RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447643 / HZ ZA 25-43
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
GYM B.V.,
te Weert,
eisende partij,
hierna te noemen: GYM,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. L. Schuurs.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
GYM exploiteert een sport- en fitnesscentrum in een bedrijfspand gelegen te [adres] . [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ) is de bestuurder van GYM. [naam bestuurder] is bij vonnis van 29 maart 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens voorbereidingshandelingen voor het produceren van MDMA en/of methamfetamine (synthetische drugs) en voorbereidingshandelingen voor hennepteelt. [naam bestuurder] heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.
Begin 2022 heeft GYM via haar assurantietussenpersoon [naam 1] (hierna: de tussenpersoon) een aanvraag gedaan voor een zakelijk verzekeringspakket, met daarin een inventaris-, bedrijfsschade- een aansprakelijkheidsverzekering bij VCN Verzekeringen B.V. (hierna: de volmacht) als gevolmachtigde van Achmea.
Op 4 februari 2022 heeft de volmacht een offerte met vragen (hierna: het aanvraagformulier) aan de tussenpersoon verstuurd. In het aanvraagformulier (productie A bij conclusie van antwoord) is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“Slotvragen algemeen (altijd invullen)
(…)
c. Zijn er feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van u of een andere belanghebbende bij een van deze rubrieken, die in de laatste 8 jaar zijn voorgevallen?
Toelichting:”
ja / nee
Op 16 februari 2022 heeft de tussenpersoon een ingevulde UBO-verklaring en het ingevuld aanvraagformulier aan de volmacht geretourneerd. In de UBO-verklaring is [naam bestuurder] genoemd als de uiteindelijk belanghebbende van GYM. In het aanvraagformulier zijn alle slotvragen beantwoord met “nee”. Zowel de UBO-verklaring als het aanvraagformulier zijn namens GYM door [naam bestuurder] ondertekend.
Op 31 december 2022 is een brand ontstaan bij een bedrijf dat naast GYM gelegen is, ten gevolge waarvan rook- en roetschade is ontstaan aan het bedrijfsgebouw en de inventaris van GYM. Uit het interim rapport van expertise van 1 maart 2023 (productie C bij conclusie van antwoord) volgt dat de schade aan de inventaris van GYM is vastgesteld op een bedrag van € 18.637,64 en dat de bedrijfsschade nog niet is vast te stellen.
Op 3 maart 2023 heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een lopend politieonderzoek een vordering tot het verstrekken van historische gegevens ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jegens Achmea ingesteld. Hierin werd vanwege een verdenking van een misdrijf, onder meer, informatie van Achmea gevorderd over door [naam bestuurder] en/of GYM ingediende claims bij Achmea.
Op 10 mei 2023 heeft het Openbaar Ministerie conservatoir derdenbeslag onder Achmea gelegd voor een bedrag van € 519.964,75 op grond van de verdenking van GYM ter zake van valsheid in geschrifte en witwassen.
Door Achmea is naar aanleiding van de vordering en de beslaglegging door het Openbaar Ministerie een bureauonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van het bureauonderzoek heeft Achmea een onderzoek ingesteld naar de claim en de aanvraag van de pakketverzekering door GYM. Op 29 juni 2023 is [naam bestuurder] geïnterviewd door een toedrachtonderzoeker. In het door [naam bestuurder] ondertekende verslag (productie G bij conclusie van antwoord) is hierover – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“V: [de rechtbank: vraag van de toedrachtonderzoeker] Wie heeft de verzekering afgesloten?
A: [de rechtbank: antwoord van [naam bestuurder] ] (…) Nadat [naam 1] de offerte had ontvangen, heb ik een afspraak gemaakt op het kantoor van [naam 1] te Eindhoven, om deze offerte te ondertekenen. (…) Toen ik bij hun vestiging in Eindhoven aankwam, zag ik de offerte voor het eerst. Ik heb deze offerte ondertekend waarna de polis is opgemaakt.
(…)
V: Bij de aanvraag van de verzekering zijn slotvragen gesteld. Wie heeft het antwoord op de slotvragen ingevuld?
A: Die zijn door een medewerker van [naam 1] ingevuld. Er werd mij gevraagd of er nog bijzonderheden waren. Die waren er niet. De slotvragen zijn niet met mij besproken en ik heb ze ook niet doorgelezen.
(…)
V: Eén van de slotvragen is, of er feiten te melden zijn omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van u of een andere belanghebbende bij één van de rubrieken, die in de laatste 8 jaar zijn voorgevallen. In een mediabericht las ik dat er op 7 november 2017 in een garagebox, welke door u werd gehuurd, grondstoffen en apparatuur zijn gevonden voor de productie van synthetische drugs alsmede benodigde materialen voor de productie van hennep. Volgens de media werd u hier op 29 maart 2021 voor veroordeeld. Wat kunt u hier over vertellen?
A: Dat klopt niet. Bedoel je niet het jaar 2022? Dat is na de aanvraag. Hiervoor heb ik 6 maanden in Vught gezeten maar daarvoor ben ik door de rechter vrijgelaten wegens het niet aanwezig zijn van ernstige bezwaren (verdenkingen) tevens moet je niet alles geloven wat ze in de media schrijft. Zo zeggen ze ook dat ik in België ben veroordeeld maar ik ben daar nog niet eens verdachte geweest.
V: Wat kunt u zeggen over de status van deze rechtszaak?
A: Ik wil graag de benodigde stukken aanleveren maar ik wil nu niets hierover zeggen omdat ik niet de juiste datums zo uit mijn hoofd weet en ik ook graag wil overleggen met mijn advocaat.
V: In mei 2023 is er een inval geweest in uw bedrijf en woning. Volgens de media zou u verdacht zijn van het witwassen van geld. Wat kunt u zeggen over de status van deze verdenking?
A: Ik wil best openheid geven over mijn situatie maar dan wel op basis van de juiste gegevens. Ik stel voor dat u mij specifiek vraagt wat Avero Achmea wil weten. Dan overleg ik met mijn advocaat en zal ik u en Achmea de juiste feiten en omstandigheden vertellen inzake de verdenkingen.
(…)”
Bij brief van 24 juli 2023 (productie 4 bij dagvaarding) heeft Achmea aan GYM
naar aanleiding van het toedrachtonderzoek – voor zover relevant – het volgende
geschreven:
“Volgens onze informatie is er onder meer niet voldaan aan de mededelingsplicht
Wij zijn dit nog nader aan het onderzoeken. Ons onderzoek richt zich onder andere op de schadeclaim en de mededelingsplicht. (totstandkoming van de verzekering). Hieronder leest u de mogelijke gevolgen van het schenden van de mededelingsplicht (…)”
Bij e-mail van 18 september 2023 (productie 8 bij dagvaarding) heeft Achmea aan GYM – voor zover relevant – het volgende geschreven:
“Reageert u voor 29 september 2023 op onderstaande vragen:
Heeft u of andere belanghebbenden bij deze verzekering feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden die plaatsvonden in de 8 jaar voor het afsluiten van deze verzekering (16 februari 2022) ?
Zo ja welke feit(en) was/waren dit?
Is/zijn hieruit veroordelingen, straffen en/of andere maatregelen voortgekomen?”
Bij e-mails van 23 oktober en 31 oktober 2023 (productie 11 bij dagvaarding) heeft GYM – voor zover relevant – als volgt gereageerd:
“
Heeft u of andere belanghebbenden bij deze verzekering feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden die plaatsvonden in de 8 jaar voor het afsluiten van deze verzekering (16 februari 2022) ?
o Wat is voor u relevant, u heeft immers info van de politie op 02-03-2023 en berichten in de media waar u over spreekt.
Zo ja welke feit(en) was/waren dit?
o Zie bovenstaande.
Is/zijn hieruit veroordelingen, straffen en/of andere maatregelen voortgekomen?
o Er zijn geen onherroepelijke veroordelingen of straffen ten uitvoer gelegd aan mij.”
Bij e-mail van 6 november 2023 (productie 12 bij dagvaarding) heeft Achmea – voor zover relevant – als volgt gereageerd:
“Uw informatie is erg summier. Wij kunnen niet vaststellen of de verzekeringsaanvraag op basis van de juiste informatie tot stand is gekomen.
De politie heeft ons geen informatie gegeven over een eventueel strafrechtelijk verleden
Er is door hen informatie opgevraagd over deze schadeclaim en er is conservatoir beslag gelegd op een eventuele uitkering.
Mailt u ons vóór 14 november 2023 de volgende informatie:
Alle feiten omtrent een strafrechtelijk verleden vóór de ingangsdatum van deze verkering
Informatie (uitspraak, strafbare gedragingen, strafmaatregelen, vrijspraak, veroordeling) over de strafzaak in verband met een opgerold drugslab in een garagebox en schuur in [plaatsnaam]
Bewijsstukken van deze veroordeling en/of vrijspraak. Ook de stukken die verband houden met de uitspraak in hoger beroep
Informatie (uitspraak, strafbare gedragingen, strafmaatregelen, vrijspraak, veroordeling) over de strafzaak in verband met een opgerold drugslab in België in 2020
Bewijsstukken van deze veroordeling en/of vrijspraak. Ook de stukken die verband houden met de uitspraak in hoger beroep”
Bij e-mail van 13 november 2023 (productie 13 bij dagvaarding) heeft GYM, voor zover relevant, als volgt gereageerd:
“Nogmaals, zoals immers bij u bekend was er sprake van een verdenking voor het treffen van voorbereidingshandeling omrent de opiumwet in 2017. Hiervan is nog geen onherroepelijk uitspraak, het hoger beroep loopt nog maar staat stil op dit moment.
Eventuele stukken hiervan (in zoverre dat deze er zijn) zijn niet in mijn bezit, maar deze zou ik wel eventueel kunnen opvragen.”
Bij e-mail van 22 november 2023 (productie 14 bij dagvaarding) heeft Achmea nogmaals om bewijsstukken gevraagd waaruit de uitspraak, strafbare gedragingen, strafmaatregelen, vrijspraak, veroordeling en hoger beroep blijkt.
Bij e-mail van 18 december 2023 (productie 15 bij dagvaarding) heeft [naam bestuurder] de volgende documenten naar Achmea gestuurd:
een dagvaarding met oproeping van [naam bestuurder] op 26 april 2019 in verband met de ten laste gelegde feiten uit 2017;
een akte van 29 maart 2021 waaruit volgt dat [naam bestuurder] hoger beroep heeft ingesteld tegen het op die dag gewezen eindvonnis;
een verklaring van de strafrechtadvocaat van [naam bestuurder] dat [naam bestuurder] niet is vervolgd door de Belgische autoriteiten in de zaak Leopoldsburg;
een beschikking van 28 juli 2022 waarin het Hof Den Bosch het hoger beroep heeft toegewezen tegen de beslissing van de rechtbank Limburg van 22 juni 2022, waarin het verzoek tot opheffing van de aan [naam bestuurder] opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Bij e-mail van 12 januari 2024 (productie 16 bij dagvaarding) heeft Achmea laten weten aanvullend onderzoek te zullen doen naar aanleiding van de toegestuurde stukken.
Op 24 januari 2024 heeft de toedrachtonderzoeker gesproken met [naam 2] (hierna: de medewerker) die namens de tussenpersoon betrokken is geweest bij de totstandkoming van de pakketverzekering van GYM. De medewerker heeft in zijn ondertekende verklaring (productie K bij conclusie van antwoord) – voor zover relevant – het volgende verklaard:
“U zegt mij dat de heer [naam bestuurder] verklaarde dat de slotvragen niet zijn gesteld. Dit is niet juist. Wij gaan altijd uitgebreid in op de slotvragen.”
Op 21 februari 2024 heeft de toedrachtonderzoeker zijn rapport uitgebracht (productie 19 bij dagvaarding), waarin, kort gezegd, wordt geconcludeerd dat GYM de slotvraag omtrent het strafrechtelijk onderzoek onjuist heeft ingevuld, aangezien [naam bestuurder] bij vonnis van 29 maart 2021 is veroordeeld. Achmea heeft diezelfde dag GYM geconfronteerd met de bevindingen van het rapport en GYM om een reactie gevraagd. GYM heeft op 7 maart 2024 per e-mail haar reactie gegeven (productie 18 bij dagvaarding) en hierin, kort gezegd, benadrukt dat de slotvragen van het aanvraagformulier niet aan haar zijn voorgelegd.
Bij brief van 14 maart 2024 (productie 19 bij dagvaarding) heeft Achmea het standpunt ingenomen dat GYM bij het aangaan van de pakketverzekering haar mededelingsplicht heeft geschonden en dat de pakketverzekering bij kennis van de ware stand van zaken niet zou zijn geaccepteerd. Achmea heeft in dezelfde brief de schadeclaim van GYM afgewezen, de pakketverzekering per 28 maart 2024 beëindigd, en een interne registratie geplaatst voor de duur van vijf jaar.
3. Het geschil
GYM vordert – na eiswijziging – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat Achmea toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de schadeverzekeringsovereenkomst met GYM;
II. Achmea te veroordelen om de (persoons)gegeven in het Incidentenregister en de interne aantekening binnen Achmea groep te verwijderen;
III. Achmea te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GYM te voldoen een bedrag van € 18.637,64, althans een zodanig bedrag zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, nog te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, althans met ingang van de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. Achmea te veroordelen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen wegens buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 961,38, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
V. Achmea te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, met uitdrukkelijke bepaling dat Achmea de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het ten dezen te wijzen vonnis zal hebben betaald.
Achmea voert verweer. Achmea concludeert tot niet-ontvankelijkheid van GYM, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van GYM, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van GYM in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.
4. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
De kern van het geschil betreft de vraag of Achmea gehouden is dekking te verlenen voor de schade die GYM heeft geleden ten gevolge van een brand in een naastgelegen bedrijfspand. GYM vordert in de onderhavige procedure – naar de kern – nakoming van de verzekeringsovereenkomst met Achmea. Tussen partijen is niet in geschil dat deze brand een gedekt evenement is, zodat GYM in beginsel nakoming van de verzekeringsovereenkomst kan verlangen. Het meest verstrekkende verweer van Achmea is echter dat GYM haar mededelingsplicht heeft geschonden, zodat zij de verzekeringsovereenkomst mocht opzeggen en geen uitkering verschuldigd is. Hiertoe voert Achmea aan dat GYM bij de aanvraag van de verzekering de slotvraag met betrekking tot het strafrechtelijk verleden met “nee” heeft beantwoord, terwijl [naam bestuurder] een jaar voor de aanvraag van de verzekering strafrechtelijk veroordeeld is en dat zij bij de ware kennis over het strafrechtelijk verleden de verzekering niet had gesloten. GYM betwist dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden, nu de vraag over strafrechtelijk verleden niet aan haar is voorgelegd door de tussenpersoon, niet door haar is ingevuld en bovendien te vaag geformuleerd is. Voor zover zij haar mededelingsplicht al heeft geschonden, betoogt GYM dat Achmea niet tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, zodat Achmea geen beroep meer toekomt op de (gevolgen van de) schending van de mededelingsplicht.
GYM heeft haar mededelingsplicht geschonden
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt, is of sprake is van een schending van de mededelingsplicht door GYM. Op grond van artikel 7:928 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verzekeringsnemer verplicht om vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Ten aanzien van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden van de verzekeringsnemer, is de verzekeringsnemer slechts verplicht mededelingen te doen voor zover deze feiten zijn voorgevallen binnen acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen (artikel 7:928 lid 5 BW).
Vast staat dat [naam bestuurder] een strafrechtelijk verleden heeft in de acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering, namelijk een veroordeling – zij het niet onherroepelijk – tot een gevangenisstraf wegens voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en hennepteelt die op 29 maart 2021 is uitgesproken, dus vóór het aangaan van deze verzekering. In het aanvraagformulier is voorts de vraag gesteld of er feiten te melden zijn omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden van belanghebbenden – zoals [naam bestuurder] – (zie r.o. 2.3.). Deze vraag is met “nee” beantwoord en dit aanvraagformulier is namens GYM door [naam bestuurder] ondertekend.
GYM heeft echter aangevoerd dat de slotvragen door een medewerker van de tussenpersoon zijn ingevuld en dat deze vragen niet aan haar zijn voorgelegd, zodat zij haar mededelingsplicht niet heeft geschonden. GYM wordt hierin niet gevolgd. Immers, wat daar ook van zij – Achmea heeft aangevoerd dat de betrokken medewerker heeft verklaard dat de slotvragen wel met [naam bestuurder] zijn besproken – een eventuele fout van de tussenpersoon van GYM komt voor haar rekening en kan niet ten nadele van Achmea werken. Het is aan GYM om te controleren of de aanvraag correct wordt ingediend. [naam bestuurder] had het aanvraagformulier dus zelf moeten doorlezen en controleren alvorens hij namens GYM zijn handtekening zette.
GYM wordt verder evenmin gevolgd in haar standpunt dat Achmea geen beroep kan doen op een schending van de mededelingsplicht omdat de slotvraag naar het strafrechtelijk verleden van GYM of andere belanghebbenden niet is gesteld in niet voor misverstand vatbare termen als bedoeld in artikel 7:929 lid 5 BW. Volgens GYM had Achmea in de slotvraag moeten specificeren in welke strafrechtelijke feiten zij geïnteresseerd is. Bij de beoordeling of de verzekeraar een vraag naar het strafrechtelijk verleden heeft gesteld ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ als bedoeld in art. 7:928 lid 5 BW, komt het er echter op aan of voor de verzekeringnemer niet voor redelijke twijfel vatbaar was dat de verzekeraar een bepaald feit wenste te vernemen. Anders dan GYM veronderstelt, staat het feit dat Achmea in de slotvraag niet heeft aangegeven in welke specifieke strafrechtelijke feiten zij geïnteresseerd is op zichzelf dus niet in de weg aan een beroep door Achmea op een schending van de mededelingsplicht. Hoewel de slotvraag ruim geformuleerd is door te vragen of “er feiten te melden [zijn] omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden” (zie r.o. 2.3.), is voor geen redelijke twijfel vatbaar dat Achmea hiermee geïnformeerd wenste te worden over strafrechtelijke veroordelingen van GYM of andere belanghebbenden. GYM had dus de strafrechtelijke veroordeling van [naam bestuurder] wegens voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en hennepteelt niet onvermeld mogen laten, temeer nu deze veroordeling minder dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag van het verzekeringspakket is uitgesproken.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de slotvraag omtrent het strafrechtelijk verleden in het aanvraagformulier ten onrechte met “nee” is beantwoord, waardoor GYM haar mededelingsplicht jegens Achmea heeft geschonden.
Achmea heeft tijdig voldaan aan haar kennisgevingsplicht
Partijen verschillen verder van mening over de vraag of Achmea tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan. Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan – zoals het weigeren van een schade-uitkering (artikel 7:930 lid 4 BW) en het opzeggen van de verzekeringsovereenkomst (artikel 7:929 lid 2 BW) – slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. De stelplicht en bewijslast ter zake van de vraag of tijdig aan deze kennisgevingsplicht is voldaan, rusten op de Achmea.
Achmea heeft in dat kader aangevoerd dat haar onderzoek naar de eventuele schending van de mededelingsplicht pas op 21 februari 2024 was afgerond, waarna de bevindingen uit het rapport aan GYM zijn voorgehouden en om een reactie is gevraagd. Na het ontvangen van deze reactie op 7 maart 2024, heeft Achmea GYM op 14 maart 2024 gewezen op de gevolgen van de schending van de mededelingsplicht door deze gevolgen in te roepen. Daarmee heeft zij binnen twee maanden na de ontdekking voldaan aan haar kennisgevingsplicht, aldus Achmea. GYM betwist dat Achmea tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan. Zij voert aan dat Achmea op verschillende momenten voorafgaand aan de oplevering van het onderzoeksrapport reeds bekend was met de schending van de mededelingsplicht, te weten:
op 2 maart 2023 toen het Openbaar Ministerie een vordering ex artikel 126nd Sv instelde tegen Achmea (zie r.o. 2.6.), althans op 10 mei 2023 toen het Openbaar Ministerie beslag legde onder Achmea (zie r.o. 2.7.);
op 29 juni 2023 toen de toedrachtonderzoeker van Achmea in het interview met [naam bestuurder] refereerde aan de veroordeling van [naam bestuurder] van 29 maart 2021 (zie r.o. 2.8.);
op 13 november 2023 toen GYM in een e-mailbericht aan Achmea schreef dat [naam bestuurder] verdacht werd van het treffen van voorbereidingshandelingen omtrent de Opiumwet in 2017 en dat het hoger beroep hiervoor nog liep (zie r.o. 2.13.);
op 18 december 2023 toen GYM op verzoek van Achmea bewijsstukken naar Achmea stuurde (zie r.o. 2.15.).
Bij de beoordeling van de vraag of Achmea tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, wordt vooropgesteld dat artikel 7:929 lid 1 BW zo moet worden uitgelegd, dat de daarin genoemde vervaltermijn van twee maanden pas gaat lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen. De voor een ontdekking vereiste mate van zekerheid kan meebrengen dat de verzekeraar de ruimte heeft om een mogelijke schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Achmea voldoende onderbouwd dat zij voorafgaand aan de oplevering van het onderzoeksrapport onvoldoende zekerheid had dat GYM haar mededelingsplicht had geschonden, zodat nader onderzoek geboden was. Achmea heeft er allereerst terecht op gewezen dat bij de vordering van het Openbaar Ministerie op 2 maart 2023 en de daaropvolgende beslaglegging op 10 mei 2023 geen informatie aan Achmea is verstrekt over een strafrechtelijk verleden van GYM en/of [naam bestuurder] van vóór het aangaan van de verzekering. Dit wordt bevestigd in de door Achmea als productie D en E overgelegde vordering en beslagexploot van het Openbaar Ministerie. Deze gebeurtenissen vormen daarmee hoogstens een aanleiding om een onderzoek te starten – zoals Achmea heeft gedaan – maar zijn geen ontdekking van een schending van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:929 lid 1 BW.
Ten aanzien van het interview met de toedrachtonderzoeker op 29 juni 2023 heeft Achmea naar voren gebracht dat de in het interview genoemde informatie afkomstig was uit berichtgeving van de media, die nog niet aan [naam bestuurder] was voorgelegd. Derhalve had zij op dat moment nog onvoldoende zekerheid over de juistheid van die berichtgeving en dus over de vraag of GYM haar mededelingsplicht had geschonden. Daarbij komt dat [naam bestuurder] blijkens het verslag van het interview nota bene zelf antwoordde dat men niet alles moet geloven wat in de media geschreven wordt en dat de toedrachtonderzoeker een verkeerde datum noemde (zie r.o. 2.8.). Weliswaar heeft GYM tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat dit deel van zijn antwoord zag op een ander onderdeel van de berichtgeving, maar feit blijft dat [naam bestuurder] in het interview geen enkele openheid van zaken heeft gegeven over zijn strafrechtelijke veroordeling van 29 maart 2021 en dat hij vragen daaromtrent pas op een later moment wilde beantwoorden. Zodoende wordt GYM niet gevolgd in haar stelling dat Achmea bij het interview op 29 juni 2023 reeds voldoende zekerheid had over de schending van de mededelingsplicht.
Het standpunt van GYM dat Achmea in elk geval na de e-mail van 13 november 2023 over voldoende zekerheid beschikte dat GYM haar mededelingsplicht had geschonden, wordt evenmin gevolgd. In haar e-mail van 13 november 2023 geeft GYM immers slechts aan dat sprake was van een verdenking voor het treffen van voorbereidingshandelingen omtrent de Opiumwet in 2017, waarvoor nog geen onherroepelijke uitspraak is en dat het hoger beroep in die zaak nog loopt (zie r.o. 2.13.). Hieruit blijkt niet wat de inhoud van het vonnis in eerste aanleg is en voor welke feiten [naam bestuurder] al dan niet veroordeeld is. Bovendien zijn door GYM geen bewijsstukken toegevoegd, zoals wel expliciet door Achmea was verzocht (zie r.o. 2.12.), zodat de verschafte informatie voor Achmea op dat moment nog niet te verifiëren was en nader onderzoek dus geboden was.
De benodigde duidelijkheid hieromtrent is door GYM, anders dan zij aanvoert, evenmin verschaft met het toezenden van bewijsstukken aan Achmea op 18 december 2023. Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat GYM bij deze e-mail nog steeds niet het veroordelend vonnis van 29 maart 2021 had gevoegd, maar slechts de daaraan voorafgaande dagvaarding en de akte dat [naam bestuurder] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis. De onduidelijkheid omtrent de inhoud van het vonnis bleef derhalve ook op dat moment nog bestaan. Hier is door GYM tijdens de mondelinge behandeling tegen ingebracht dat Achmea volgens haar eigen stellingen op enig moment na het toezenden van de bewijsstukken het vonnis op rechtspraak.nl heeft opgezocht, zodat zij op dat moment wel voldoende duidelijkheid had over de inhoud van het vonnis en dus over de schending van de mededelingsplicht. Achmea heeft echter terecht aangevoerd dat de uitspraken op rechtspraak.nl geanonimiseerd zijn, zodat zonder dit eerst voor te houden aan [naam bestuurder] nog geen sprake is van een ontdekking in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW. Daarnaast heeft Achmea toegelicht dat zij de periode vanaf het toezenden van de bewijsstukken door GYM tot aan de oplevering van het onderzoeksrapport op 21 februari 2024 heeft gebruikt om, onder meer, de herhaaldelijk door GYM aangevoerde stelling dat de slotvragen niet aan haar zijn voorgelegd te onderzoeken, door te spreken met betrokken medewerker van de tussenpersoon.
Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat Achmea voldoende heeft onderbouwd dat zij voor de oplevering van het onderzoeksrapport op 21 februari 2024 onvoldoende zekerheid had dat GYM haar mededelingsplicht had geschonden. Zodoende heeft Achmea met haar brief van 14 maart 2024 tijdig voldaan aan haar kennisgevingsplicht als bedoeld in artikel 7:929 lid 1 BW.
Achmea mocht de verzekering opzeggen en de schadeclaim afwijzen
Nu geoordeeld is dat GYM haar mededelingsplicht heeft geschonden en Achmea tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, wordt toegekomen aan de vraag of Achmea de schadeclaim van GYM mocht afwijzen en de verzekeringsovereenkomst mocht opzeggen. Ingevolge artikel 7:930 lid 4 BW en artikel 7:929 lid 2 BW is de verzekeraar bij een schending van de mededelingsplicht door de verzekeringnemer geen uitkering verschuldigd en mag de verzekeraar binnen twee maanden na de ontdekking van de schending de verzekeringsovereenkomst opzeggen, indien hij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten. Achmea heeft dienaangaande aangevoerd dat haar volmacht heeft verklaard dat zij bij ware kennis van zaken over het strafrechtelijk verleden van [naam bestuurder] de verzekering niet zou hebben gesloten en dat dit in lijn is met het acceptatiebeleid van verzekeraars op dit punt. GYM heeft deze stellingen niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid ervan zal uitgaan. Eén en ander leidt ertoe dat Achmea op grond van artikel 7:930 lid 4 BW en artikel 7:929 lid 2 BW geen uitkering verschuldigd is aan GYM en de verzekeringsovereenkomst middels haar brief van 14 maart 2024 mocht beëindigen. Als gevolg daarvan zullen de door GYM gevorderde verklaring voor recht (vordering onder I), vergoeding van de inventarisschade (vordering onder III) en, in het verlengde daarvan, vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten (vordering onder IV) afgewezen worden.
De vordering van GYM tot het verwijderen de (persoons)gegevens in het Incidentenregister en de interne aantekening binnen de Achmea groep (vordering onder II) komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Met de schending van de mededelingsplicht door GYM is immers sprake van een gebeurtenis, waardoor Achmea op grond van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars over mocht gaan tot een interne aantekening. Voor wat betreft de aantekening in het Incidentenregister, heeft Achmea onweersproken aangevoerd dat deze reeds op 14 maart 2024 verwijderd is. Deze vordering zal daarom afgewezen worden.
GYM moet de proceskosten van Achmea betalen
GYM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.401,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van GYM af,
veroordeelt GYM in de proceskosten van € 4.401,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als GYM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt GYM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
JH/KH