ECLI:NL:RBGEL:2026:1282

ECLI:NL:RBGEL:2026:1282

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 05/189862-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Taakstraf van 120 uren en rij-ontzegging (OBM) gelijk aan de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest voor overtreding van artikel 6 WVW. Aanmerkelijke schuld door onvoldoende rechts te houden en onvoldoende af te remmen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/189862-25

Datum uitspraak : 20 februari 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

Raadsvrouw: mr. C.T.B.J. Besjes, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 februari 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Schoutenstraat, op de kruising met de Kallenbroekerweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht werd belemmerd door de laagstaande zon en/of terwijl hij vermoeid was,

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de

Schoutenstraat) naderde en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of door de binnenbocht is gereden en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg/voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een fietser die vanuit tegengestelde richting dicht genaderd was, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Schoutenstraat, op de kruising met de Kallenbroekerweg, terwijl het zicht werd belemmerd door de laagstaande zon en/of terwijl hij vermoeid was,

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de Schoutenstraat) naderde en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of door de binnenbocht is gereden en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg/voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een fietser die vanuit tegengestelde richting dicht genaderd was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schoutenstraat, op de kruising met de Kallenbroekerweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een fietser die vanuit tegengestelde richting dicht genaderd was;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 juni 2025 vond een verkeersongeval plaats op de kruising van de Schoutenstraat met de Kallenbroekerweg in Barneveld, waarbij verdachte in botsing kwam met [slachtoffer] . Verdachte was de bestuurder van een Seat Arosa en [slachtoffer] reed op een fiets (Sparta). Verdachte reed over de Schoutenstraat, komende uit de richting van de Beekstraat en reed op de kruising Schoutenstraat-Kallenbroekerweg linksaf de Kallenbroekerweg op. Op deze kruising liet verdachte [slachtoffer] , die op dezelfde weg rechtdoor ging in de richting van de Beekstraat, niet voor. [slachtoffer] liep bij dit ongeval hersenkneuzingen, bloed tussen de schedel en de hersenen, een schedelbreuk en diverse schaafwonden op. [slachtoffer] heeft in totaal negen dagen in het ziekenhuis gelegen. Zij is sinds oktober 2025 twee à drie keer per week in behandeling bij een team voor niet aangeboren hersenletsel en het is nog onduidelijk of zij volledig zal herstellen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat er geen sprake is van schuld in de zin van het primair ten laste gelegde artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Het enkele feit dat verdachte [slachtoffer] over het hoofd heeft gezien en de ernstige gevolgen van het ongeval zijn onvoldoende om te kunnen spreken van zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedrag in de betekenis die de Hoge Raad daaraan in zijn vaste jurisprudentie geeft. Het subsidiair ten laste gelegde artikel 5 WVW kan wel bewezen worden verklaard. Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat wel sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, dan kan het rijgedrag van verdachte niet zwaarder worden gekwalificeerd dan als ‘aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid’.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wilde afslaan naar de Kallenbroekerweg. Daarbij heeft hij [slachtoffer] totaal niet gezien door de laagstaande zon die direct in zijn ogen scheen. Hij werd vanuit de kant waar [slachtoffer] vandaan kwam verblind door de zon.

De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. De rijrichting van verdachte is vastgesteld aan de hand van de sporen op de weg, de schade en de eindposities van de betrokken voertuigen. Deze sporen waren passend bij het scenario dat de Seat niet geheel rechts de rijbaan van de Schoutenstraat naar de Kallenbroekerweg volgde. Hij maakte niet een min of meer haakse bocht naar links, maar nam de ‘binnenbocht’ naar de Kallenbroekerweg. Daarbij vond de botsing plaats. Verder blijkt uit de reconstructie die de verbalisanten de volgende dag op hetzelfde tijdstip ter plaatse hebben gedaan, dat verdachte inderdaad tegen de zon in keek. Door de verbalisanten werd echter ook vastgesteld dat verdachte bij het correct opstellen van zijn auto om linksaf te slaan een beter zicht had kunnen hebben, zonder direct gestoord te worden door de zon.

De telefoon van verdachte is uitgelezen. Uit de data bleek dat verdachte op het laatste locatiepunt vóór de bocht naar links een snelheid reed van tussen de 34 km/u en 38 km/u. Hij nam de bocht naar links vervolgens met een snelheid die ongeveer tussen de 26 km/u en 38 km/u lag.

De rechtbank dient naar aanleiding van het voorgaande de vragen te beantwoorden of de botsing aan de schuld van verdachte te wijten is en hoe het letsel van [slachtoffer] moet worden geduid.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WWV.

De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat verdachte linksaf de Kallenbroekerweg is ingeslagen, terwijl hij op het moment van het maken van de bocht tegen de zon in keek en geen zicht had op het vanuit de Schoutenstraat tegemoetkomende verkeer. Verdachte heeft daarbij de binnenbocht genomen en daarmee onvoldoende rechts gehouden, terwijl uit het forensisch onderzoek volgt dat verdachte (meer) zicht op het tegemoetkomend verkeer had kunnen hebben, als hij op de juiste weghelft was blijven rijden. Naast het feit dat verdachte op de verkeerde weghelft reed, had hij voordat hij linksaf sloeg eerst volledig vaart moeten minderen, zodat hij volledig zicht had verkregen op het vanuit de Schoutenstraat tegemoetkomende verkeer en zo had kunnen beoordelen of hij de bocht op dat moment veilig kon nemen, in plaats van deze verblind te nemen. Verdachte heeft zijn snelheid weliswaar enigszins aangepast, maar dit was kennelijk onvoldoende om de kruising volledig te kunnen overzien. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

Zwaar lichamelijk letsel

[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval ernstig hoofdletsel opgelopen, waarvoor zij intensief behandeld wordt. Zij heeft na het ongeval ruim een week in het ziekenhuis gelegen en het is nog onduidelijk of zij volledig zal herstellen van de gevolgen ervan. Dit letsel kan gezien de aard en omvang als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Barneveld als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Schoutenstraat, op de kruising met de Kallenbroekerweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl het zicht werd belemmerd door de laagstaande zon en/of terwijl hij vermoeid was,

- niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of uit tegenovergestelde richting verkeer over die weg (de

Schoutenstraat) naderde en/of

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of door de binnenbocht is gereden en/of

- in strijd met artikel 19 van voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg/voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een fietser die vanuit tegengestelde richting dicht genaderd was, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Daarop dient de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, te rekenen vanaf het moment dat het rijbewijs als vermist werd gemeld op 27 november 2025, in mindering te worden gebracht. Dit betreft 39 dagen.

Het standpunt van de verdediging

Uitgaande van een bewezenverklaring van artikel 5 WVW, heeft de raadsvrouw bepleit dat aan verdachte conform de richtlijnen van het openbaar ministerie een geldboete van € 1.000,00 ofwel een taakstraf van 60 uren wordt opgelegd en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW, dan wordt verzocht om op basis van de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting een taakstraf van 120 uren op te leggen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Verzocht wordt om geen aanvullende rij-ontzegging meer op te leggen, omdat het rijbewijs van verdachte al een half jaar ingevorderd is geweest.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor het toen zestienjarige slachtoffer zwaar letsel aan haar hoofd heeft opgelopen. Ter zitting heeft de moeder van het slachtoffer op indringende wijze verwoord welke grote impact het ongeval heeft gehad en nog steeds heeft op het leven van het slachtoffer en hun gezin. Het is nog onduidelijk of het slachtoffer ooit helemaal zal herstellen.

De rechtbank heeft gezien dat het ongeval ook op verdachte een behoorlijke impact heeft gehad. Hij heeft het ongeval uiteraard niet gewild en heeft direct na het ongeval gepoogd om contact met het slachtoffer en haar familie op te nemen om zijn excuses aan te bieden. Hij heeft van meet af aan zijn medewerking verleend aan het onderzoek en inzicht getoond in zijn eigen handelen. Ter zitting heeft hij zijn excuses aangeboden en spijt betuigd van het ongeval.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 120 uren passend en zij zal deze aan verdachte opleggen. Daarnaast zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd van 201 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd is geweest. Anders dan de officier van justitie, rekent de rechtbank daarbij vanaf 19 juni 2025, de datum waarop het rijbewijs door de politie is ingevorderd. Het rijverbod van artikel 9 lid 4 WVW geldt immers vanaf het moment dat overgifte van het rijbewijs is gevorderd, ongeacht of het rijbewijs daadwerkelijk wordt overhandigd. Het voorgaande komt erop neer dat verdachte zijn rijbewijs niet meer hoeft in te leveren. De rechtbank ziet daar gezien zijn proceshouding ook geen aanleiding meer voor.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 22 c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 201 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.J.H. Hovens
  • mr. J.M.E. Langen

Griffier

  • mr. H. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?