RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/063599-25
Datum uitspraak : 20 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] (Iran),
wonende aan [adres] ,
raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal
als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),
daarmee rijdende op de weg, de Nijerf, op de kruising met de Hekselaar,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde,
- niet of in onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op eventueel
naderend verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet
aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was voormeld voertuig tot stilstand te
brengen binnen de afstand waarover hij genoemde weg/kruising kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) is hij gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een
scootmobiel die vanuit links naderde, ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder
van die scootmobiel ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal
als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),
daarmee rijdende op de weg, de Nijerf, op de kruising met de Hekselaar,
terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde,
- niet of in onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op eventueel
naderend verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet
aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was voormeld voertuig tot stilstand te
brengen binnen de afstand waarover hij genoemde weg/kruising kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- ( vervolgens) is hij gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een
scootmobiel die vanuit links naderde, ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder
van die scootmobiel ten val is gekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal als bestuurder
van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijerf,
op de kruising met de Hekselaar, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden,
waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 24 juli 2024 was verdachte bestuurder van een bedrijfsauto en reed hij op de Nijerf, op de kruising met de Hekselaar, in Groesbeek, gemeente Berg en Dal. Verdachte was op dat moment aan het werk als pakketbezorger en bestuurde zijn voertuig dus beroepsmatig. Toen hij op het kruispunt naar de Hekselaar links afsloeg, is hij gebotst tegen een tegemoetkomende scootmobiel, als gevolg waarvan de bestuurder van die scootmobiel ( [slachtoffer] ) letsel heeft opgelopen. Bij [slachtoffer] was sprake van een gebroken bovenbeen, waarvoor hij geopereerd is. Er was sprake van langdurige revalidatie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van aanmerkelijke onvoorzichtig verkeersgedrag. Het letsel van het slachtoffer is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit, nu de ondergrens van aanmerkelijke schuld volgens hem niet gehaald wordt.
Beoordeling door de rechtbank
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in zijn scootmobiel op de Hekselaar reed in de richting van de T-splitsing, waar hij naar rechts wilde afslaan. Op dat moment sneed de chauffeur van de DHL-bus de bocht af, als gevolg waarvan de botsing plaatsvond.
Uit de verkeersongevallenanalyse van de politie blijkt het volgende. Op basis van de geconstateerde schade aan de bedrijfsauto en de scootmobiel en de sporen op de weg, is achterhaald waar de botsplaats zich bevond. Op het moment van botsen bevond de scootmobiel zich zo veel mogelijk rechts op de rijbaan. De bestuurder van de bedrijfsauto had nog meer dan voldoende ruimte aan de rechterzijde van zijn voertuig en bevond zich dus niet zoveel mogelijk rechts.
Verdachte heeft verklaard dat hij weet wat het probleem is. Hij had de bocht anders, ruimer, moeten nemen, maar had de scootmobiel niet gezien.
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994
Van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt vast dat verdachte op de Nijerf reed en wilde afslaan naar de Hekselaar. Toen hij dat deed, heeft hij de bocht te krap genomen en heeft hij niet zo veel mogelijk rechts gehouden. Op dat moment is hij gebotst tegen de hem tegemoetkomende scootmobiel die hij niet had gezien. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte niet, dan wel in onvoldoende mate heeft opgelet op de weg, het naderende verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en dat hij niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en de kruising kon overzien en deze vrij was. Er waren geen daadwerkelijke zichtbelemmeringen voor verdachte die maakten dat hij de scootmobiel niet kon zien. Hij had vooral een ruimere bocht kunnen en moeten nemen en dus voldoende rechts moeten houden en heeft dat niet gedaan.
De aard en de ernst van de voornoemde gedragingen van verdachte, onder deze omstandigheden, maken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994
Door het verkeersongeval heeft het slachtoffer een beenbreuk opgelopen. Voor het herstel hiervan was een operatie noodzakelijk. Deze fractuur wordt, mede vanwege onder meer de noodzaak en aard van medisch ingrijpen, door de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigd bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal
als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto),
daarmee rijdende op de weg, de Nijerf, op de kruising met de Hekselaar,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij dat voertuig beroepsmatig bestuurde,
- niet of in onvoldoende mate heeft opgelet en/of is blijven opletten op eventueel
naderend verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet
aan zijn verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement zijn snelheid niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was voormeld voertuig tot stilstand te
brengen binnen de afstand waarover hij genoemde weg/kruising kon overzien en
waarover deze vrij was en/of
- (vervolgens) is hij gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een
scootmobiel die vanaf links naderde, ten gevolge waarvan of waarbij de bestuurder
van die scootmobiel ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor oplegging van een lagere taakstraf en een kortere ontzegging van de rijbevoegdheid dan geëist gepleit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij bij het afslaan de binnenbocht heeft genomen en is gebotst tegen het tegemoetkomende slachtoffer op een scootmobiel. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting hanteren in het geval van aanmerkelijke schuld aan een ongeval met zwaar lichamelijk letsel een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank overweegt dat dit een zaak is waarbij weliswaar sprake is van aanmerkelijke schuld, maar, gelet op de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, in zijn lichtste vorm. Verder is weliswaar sprake van zwaar lichamelijk letsel, maar dit letsel is inmiddels volledig hersteld. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat de verdachte meteen na het ongeluk en ter terechtzitting een schuldbewuste houding heeft aangenomen en er blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hij heeft inzicht getoond in zijn handelen. De rechtbank weegt voorts in het voordeel van verdachte mee dat hij contact heeft gezocht met het slachtoffer en – zo bleek ter terechtzitting – hem meermaals heeft bezocht om bijvoorbeeld eten of bloemen te brengen. Hij heeft zich dus direct na het ongeluk en in de periode erna bekommerd om het slachtoffer. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachte al jaren lang beroepsmatig chauffeur is (eerst rijschoolhouder en nu pakketbezorger) en in al die jaren nooit een verkeersdelict heeft gepleegd, zoals blijkt uit zijn blanco strafblad van 14 januari 2026. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke straf, ook gelet op het tijdsverloop inmiddels onder bovengeschetste omstandigheden, geen reëel doel meer zou dienen. De rechtbank zal daarom de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 90 uur geheel voorwaardelijk opleggen.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte voor zijn werk op zijn rijbewijs is aangewezen en niet is gebleken dat verdachte zich nadien of voor het ongeval onveilig in het verkeer heeft gedragen, acht de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden zoals door de officier van justitie gevorderd passend. De rechtbank zal de proeftijd daarbij bepalen op twee jaar.
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 90 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;
bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
Mrs. Leen en Rikken zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.