RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.073860.25
Datum uitspraak : 16 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
raadsman: mr. P.A. Groenhuis, advocaat in Breda.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en met 20 januari 2025 te
Barneveld en/of Harderwijk en/of Breda, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een opleggertrekker (merk DAF met kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever 1] , in elk geval
aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder
zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,
inklimming en/of een valse sleutel,
door onrechtmatig gebruik te maken van een originele (vrachtwagen)sleutel;
2
hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en met 20 januari 2025 te
Harderwijk en/of Breda, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een oplegger (merk KRONE met kenteken [kenteken 2] ) met pallets met babyvoeding,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2]
en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te
nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van braak, verbreking en/of inklimming;
3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en
met 20 januari 2025 te Barneveld en/of Harderwijk en/of Breda,
althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, een of meer radioapparaten, te weten
twee jammers, heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad
en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die
radioapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was
verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en
met 20 januari 2025 te Barneveld en/of Harderwijk en/of Breda, althans in
Nederland, met het oogmerk daarmee opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die
door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie
zijn opgeslagen en/of worden verwerkt en/of overgedragen te veranderen, te
wissen, onbruikbaar en/of ontoegankelijk te maken dan wel andere gegevens
daaraan toe te voegen en/of
met het oogmerk daarmee opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor
telecommunicatie te vernielen, te beschadigen of onbruikbaar te maken, een
stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk te veroorzaken, of een ten
opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel te verijdelen,
twee jammers, althans elk zijnde een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk
geschikt is gemaakt en/of ontworpen tot het plegen van een zodanig
bovenomschreven misdrijf,
voorhanden heeft gehad;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en onder 3 primair ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten geen bewijsverweer gevoerd. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich alleen de aanwezigheid van een jammer kan herinneren in plaats van twee.
Beoordeling door de rechtbank
Op 21 januari 2025 is namens het bedrijf [bedrijf 1] aangifte gedaan van diefstal van een losse vrachtwagentrekker, voorzien van een Nederlands kenteken met nummer [kenteken 1] . In de nacht van zaterdag 18 januari 2025 op zondag 19 januari 2025 is deze vrachtwagen door minstens 4 personen vanaf een afgesloten terrein gelegen aan [adres 5] te Barneveld, weggenomen. In de vrachtwagentrekker lag de sleutel waarmee het voertuig gestart kon worden en waardoor ze met de vrachtwagentrekker konden wegrijden. Het terrein was met een elektronisch hekwerk afgesloten, voorzien van radardetectie. Dit elektronisch hekwerk was vernield doordat een onbekend voorwerp tussen de hekkolom was gestopt.
Op 20 januari 2025 wordt namens [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) aangifte gedaan van diefstal, in de avond tussen 19 en 20 januari 2025, van een oplegger (trailer), van het merk Krone en voorzien van een kenteken met nummer [kenteken 2] .
Deze oplegger stond op een afgesloten terrein van het bedrijf [bedrijf 2] aan de [adres 2] te Harderwijk. Dit terrein was goed afgesloten en de toegangspoort was niet zonder “tag” te openen. De toegangspoort van het terrein bleek opengebroken en geforceerd. . In de trailer van [bedrijf 2] lagen 66 pallets beladen met babyvoeding van het merk [bedrijf 3] .
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden bekeken die door de politie zijn ontvangen [bedrijf 1] . Uit het proces-verbaal dat hierover is opgemaakt blijkt dat op de beelden, gemaakt op 19 januari 2025 omstreeks 00.27.14 uur te zien is hoe 2 personen zich op het terrein van [bedrijf 1] rond de vrachtwagentrekkers begeven. Vervolgens is te zien dat het bestuurdersportier van één van de trekkers wordt geopend en dat een persoon in de cabine gaat zitten. Op beelden, gemaakt van een andere toegangspoort van [bedrijf 1] , omstreeks 05:40 uur, is te zien dat twee donker geklede personen in de richting van het toegangshek lopen en vervolgens heen en weer over dit hek klimmen. De toegangspoort wordt geopend en het licht springt van rood naar groen en later weer naar rood. De mannen rennen terug naar de weg en niet meer op beeld te zien waren. Op beelden van omstreeks 06:30:22 uur, is vervolgens te zien dat vanuit rechts boven het beeld twee donkergeklede personen aan komen lopen en hun weg vervolgen (de rechtbank begrijpt: en uit beeld verdwijnen). Vervolgens ziet de verbalisant 4 personen aan komen rennen en richting het toegangshek lopen. Nadat het toegangshek door een van deze personen is geopend rennen 3 van de 4 personen het terrein op en lopen verder naar achteren. Daarna gaat het toegangshek automatisch open, springt het verkeerslicht van rood naar groen en komt om 06:33:39 uur een vrachtwagen vanaf het terrein aanrijden, die door het geopende toegangshek het terrein afrijdt. Daarna sluit het hek weer en rennen twee personen, die nog bij het hek staan, weg in de richting van de vrachtwagen.
Op 20 januari 2025 heeft verbalisant [verbalisant 2] de camerabeelden van [bedrijf 2] , bestaande uit 3 bestanden, en gemaakt met “camera zijhek” en “cameramast voor” bekeken. Uit het door [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal blijkt dat op het eerste bestand is te zien dat om 23:04:54 uur een vrachtwagen zonder oplegger (een gele trekker) langs het toegangshek rijdt. Een, geheel in het zwart geklede, persoon komt in beeld (NN1) rennend vanaf een trailer rechts in beeld. Later komt een tweede persoon in beeld (NN2). NN1 gaat bij een grijs kastje naast het hek zitten. Om 23:07:03 uur schuift NN1 het hek open door deze naar links te duwen. Om 23:07:56 uur verschijnt de gele trekker opnieuw vanuit rechts in beeld en rijdt zonder oplegger, via het toegangshek het terrein op. Op de voorzijde van de trekker staat [bedrijf 1] en de grill van de trekker is rood.
Op de beelden van het tweede bestand is te zien dat om 23:08:06 uur een gele trekker links in beeld verschijnt en de chauffeur de trekker met de achterzijde recht voor een van de trailers zet. Vervolgens is te zien dat 2 personen zich rond een trailer bewegen, terwijl de chauffeur de vrachtwagen achteruitrijdt en deze onder een trailer plaatst. De verbalisant ziet dat om 23:24:18 de trekker in beweging komt en de trailer meebeweegt met de trekker. Hij zag zowel de trekker als de trailer vooruit bewegen waar de combinatie een aantal minuten stil staat. Omstreeks 23:29:08 uur rent een persoon in richting van het toegangshek..
Op de beelden van het derde bestand is te zien dat NN1 en NN2 richting het toegangshek rennen en het hek openen. De verbalisant ziet links in beeld de gele trekker verschijnen, die wordt herkend als de gele trekker die eerder het terrein kwam oprijden zonder trailer. Achter de trekker is nu een trailer gekoppeld, wit van kleur en met het opschrift [bedrijf 2] . Op de achterkant staat het bedrijfslogo van [bedrijf 2] . Om 23:29:54 uur rijdt de gele trekker, die eerder zonder lading het terrein op was gereden, nu met oplegger, voorzien van het opschrift [bedrijf 2] , [verbalisant 2] herkent op de achterzijde van de trailer het rode bedrijfslogo van [bedrijf 2] . NN1 en NN2 sluiten samen handmatig het toegangshek en verlaten om 23:30:18 uur het terrein
Verbalisant [verbalisant 3] , belast met acties rondom trailerdiefstallen is op 19 januari 2025 door de meldkamer geïnformeerd dat de gestolen vrachtwagen van [bedrijf 1] was gevonden. Uit de gps-uitstraling bleek dat de vrachtwagen zich op dat moment op de [adres 3] te Harderwijk bevond. [verbalisant 3] , bekend met de modus operandi ten aanzien van het wegnemen van vrachtwagens en trailers geladen met waardevolle goederen, kreeg toestemming van aangever [bedrijf 1] om de vrachtwagen te laten staan teneinde de dadergroep te kunnen volgen.
[verbalisant 3] bevond zich dientengevolge in de avond van 19 januari 2025 in de buurt van Harderwijk en werd door de ICT-er van [bedrijf 1] geïnformeerd dat omstreeks 23:00 uur het contact van de vrachtwagen werd ingeschakeld en dat de vrachtwagen in beweging kwam. Volgens de satellietbeelden stond de vrachtwagen van [bedrijf 1] na 10 minuten op het terrein van [bedrijf 2] gelegen aan de [adres 2] te Harderwijk.
Op 20 januari 2025 omstreeks 23:15 uur zag verbalisant [verbalisant 4] de vrachtwagen van [bedrijf 1] geparkeerd staan ter hoogte van een laadstation van [bedrijf 2] . Hij herkende de vrachtwagen aan de gele kleur met rode accenten. Een trailer was gekoppeld aan de vrachtwagen. Vervolgens zag [verbalisant 4] 2 mannen om de vrachtwagen heen lopen, terwijl één van hen met een zaklamp in de cabine van de vrachtwagen scheen. Kort daarna zag [verbalisant 4] dat de vrachtwagen met de trailer in beweging kwam en via de Newtonweg in de richting van de N302 reed. Verbalisant [verbalisant 3] werd daarop door de ICT-er van [bedrijf 1] geïnformeerd dat het GPS-signal van de vrachtwagen niet langer zichtbaar was. De vrachtwagen met de trailer werd door de politie gevolgd tot aan Breda, waar deze uiteindelijk is onderschept. Verbalisant [verbalisant 3] heeft vervolgens de laadruimte van de trailer bekeken en zag dat deze vol was geladen met pallets babyvoeding. Onder de pallets zag hij een signaaljammer staan, welke geactiveerd was. Tevens opende [verbalisant 3] de bijrijdersdeur van de vrachtwagen en zag hij daar in de cabine een grotere jammer liggen, eveneens geactiveerd en aangesloten op de 12V aansluiting. In totaal zijn die avond 5 personen aangehouden, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , die zich op het moment van aanhouding, respectievelijk als bijrijder en bestuurder, in de vrachtwagen bevonden.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard niet te weten wat voor apparaat er in de oplegger was gelegd, omdat hij bezig was met koppelen. Over het apparaat dat in de trekker is aangesloten verklaart hij dat toen hij en [verdachte] instapten, [verdachte] een zwarte plastic tas bij zich had. Hij hoorde [verdachte] zeggen: “shit hij staat niet aan”. [medeverdachte 1] zag toen dat [verdachte] een stekker in de sigarettenaansteker deed, waarna [medeverdachte 1] een groen lampje in de tas zak zag branden. [medeverdachte 1] weet niet waarom dit was gedaan, hij heeft dat [verdachte] niet gevraagd.
Uit het technisch onderzoek, verricht aan de jammer nr. 1 met ID-nummer [nummer 1] en jammer nr. 2 met ID-nummer [nummer 2], is geconcludeerd dat deze jammers niet de verplichte CE markering hebben en daarom niet aan de krachtens artikel 10.3 lid c en e gestelde voorschriften van de Telecommunicatiewet voldoen. Het aanleggen, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben of gebruik van radiozendapparaten (zoals deze jammers) is slechts toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder op grond van artikel 3.13, eerste lid, Telecommunicatiewet een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte, dan wel vrijstelling is verleend ingevolge artikel 10.15, tweede lid, van dezelfde wet. Deze vergunning wordt uitsluitend verleend voor uitrusting die niet stoort. Nu is vastgesteld dat deze apparaten gebouwd en ontworpen zijn om te verstoren kan worden geconcludeerd dat aan verdachte geen vergunning is verleend voor jammer nr.1 noch jammer nr. 2.
Medeverdachte [medeverdachte 2] , die samen met verdachte en 3 andere personen die avond is aangehouden in Breda, heeft bij de politie verklaard dat hij door een onbekende man van Marokkaanse of Syrische afkomst (die aangaf dat hij [naam] heette) is benaderd met het verzoek om de volgende dag (de rechtbank begrijpt op 19 januari 2025) tussen 21:00 uur en 22:00 uur iemand in Rotterdam op te halen. Om er maar vanaf te zijn heeft [medeverdachte 2] op 19 januari 2025 omstreeks 21:15 uur met zijn auto een persoon, zijnde een Marokkaanse man, op het door [naam] doorgegeven adres in Rotterdam, opgehaald. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat deze man (de rechtbank begrijpt dat hier verdachte bedoeld wordt) dezelfde persoon is als die later in de vrachtwagen zat en is aangehouden. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij in opdracht van deze Marokkaanse man een andere man in Rotterdam heeft opgehaald. Deze andere man zag er volgens [medeverdachte 2] een beetje Servisch/Joegoslavisch/Pools uit (de rechtbank begrijpt dat hier medeverdachte [medeverdachte 1] bedoeld wordt). De Marokkaanse man had tegen [medeverdachte 2] gezegd dat ze een vrachtwagen moesten ophalen in de buurt van Amsterdam om vervolgens een trailer aan de vrachtwagen te koppelen. [medeverdachte 2] heeft hen naar Harderwijk gebracht en moest wachten tot ze klaar waren. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat beide mannen samen uit de auto zijn gestapt en dat de Marokkaanse man met behulp van een afstandsbediening van de sleutel de vrachtwagen heeft geopend, hetgeen hij afleidde uit het kort knipperen van de oranje lampen van de vrachtwagen. Beide mannen zijn vervolgens in de vrachtwagen gestapt en samen weggereden. [medeverdachte 2] is met zijn eigen auto meegereden tot in Breda.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij werd gebeld door een kennis die hij als “ [verdachte] ” kent en die in zijn telefoon staat opgeslagen als “ [verdachte] ”. De rechtbank begrijpt dat met “ [verdachte] ” en “ [verdachte] ” verdachte wordt bedoeld. Volgens [medeverdachte 1] vroeg [verdachte] hem of hij een chauffeur kende die een vrachtwagen vanuit het noorden van Nederland naar Breda zou kunnen brengen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij uiteindelijk zelf akkoord is gegaan om de vrachtwagen te besturen, omdat hij niemand anders kon vinden en [verdachte] gaf aan haast te hebben. Verdachte heeft [medeverdachte 1] vervolgens met een auto opgehaald, waarna zij samen naar een industrieterrein in Barneveld zijn gereden. Daar zijn zij samen uitgestapt, naar de poort van een bedrijf gelopen en in een vrachtwagen gestapt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem had verteld dat hij naar de [adres 4] in Hoogeveen moest rijden, al gaf hij later aan niet meer zeker te weten of het daadwerkelijk Hoogeveen was of iets anders wat er op leek. Later verklaart verdachte dat het Harderwijk is geweest. Bij aankomst bij het bedrijf in Harderwijk zei verdachte dat zij moesten wachten omdat de oplegger nog niet geladen was. Volgens [medeverdachte 1] hebben zij de vrachtwagen geparkeerd en zijn zij samen naar huis gegaan. De volgende dag werd [medeverdachte 1] opnieuw door [verdachte] gebeld met de mededeling dat de oplegger klaar was en dat het op dat moment rustig was op de weg om te rijden. [medeverdachte 1] is wederom door [verdachte] opgehaald en hebben zij samen de vrachtwagen opgehaald waar ze deze de avond daarvoor hadden geparkeerd. [medeverdachte 1] stapte samen met [verdachte] in de vrachtwagen en zij reden naar de [adres 4] , waar 2 mannen bij de poort stonden die deze voor hen openden. [medeverdachte 1] reed toen met de vrachtwagen het terrein op, koppelde de oplegger aan de vrachtwagen en vervolgens reden zij samen naar Breda. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat, toen hij een doodlopende straat in reed, [verdachte] hem instrueerde de vrachtwagen aan de zijkant van de weg te parkeren. Volgens [medeverdachte 1] wees [verdachte] steeds aan waar hij precies moest zijn. Op de vraag van [medeverdachte 1] wat de lading van de oplegger was, antwoordde [verdachte] dat de oplegger vol geladen was met melkpoeder.
Tevens heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] bij het instappen in de vrachtwagen een zwarte plastic tas bij zich had. Toen zij met de vrachtwagen langs Amersfoort reden, merkte [verdachte] op dat het apparaat dat in de trekker was aangesloten niet aan stond. [medeverdachte 1] zag hoe verdachte toen een stekker in de sigarettenaansteker deed, waarna een groen lampje in de tas ging branden.
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , heeft meegedaan aan de diefstal van de vrachtwagen en de diefstal van een oplegger met de babyvoeding. Verdachte heeft verklaard dat hij door ene “ [naam] ” is benaderd om een klusje te doen tegen betaling van €250,-. Volgens verdachte moest hij zowel op 19 als op 20 en 21 januari 2025 de instructies van [naam] volgen voor het midden in de nacht ophalen en wegbrengen van de vrachtwagen en oplegger. Verdachte heeft verklaard dat hij zich op dat moment wel heeft beseft dat als je op deze manier een vrachtwagen moet ophalen het iets crimineels was, maar dat hij heeft meegedaan omdat hij toen kwetsbaar was als gevolg van een zware verslaving aan verdovende middelen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij een plastic zak kreeg met daarin een jammer. Verdachte geeft aan niet zeker te zijn dat hij twee jammers heeft meegenomen. Verdachte geeft aan een jammer te hebben meegenomen in de cabine van de vrachtwagentrekker en dat hij deze in het stopcontact heeft gedaan. Van een jammer achterin de oplegger geeft verdachte aan niets te weten.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen betrokken plegers.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn samen door 2 jongens opgehaald, samen naar Barneveld gereden waar ze een vrachtwagen hebben opgehaald. Vervolgens zijn zij samen met de vrachtwagen naar Harderwijk gereden waar zij een oplegger aan de vrachtwagen hebben gekoppeld om richting Breda te rijden. Verdachte die als bijrijder in de vrachtwagen zat was verantwoordelijk voor het geven van instructies aan [medeverdachte 1] . Hij was op de hoogte van locaties waar de vrachtwagentrekker en trailer moesten worden weggenomen. Hij werd na de diefstal van de vrachtwagentrekker door [naam] geïnstrueerd dat de trailer niet dezelfde nacht maar pas de volgende dag kon worden opgehaald, en verdachte wist op welke locatie de vrachtwagentrekker tot die tijd moest worden achtergelaten. Verdachte was ook op de hoogte welke trailer de volgende dag precies moest worden weggenomen en wist ook welke lading die bevatte. Verder heeft verdachte gezorgd voor het aanleggen en het activeren van de 2 jammers zodat het GPS-signaal kon worden geblokkeerd. Dat verdachte alleen 1 jammer zou hebben meegenomen en de andere niet, is niet aannemelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de intensiteit van de samenwerking, de rol in de uitvoering en het belang van de rol van verdachte, zoals voornoemd, maken dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en anderen gericht op de diefstallen. Dat verdachte instructies kreeg van iemand anders maakt dat niet anders. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit en het gebruik van twee jammers, waarvoor verdachte geen vergunning had.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en met 20 januari 2025 te
Barneveld en/of Harderwijk en/of Breda, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een opleggertrekker (merk DAF met kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever 1] , in elk geval
aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om die trekker zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen trekker goed/goederen onder
zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,
inklimming en/of een valse sleutel, door onrechtmatig gebruik te maken van een originele (vrachtwagen)sleutel;
2
hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en met 20 januari 2025 te
Harderwijk en/of Breda, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een oplegger (merk KRONE met kenteken [kenteken 2] ) met pallets met babyvoeding,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2]
en/of [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die oplegger zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te
nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van braak, verbreking en/of inklimming;
3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 januari 2025 tot en
met 20 januari 2025 te Barneveld en/of Harderwijk en/of Breda, althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk, een of meer radioapparaten, te weten twee jammers,
heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd, aanwezig heeft gehad en/of heeft
gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radioapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, inklimming en valse sleutels.
feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.
feit 3:
Primair:
opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een werkstraf moet worden opgelegd en indien nodig een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf. De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte gedurende het afgelopen jaar geen drugs meer heeft gebruikt en dat hij zich nu op het goede pad bevindt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou zijn huidige situatie negatief beïnvloeden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de diefstal van een trekker en een oplegger met een waardevolle lading, te weten 66 pallets met babyvoeding. Samen met anderen heeft verdachte in de nachtelijke uren en gedurende 2 dagen achter elkaar twee afgesloten bedrijfsterreinen betreden door hekken en toegangspoorten te vernielen om de vrachtwagen en trekker weg te kunnen nemen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit en gebruik van twee jammersom het GPS-signaal van de vrachtwagen te blokkeren zodat de eigenaar van de vrachtwagen en de politie de vrachtwagen niet konden vinden. Diefstal van vrachtwagens, opleggers en containers met goederen vormen voor de transportsector een ernstige bron van schade. Niet alleen in de vorm van directe schade, maar ook als gevolg van verhoogde verzekeringspremies en de noodzaak tot het nemen van steeds verdergaande maatregelen ter voorkoming van deze criminaliteit. Verder kan de diefstal van lading grote gevolgen hebben voor de eigenaren van de lading. De verdachte heeft zich om dit alles, en in het bijzonder om de belangen van de benadeelden kennelijk niet bekommerd en alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Uit het handelen van de verdachte spreekt bovendien minachting voor andermans eigendommen. Daarnaast zijn de jammers zoals aangetroffen bij verdachte gebruikt met het enkele doel om opzettelijk telecommunicatie nfrastructuur te verstoren teneinde buiten het zicht van de politie te kunnen manoeuvreren. Het voorhanden hebben daarvan is in het bijzonder laakbaar omdat het gebruik daarvan de elektronische communicatie en de opslag van gegevens verstoort waarvan onder meer hulpdiensten afhankelijk zijn.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 5 januari 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank houdt, als uitgangspunt voor het bepalen van de straf en de strafmaat, rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De LOVS noemen als oriëntatiepunt bij diefstal van een vrachtwagen als bij ladingdiefstal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor het bezit en gebruik van jammers bestaan er geen oriëntatiepunten. Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van zeven maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10.15 lid 1 Telecommunicatiewet.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 [zeven] maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.