te zullen verlaten.

3. De vordering en het verweer

Volgens [eiser] kwalificeert het tegen betaling in gebruik geven van de percelen ten behoeve van haar melkveehouderij als pacht. Zolang de pachtovereenkomst niet door de grondkamer is goedgekeurd geldt de overeenkomst voor onbepaalde tijd en is opzegging niet mogelijk (zie art. 7:322 lid 1 BW). [eiser] heeft belang bij vastlegging van de pachtovereenkomst.

[eiser] vordert aldus dat de pachtkamer bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, schriftelijk vastlegt de pachtovereenkomst tussen [eiser] en Tobra met betrekking tot de landbouwpercelen, kadastraal bekend:

[kadastrale aanduiding 1] ter grootte van 52.420 m2;

[kadastrale aanduiding 2] ter grootte van 28.940 m2:

[kadastrale aanduiding 3] ter grootte van 990 m2;

totaal groot 8,235 ha,

dan wel deze genoemde percelen minus de boerderij en oprit totaal groot conform opgave bij RVO 7,75 ha plus de oppervlakte van de gronden onder de bomenrij, voor de wettelijke duur en tegen jaarlijkse betaling door [eiser] van € 3.815,73 in twee gebruikelijke termijnen, en voor het overige tegen de gebruikelijke voorwaarden.

Tobra voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

Partijen zijn het er niet over eens of er een pachtovereenkomst tussen [naam 3] en [eiser] tot stand is gekomen. Artikel 7:311 BW definieert pacht als het tegen betaling in gebruik verstrekken van een onroerende zaak voor de uitoefening van landbouw. Daarbij zijn de rechten en verplichtingen die partijen jegens elkaar hebben van belang, en niet of zij voor ogen hebben gehad om daadwerkelijk een pachtovereenkomst te sluiten.

[eiser] stelt in 1996 met [naam 3] te hebben afgesproken dat zij op de percelen grasland jongvee mocht weiden en daar mest mocht uitrijden. Mede op verzoek van [naam 3] zelf heeft [eiser] dat gebruik in de daarop volgende jaren voortgezet. In het begin van de pachtperiode hield [naam 3] zelf ook een aantal koeien op de percelen. Naar mate [naam 3] ouder werd heeft [eiser] in overleg met [naam 3] ook grond links en rechts op de percelen in gebruik genomen. [naam 3] woonde destijds zelf nog in de boerderij aan [adres] en vroeg [eiser] onder meer om de paardenbloemen weg te halen. Na zo’n 10 jaar heeft [eiser] in overleg met [naam 3] ook andere delen van de grond in gebruik genomen en benut voor het telen van mais. Dat is begonnen met 3 hectare achterop de percelen en vervolgens uitgebreid met 3,5 hectare vooraan. Het grasland is steeds gebruikt voor het weiden van jongvee en wordt door [eiser] gemaaid. Gaandeweg heeft [eiser] de percelen zo geheel in gebruik genomen, uitgezonderd de boerderij en de oprit. De bomenrij die parallel aan [adres] loopt hoort ook bij het gepachte. De pachtprijs werd vastgesteld door [naam 3] en is steeds door [eiser] voldaan.

Volgens Tobra heeft [naam 3] in 1996 de percelen grasland éénmalig een jaar aan [eiser] ter beschikking gesteld. Van pacht is geen sprake, ook omdat [naam 3] nooit heeft gewild dat een pachtovereenkomst tot stand zou komen en heeft willen voorkomen dat [eiser] aan haar positie als pachter rechten zou kunnen ontlenen.

De pachtkamer overweegt eerst dat uit een overgelegde akte van maatschap (productie 21 zijdens [eiser] ) blijkt dat [eiser] is opgericht in 1987. Het verweer van Tobra dat [eiser] nog niet bestond op het moment waarop de gestelde pachtovereenkomst is gesloten, faalt dus.

Voorts overweegt de pachtkamer dat Tobra de gestage ingebruikname van de percelen, zoals [eiser] heeft geschetst, niet heeft weersproken. In een door Tobra overgelegd briefje van [naam 3] staat dat [eiser] alleen in 1997 mest op de percelen mag uitrijden, maar de ontvangst van die brief is door [eiser] betwist. Bovendien is het briefje beperkt tot het uitrijden van mest en staat er niet in dat Tobra alleen in 1997 vee mocht weiden op de percelen, wat voor de hand had gelegen als [naam 3] al het gebruik door [eiser] tot één jaar had willen beperken.

Met de betalingen door [eiser] als tegenprestatie voor het gebruik van de percelen is in principe aan alle vereisten voor pacht voldaan. Dat [naam 3] mogelijk niet heeft gewild dat een pachtovereenkomst tot stand zou komen, is niet van belang. De betwisting van Tobra, die inhoudt dat geen overeenstemming zou hebben bestaan over het gebruik van de grond in de jaren na 1996, is gezien de concrete toelichting van [eiser] onvoldoende gemotiveerd. Op het feitelijke gebruik van de grond door [eiser] en haar jaarlijkse betalingen is Tobra niet ingegaan, anders dan dat die betalingen een ‘supportersbijdrage’ zouden betreffen. Wat daar precies onder moet worden verstaan is niet geconcretiseerd. Een bijdrage voor de doelstellingen van Tobra ligt niet voor de hand omdat [eiser] ook al jaarlijkse betalingen deed aan [naam 3] voordat de percelen aan Tobra zijn overgedragen.

Als gevolg van het ontbreken van een onderbouwde betwisting is voldoende aannemelijk dat er een mondelinge pachtovereenkomst tot stand is gekomen waar partijen uitvoering aan hebben gegeven. De vordering tot vastlegging van de pachtovereenkomst is toewijsbaar op grond van artikel 7:317 lid 2 en 3 BW. De overeenkomst is volgens hetgeen tussen partijen vaststaat in januari 1996 ingegaan. De rechtbank zal als ingangsdatum daarom vastleggen 1 januari 1996. Volgens de stellingen van [eiser] waren de boerderij en de oprit op de percelen geen onderdeel van de overeenkomst met [naam 3] . Die delen worden dan ook uitgesloten van de schriftelijke pachtovereenkomst.

Een pachtovereenkomst die niet ter goedkeuring is ingezonden aan de grondkamer, zoals een mondelinge overeenkomst, geldt voor onbepaalde tijd en kan tussendoor niet worden opgezegd (7:322 BW). De opzeggingen door Tobra hebben daarom geen werking en blijven verder buiten beschouwing.

Tobra heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van de pacht en de betaling in twee termijnen. Dat wordt als gevorderd in het dictum opgenomen. Met betrekking tot het moment van betaling wordt aansluiting gezocht bij de pachtbetalingen van de afgelopen jaren.

[eiser] heeft de gevorderde ‘gebruikelijke voorwaarden’ niet nader gespecificeerd of toegelicht, zodat de pachtkamer er vanuit gaat dat daarmee wordt gerefereerd aan de gebruikelijke duur van een reguliere pachtovereenkomst.

Tobra wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De pachtkamer

legt vast een reguliere pachtovereenkomst met ingang van 1 januari 1996, telkens voor de wettelijke duur van zes jaar, tussen [eiser] als pachter en Tobra als verpachter, met betrekking tot de volgende kadastrale percelen in de Gemeente Berkelland, kadastraal bekend:

[kadastrale aanduiding 1] , groot 5.24.20 ha, uitgezonderd de op dit kadastrale perceel bevindende boerderij en oprit;

[kadastrale aanduiding 2] , groot 2.89.40 ha:

[kadastrale aanduiding 3] , groot 0.09.90 ha;

tegen een jaarlijkse pachtprijs van € 3.815,73, te voldoen in twee termijnen, waarvan de eerste termijn van € 2.000,-- moet worden voldaan uiterlijk op 30 april van het jaar waarop de pacht betrekking heeft en de tweede termijn van € 1.815,73 uiterlijk moet worden voldaan op 30 november van het jaar waarop de pacht betrekking heeft;

draagt aan de griffier op om binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak drie gewaarmerkte afschriften van de uitspraak aan de grondkamer te zenden;

veroordeelt Tobra in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 118,07 aan dagvaardingskosten, € 130,-- aan griffierecht en € 164,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de kostenveroordeling onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer, bestaande uit mr. F.M.C. Boesberg, kantonrechter-voorzitter, ing. J.A. Jansens van Gellicum en P.A.T. Hettinga, leden, en door mr. F.M.C. Boesberg in het openbaar uitgesproken op

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.C. Boesberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?