RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/273892-24
Datum uitspraak : 4 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] , in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. M.H.A. Dibbits, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 januari 2024 in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter
beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- een of meerdere bankpassen,
- een of meerdere (gouden) sieraden, en/of
- een contant geldbedrag (van in totaal € 6.100,-), door
- die [slachtoffer 1] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s),
- die [slachtoffer 1] te melden dat de bankrekening van die [slachtoffer 1] in gevaar is en dat is geprobeerd om die [slachtoffer 1] te hacken,
- die [slachtoffer 1] te melden dat zij haar bankpassen moet verstrekken aan een collega/bankmedewerker,
- zich (al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker) te melden bij de woning van die [slachtoffer 1] ,
- die [slachtoffer 1] te melden dat de mensen die achter de aanval zaten, mogelijk ook naar de
woning van die [slachtoffer 1] zouden komen en/of dat die [slachtoffer 1] de sieraden en het
contante geld beter ook maar kon meegeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- ( aldaar) de voornoemde bankpassen en/of (gouden) sieraden en/of het contante geldbedrag in
ontvangst te nemen, en/of
- ( aldus) die [slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van voornoemde goederen;
2.
hij op een of meerdere tijdstippen of omstreeks 5 januari 2024 in de gemeente Nijmegen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen (van in totaal € 1.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed(eren) onder
G850101848003 zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,
te weten de bankpassen van die [slachtoffer 1] en de bijbehorende pincodes, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd
was/waren;
3.
hij op of omstreeks 6 februari 2024 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter
beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een
inschuld, te weten
- een bankpas, en/of
- een contant geldbedrag (van in totaal € 1.500,-), door
- die [slachtoffer 2] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s),
- die [slachtoffer 2] te melden dat de politie gebeld heeft en dat fraude is gepleegd met de
bankrekening van die [slachtoffer 2] ,
- die [slachtoffer 2] te melden: “Wij willen u graag helpen en beschermen voor het geld wat op uw rekening staat en wat u eventueel in huis heeft”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- die [slachtoffer 2] te melden dat zij haar bankpas en contant geld (uit de kluis van die [slachtoffer 2] )
in een envelop (met een code) moet verstrekken aan een collega/bankmedewerker,
- zich (al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker) te melden bij de woning van die [slachtoffer 2] ,
- ( aldaar) de voornoemde bankpas en/of het contante geldbedrag in ontvangst te nemen, en/of
- ( aldus) die [slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van voornoemde goederen;
4.
hij op of omstreeks 6 februari 2024 in de gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (van in totaal € 500,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag/goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de bankpas van die [slachtoffer 2] en de bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd was/waren;
5.
hij op of omstreeks 16 februari 2024 in de gemeente [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 65 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 februari 2024 in de gemeente [plaats] een voorwerp, te weten ongeveer 65 gram hasj (THC-5), binnen een (afdeling van een) inrichting en/of een instelling waarop de
Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk de Penitentiaire Inrichting te [plaats] , heeft gebracht en/of heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting en/of instelling verboden was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Vrijspraak feit 1: medeplegen van oplichting
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 1 tenlastegelegde. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat verdachte bij de oplichting van mevrouw [slachtoffer 1] een dusdanig substantiële rol heeft gespeeld dat hij als medepleger hiervan kan worden aangemerkt. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit feit.
Feit 2: medeplegen van diefstal van [slachtoffer 1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 51 en 52;
- het afschrift van de bankrekening van aangeefster, p. 55;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 66 en 67;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 121 en 122.
Feit 3: medeplegen oplichting [slachtoffer 2]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 9 t/m 11;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari 2025.
Feit 4: medeplegen van diefstal van [slachtoffer 2]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 9 t/m 11;
- het aanvullend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 14;
- het afschrift van de bankrekening van aangeefster, p. 13;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20 en 21;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari 2025.
Feit 5
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 16 februari 2024 heeft verdachte een Marsverpakking met 65 gram hasj afgeleverd aan zijn broer in de penitentiaire inrichting te [plaats] (PI [plaats] ). Dit betreft een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het afleveren van drugs als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Verdachte heeft weliswaar de Marsverpakking met de hasj aan zijn broer gegeven, maar dat hij dacht dat het om een normale Marsreep ging en wist niet dat er (65 gram) hasj in de verpakking zat. Verdachte had aldus geen opzet op het aanwezig hebben en afleveren van drugs.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij buiten van ‘gewoon iemand’ een Marsreep heeft gekregen met het verzoek deze mee naar binnen te nemen. Op de camerabeelden van het bezoek van verdachte aan zijn broer in de PI [plaats] is te zien dat verdachte divers snoepgoed kocht in de automaat in de bezoekersruimte. Daar was één Marsreep bij. Later waren er twee Mars repen te zien op de camerabeelden. Verder was te zien dat verdachtes broer één Marsreep pakte en deze later verstopte in de mouw van zijn vest.
In de bezoekersruimte is vervolgens op de camerabeelden te zien dat verdachte onder meer twee Bueno’s, één zakje van het merk Dove en één Marsreep vast hield. Alle verpakkingen waren nog gesloten. Eén seconde later is er weer zicht op de bezoekerstafel en is te zien dat er nu twee Marsrepen op tafel lagen. Eén van deze twee Marsrepen verstopte de broer van verdachte in de mouw van zijn vest. Later pakt hij ook de andere reep. Als de verpakking van de tweede reep is opgemaakt is te zien dat daar chocolade in zit. Het bezoek werd beëindigd, omdat verbalisanten zagen dat er een ketting werd overgedragen tussen verdachte en zijn broer. Op dat moment werd de broer van verdachte meegenomen naar de visitatie. Aldaar werd 65 gram drugs gelijkende substantie aangetroffen in een Marsverpakking.
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de reep die hij naar eigen zeggen op verzoek van een ander PI [plaats] in heeft gebracht heeft gelegd naast een echte Marsreep die hij daar heeft gekocht. Zijn broer pakt vervolgens alleen de naar binnen gebrachte reep waar later hasj in blijkt te zitten en verstop die in zijn mouw, de andere reep met chocola wordt ter plekke opengemaakt. Uit de wijze waarop de reep met hasj wordt gepakt en verstopt volgt dat de broer moet hebben geweten dat die geen legale inhoud had. Gelet op de ongebruikelijkheid van het verzoek om een specifieke Marsreep aan een gevangenen te geven alsmede de wijze van aanbieden van de reep, door hem te leggen naast een ter plaatse in de automaat gekochte mars reep op de bezoekerstafel, kan het niet anders dan dat (ook) verdachte ten minste de voorwaardelijke kans voor lief heeft genomen en daarmee de voorwaardelijke opzet had dat de reep een illegale inhoud had en ook dat dit evengoed de hasj zou kunnen zijn zoals die in de verpakking bleek te zitten. De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het afleveren en verstrekken van drugs als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 2, 3, 4 en 5 (primair) tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij op een of meerdere tijdstippen of omstreeks 5 januari 2024 in de gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen (van in totaal € 1.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de bankpassen van die [slachtoffer 1] en de bijbehorende pincodes, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd was/waren;
3.
hij op of omstreeks 6 februari 2024 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter
beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een
inschuld, te weten
- een bankpas, en/of
- een contant geldbedrag (van in totaal € 1.500,-), door
- die [slachtoffer 2] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s),
- die [slachtoffer 2] te melden dat de politie gebeld heeft en dat fraude is gepleegd met de bankrekening van die [slachtoffer 2] ,
- die [slachtoffer 2] te melden: “Wij willen u graag helpen en beschermen voor het geld wat op uw rekening staat en wat u eventueel in huis heeft”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
- die [slachtoffer 2] te melden dat zij haar bankpas en contant geld (uit de kluis van die [slachtoffer 2] ) in een envelop (met een code) moet verstrekken aan een collega/bankmedewerker,
- zich (al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker) te melden bij de woning van die [slachtoffer 2] ,
- (aldaar) de voornoemde bankpas en/of het contante geldbedrag in ontvangst te nemen, en/of
- (aldus) die [slachtoffer 2] te bewegen tot de afgifte van voornoemde goederen;
4.
hij op of omstreeks 6 februari 2024 in de gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (van in totaal € 500,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag/goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de bankpas van die [slachtoffer 2] en de bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd was/waren;
5.
hij op of omstreeks 16 februari 2024 in de gemeente [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 65 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel
feit 3:
Medeplegen van oplichting
feit 4:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel
feit 5 (primair):
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 170 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering. De officier van justitie komt tot deze eis op grond van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de hoogte van de buit, het feit dat verdachte in de woning van de slachtoffers is geweest en het strafblad van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. Verdachte is in staat een taakstraf uit te voeren en hij is bereid zich te conformeren aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een pinpas, een geldbedrag en sieraden van [slachtoffer 2] . Bovendien heeft hij niet alleen met die pinpas van [slachtoffer 2] gepind en zo geld gestolen, dat heeft hij ook met de gestolen pinpas van [slachtoffer 1] gedaan. Tenslotte heeft verdachte 65 gram hasj de PI [plaats] binnengebracht en aan een gedetineerde aldaar afgeleverd. Verdachte heeft op doortrapte wijze de bankpas van [slachtoffer 2] , een bejaarde en kwetsbare dame, ontvreemd. Hij heeft met deze bankpas en met de bankpas van [slachtoffer 1] , eveneens een oudere dame, geldbedragen opgenomen ten laste van de rekeningen van genoemde slachtoffers.
Verdachte heeft in deze zaken puur uit financieel gewin gehandeld en heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Hij heeft deze door hun hoge leeftijd kwetsbare mensen als gemakkelijke prooi gezien. Met zijn optreden heeft hij het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens, van wie ouders mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Nu de oplichting en het ophalen van pas, geld en sieraden bij [slachtoffer 2] thuis in haar woning gebeurde, was de inbreuk op haar gevoel van veiligheid des te groter. Uit de verklaringen van beide slachtoffers blijkt dat deze misdrijven daadwerkelijk grote gevolgen hebben op hun levens. Ze zijn hun gevoel van veiligheid kwijt en worden beperkt in was zij kunnen en durven. Dergelijke feiten leiden bovendien tot maatschappelijke onrust, bijvoorbeeld onder ouderen in het algemeen. De rechtbank rekent verdachte deze feiten ernstig aan.
De rechtbank rekent verdachte de feiten des te zwaarder aan nu hij blijkens zijn justitiële documentatie van 25 december 2024 in het verleden al eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.
De reclassering adviseert in haar rapport van 20 januari 2025 toch niet over te gaan tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit zou zijn recidivebeperkende, beschermende factoren, waaronder een ambulante behandeling die hij zou moeten en willen ondergaan dwarsbomen en de kans op herhaling vergroten, mede door het verlies van zijn woning. Reclassering adviseert tot oplegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de ernst van de feiten passend zou zijn geweest, acht de rechtbank dit gelet op het reclasseringsadvies en de omstandigheid dat verdachte al in juni 2024 is verhoord en toen niet in voorarrest heeft gezeten op dit moment niet meer opportuun. De door de officier van justitie gevorderde straf doet echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers. De rechtbank acht daarom een zwaardere straf passend en geboden dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank zal aan verdachte de maximale taakstraf van 240 uren opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
8. De beoordeling van de civiele vorderingen
De volgende benadeelde partijen hebben in verband met de tenlastelegging een vordering tot schadevergoeding ingediend.
Beide benadeelde partijen vragen om vermeerdering met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, gezien de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging dat de immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 500,00.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de verdediging bepleit dat de immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 500,00.
Overweging van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van benadeelde [slachtoffer 1]
Materiële schade
Nu de rechtbank tot vrijspraak komt ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde feit met betrekking tot benadeelde [slachtoffer 1] , zal de rechtbank de benadeelde ook niet-ontvankelijk verklaren in de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding voor zover het de materiële schade betreft.
Immateriële schade
De rechtbank kan zonder nadere onderbouwing en bewijslevering, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is, nu dit daarvan een onevenredige belasting zou betekenen, niet vaststellen dat sprake was van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) of van een andere in dat artikel genoemde grond voor een dergelijke vergoeding. Dit geldt te meer nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 tenlastegelegde. De rechtbank zal benadeelde daarom ook voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering is ten aanzien van de materiële schade door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu deze naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schade, ter hoogte van € 1.500,00, kan worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank heeft daarbij gekeken naar de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Er is gesteld dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek en dit is door de verdediging niet betwist. De rechtbank begroot de door de benadeelde geleden schade naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. Voor het overige wordt de vordering van de benadeelde partij afgewezen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.
10. De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;
stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte;
zich na het onherroepelijk worden van het vonnis binnen drie werkdagen meldt bij de reclassering IrisZorg. Hij meldt zich op de Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem, telefoonnummer 088-6061311. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de opdrachten en aanwijzingen die hij krijgt van de reclassering. Het meewerken aan huisbezoeken is onderdeel van de meldplicht;
zich laat begeleiden door een nader te identificeren instelling, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
werkt mee aan een plaatsing bij een nader te indiceren instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien dit vanuit het nog op te leggen toezicht noodzakelijk blijkt. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
stelt als overige voorwaarden dat:
o verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
o verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
wijst voor het overige deel de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af;
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.