RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.274960.25
Datum uitspraak : 9 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
raadsman: mr. B.C.M. Sprenger, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, binnen de gemeente Neder-Betuwe, in
elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Spoorstraat, daarmede
rijdende over de weg, de Biezenburgseweg,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl bestuurders van een fiets al enige tijd en/of afstand voor hem reden,
niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het
direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich op die rijstrook
en/of weg bevindend verkeer en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij die weg (de Biezenburgseweg) kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende bestuurster van een fiets en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen
en/of bij haar val de andere bestuurder van de fiets raakte waarvan die bestuurder
van de fiets ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten [slachtoffer]
) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,
eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, binnen de gemeente Neder-Betuwe, in
elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Spoorstraat, daarmede
rijdende over de weg, de Biezenburgseweg,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl bestuurders van een fiets al enige tijd en/of afstand voor hem reden,
niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het
direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich op die rijstrook
en/of weg bevindend verkeer en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij die weg (de Biezenburgseweg) kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende bestuurster van een fiets en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen
en/of bij haar val de andere bestuurder van de fiets raakte waarvan die bestuurder
van de fiets ten val is gekomen,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe als
bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar
verkeer openstaande weg, Biezenburgseweg, zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de
afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij
gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen
en/of bij haar val de andere bestuurder van de fiets raakte waarvan die bestuurder
van de fiets ten val is gekomen,
( art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 )
2.
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe, als
bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij
een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de
Wegenverkeerswet 1994, 345 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,
alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn
( art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe als
bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs
moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik
van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk
besturen in staat moest worden geacht
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 30 maart 2025 om 00:24 op de Biezenburgseweg ter hoogte van Echtheld, vindt een aanrijding plaats tussen een auto, bestuurd door verdachte, en een fietsster. Het slachtoffer [slachtoffer], hierna verder als [slachtoffer], reed op haar fiets samen met haar man, op weg naar huis. Verdachte heeft [slachtoffer] met zijn auto van achteren aangereden waardoor [slachtoffer] van de fiets ten val is gekomen. Door de val heeft [slachtoffer] de fiets van haar man, die voor haar fietste, geraakt waardoor ook hij ten val is gekomen. [slachtoffer] heeft ten gevolge van de val zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Als gevolg van dit ongeval heeft [slachtoffer] een hersenschudding opgelopen en verschillende breuken, aan zowel haar boven- als onderlichaam. Na het ongeval kon [slachtoffer] maandenlang niet werken en was 100 % afhankelijk van anderen en van revalidatie.
Na de aanrijding heeft verdachte aan de verbalisanten verteld dat hij een paar biertjes had gedronken. Als gevolg hiervan is bij verdachte een ademanalyse uitgevoerd. Het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van de adem van verdachte bedroeg 345 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2. Zij is van mening dat verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en een aanrijding heeft veroorzaakt met als gevolg dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen terwijl verdachte onder invloed van alcohol reed.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integraal vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte teveel aandacht had voor de tegenligger waardoor hij even onoplettend is geweest. Hij is van mening dat de enkele constatering van onoplettendheid op de weg door de verdachte, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de verdachte onder invloed van alcohol reed, geen gedraging betreft die het ongeluk heeft veroorzaakt noch een bijdrage heeft gehad in de gevaarzetting zoals tenlastegelegd.
Beoordeling door de rechtbank
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet (WVW).
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is/zijn begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto onder invloed van teveel alcohol gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij goed bekend is met de Biezenburgseweg en dat hij daar vaak rijdt. Verdachte heeft verklaard dat het een lange rechte weg is, dat het donker was en dat zijn zicht op generlei wijze werd belemmerd of beperkt. Verdachte heeft verklaard niet te weten hoe het kan dat hij de fietsers niet eerder heeft gezien. Verdachte heeft verklaard dat er op een gegeven moment een tegenligger aankwam, die hij reeds van afstand zag aankomen, dat hij daardoor naar rechts is gegaan en voor de tegenligger heeft geremd. Hij heeft de achterlichten van de fietsen noch de fietsers gezien. Verdachte zegt geen verklaring te hebben hoe hij [slachtoffer] van achteren heeft kunnen hebben aangereden.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de avonduren gedurende een langere tijd over een rechte weg heeft gereden waarmee hij bekend was. Vanuit de auto had hij goed zicht op de weg, die helder en droog was. Desondanks is verdachte met zijn auto, zonder te remmen, van achteren tegen [slachtoffer] aangereden, terwijl zij op haar fiets voor hem op de rijbaan reed, ten gevolge waarvan zij ten val is gekomen. Voor zijn verklaring dat hij vanwege een tegenligger naar rechts is uitgeweken en toen het slachtoffer heeft aangereden biedt het dossier geen aanknopingspunten. Volgens de verdachte heeft hij [slachtoffer] en haar man in het geheel niet gezien. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zonder twijfel [slachtoffer] en haar voor haar uit rijdende man heeft kunnen zien, waarbij geldt dat vaststaat dat hun achterlichten brandden ten tijde van de aanrijding en hij hen (dus) ook had moeten zien. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte in onvoldoende mate voor hem op de weg heeft gekeken en is blijven kijken. Het niet waarnemen van een fietser die zich gedurende langere tijd recht vóór hem op de rijbaan bevond en het vervolgens van achteren aanrijden van die fietser, is een omstandigheid die verdachte dient te worden aangerekend. Temeer nu vast staat, op grond van de resultaten van de ademanalyse, dat verdachte onder invloed van teveel alcohol reed. Weliswaar is de mate waarin die omstandigheid het ongeval heeft beïnvloed niet vast te stellen, maar dat het zijn rijvaardigheid in negatieve zin heeft beïnvloed, staat voor de rechtbank onmiskenbaar vast. Dat er enige belemmering op de weg zou zijn of een externe omstandigheid die het zicht van verdachte zou hebben beperkt, is niet gebleken. Van een momentane onoplettendheid, zoals de raadsman stelt, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen sprake. Het betreft immers een lange rechte weg waarop zowel verdachte als de fietsers al enige tijd reden. Voor zover de raadsman zou hebben willen betogen dat verdachte naast de fietsers heeft gereden, merkt de rechtbank op dat hiervoor geen aanwijzingen te vinden zijn in het dossier.
Door zijn aandacht niet voortdurend op de weg te hebben gehouden, terwijl hij onder invloed was van alcohol, heeft verdachte dit ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer] door hem is aangereden. Met deze handelingen is verdachte aanmerkelijk, onoplettend en onvoorzichtig in het verkeer geweest en is het daarom aan zijn schuld te wijten dat de aanrijding heeft plaatsgevonden. Het letsel van [slachtoffer], bestaande uit verschillende botbreuken, is naar gewoon spraakgebruik aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt. De rechtbank veroordeelt verdachte daarom voor het primair ten laste gelegde.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, binnen de gemeente Neder-Betuwe, in
elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Spoorstraat, daarmede
rijdende over de weg, de Biezenburgseweg,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl het donker was en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl bestuurders van een fiets al enige tijd en/of afstand voor hem reden,
niet of in onvoldoende mate heeft gekeken kijken en/of is blijven kijken naar het
direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich op die rijstrook
en/of weg bevindend verkeer en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij die weg (de Biezenburgseweg) kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- niet heeft geremd voor de voor hem uit rijdende bestuurster van een fiets en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen
en/of bij haar val de andere bestuurder van de fiets raakte waarvan die bestuurder
van de fiets ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten [slachtoffer]
) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,
eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe, als
bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na
zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij
een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de
Wegenverkeerswet 1994, 345 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,
alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair en feit 2 primair:
De eendaadse samenloop van
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet
en
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (345 microgram)
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
Indien tot een bewezenverklaring wordt geconcludeerd heeft de raadsman bepleit dat aan verdachte een taakstraf en een geheel voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Volgens de verdediging is verdachte door verbalisanten naar zijn alcoholgebruik achter het stuur ondervraagd zonder de cautie en verhoorbijstand te hebben verleend, terwijl er al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld op de verdenking van artikel 8 Wegenverkeerswet. Door geen cautie en verhoorbijstand aan verdachte te hebben verleend is zijn recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM geschonden. Er is dan sprake van een vormverzuim en dat dient naar de mening van de raadsman tot strafvermindering te leiden.
De beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van een vormverzuim?
De rechtbank ziet zich bij het bepalen van de straf vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
De rechtbank stelt voorop dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisant een bekende alcohollucht uit de mond van verdachte heeft geconstateerd en dat hij toen aan verdachte heeft gevraagd of hij alcohol genuttigd had. Verdachte gaf als antwoord “Ik heb een paar biertjes op”. Vervolgens is verdachte aan een ademonderzoek middels een ademanalyseapparaat onderworpen. Het resultaat van de ademanalyse bedroeg 345 ug/l.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er pas een verdenking is ontstaan op het moment dat het ademanalyseapparaat een positief resultaat heeft aangegeven en dat uit de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van verdachte hoger is dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Dat verbalisant een alcohollucht uit de mond van verdachte heeft geconstateerd en dat verdachte desgevraagd heeft verklaard een paar biertjes te hebben gedronken geeft niet aan dat er op dat moment al een verdenking is ontstaan dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, te weten het onder invloed van teveel alcohol besturen van een voertuig. De rechtbank is van oordeel dat het enkel de vraag stellen of iemand alcohol heeft gedronken na een staandehouding bij een verkeersongeluk, is geen vraag waarop noodzakelijkerwijs de cautie dient te worden gegeven en verhoorbijstand dient te worden verleend. Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, zodat dat niet van invloed is op de strafmaatoverwegingen.
Strafmaatoverwegingen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf vervolgens rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval en het rijden onder invloed van alcohol. Door het verkeersongeval werd bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt, waardoor zij veel pijn en hinder heeft ondervonden. Het slachtoffer kon door het opgelopen letsel gedurende maanden niet werken en was in de zorg geheel afhankelijk van haar man, zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring.
Daarmee heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers grof veronachtzaamd. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving als geheel moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is. De rechtbank ziet ook dat verdachte hier nooit de opzet op heeft gehad en spijt heeft betuigd. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij ter zitting zijn excuses aan het slachtoffer heeft aangeboden en uiteindelijk zijn bereidheid heeft getoond om met het slachtoffer in gesprek te gaan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 18 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte een baby op komst heeft en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf.
De straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt. Als richtlijn bij het veroorzaken van een verkeersongeval met een aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer hoort een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uur met een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 18 maanden. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist niet aangewezen. Daarnaast zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen, gelet op de verstrekkende gevolgen hiervan voor verdachte, zijn jonge gezin en zijn werk en inkomen. Het voorwaardelijke deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid acht de rechtbank afdoende als zogenoemde ‘stok achter de deur’ om zoveel als mogelijk te waarborgen dat verdachte niet opnieuw strafbare (verkeers-)feiten zal plegen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren passend, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis, naast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.