RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/461701 / KG ZA 26-20
Vonnis in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,3. [eiser 3],
te [woonplaats] ,4. [eiser 4],
te [woonplaats] ,5. [eiser 5],
te [woonplaats] ,6. [eiser 6],
te [woonplaats] ,7. [eiser 7],
te [woonplaats] ,8. [eiser 8],
te [woonplaats] ,9. [eiser 9],
te [woonplaats] ,10. [eiser 10],
te [woonplaats] ,11. [eiser 11],
te [woonplaats] ,12. [eiser 12],
te [woonplaats] ,13. [eiser 13],
te [woonplaats] ,14. [eiser 14],
te [woonplaats] ,15. [eiser 15],
te [woonplaats] ,16. [eiser 16],
te [woonplaats] ,17. [eiser 17],
te [woonplaats] ,18. [eiser 18],
te [woonplaats] ,19. [eiser 19],
te [woonplaats] ,20. [eiser 20],
te [woonplaats] ,21. [eiser 21],
te [woonplaats] ,22. [eiser 22],
te [woonplaats] ,23. [eiser 23],
te [woonplaats] ,24. [eiser 24],
te [woonplaats] ,25. [eiser 25],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] ,
advocaat: mr. A. Klaassen,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,2. STICHTING EVANGELISATIE DRIEDORP,
te Veenendaal,3. [gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: De Stichting c.s.,
advocaat: mr. T. van Kooten.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 9;
- de nagezonden producties 10 tot en met 12 van 4 februari 2026 aan de zijde van [eisende partijen] ;
- de conclusie van antwoord van 4 februari 2026 met de producties 1 tot en met 11 aan de zijde van de Stichting c.s.;
- de akte houdende wijziging van eis van 4 februari 2026;
- de nagezonden producties 13 en 14 van 5 februari 2026 aan de zijde van [eisende partijen] ;- de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waar beide advocaten het woord hebben gevoerd, mr. Van Kooten aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Vandaag wordt uitspraak gedaan.
2. De feiten
Bij vonnis van 18 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank naar aanleiding van een door eisers aanhangig gemaakt kort geding, samengevat, geoordeeld dat het door de kerkenraad gegeven ontslag van wijlen predikant [naam 1] niet rechtsgeldig was en dat hij in de gelegenheid gesteld moest worden zijn gebruikelijke werkzaamheden (voorgaan in erediensten) uit te oefenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Vervolgens ontstonden tussen partijen nieuwe (executie)geschillen. Die hebben ertoe geleid dat [eisende partijen] in kort geding onder meer verhoging van de dwangsommen vorderde en in reactie daarop de kerkenraad en stichting eveneens een (executie) kort geding zijn gestart. Beide kort gedingen zijn behandeld tijdens de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 26 augustus 2025.
Tijdens die mondelinge behandeling op 26 augustus 2025 hebben partijen onderling afspraken gemaakt en deze in de vorm van een vaststellingsovereenkomst laten vastleggen in een proces-verbaal. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Om een einde aan deze rechtszaak te maken, hebben partijen de volgende afspraken gemaakt:
1. Er wordt een commissie benoemd, bestaande uit drie personen.
2. (…)
3. De commissie beslist bij meerderheid over bindende maatregelen voor een duurzaam herstel van de eenheid van de gemeente waaronder over de positie van de predikant in de gerezen situatie.
4. Daarnaast kan de commissie (niet bindende) aanbevelingen doen over de toekomstige inrichting van de gemeente.
5. (…)
6. De commissie moet uiterlijk 1 januari 2026 uitspraak doen.
7. (…)
8. (…)
Partijen dragen, voor zover hierboven niet anders is overeengekomen ieder de eigen proceskosten.”
De naar aanleiding van de schikking benoemde Commissie Driedorp (hierna: de Commissie) heeft de opdracht voor 1 januari 2026 (grotendeels) teruggegeven. In het eindrapport van 31 december 2025 heeft de Commissie, voor zover nu van belang, de volgende als door haar geformuleerd ‘als bindende uitspraak’ gedaan:
“De Commissie heeft vastgesteld dat vragen die aan het bestuur van de stichting worden gesteld, niet worden beantwoord, dat grote verdeeldheid binnen het kleine bestuur leidt tot een onwerkbare situatie en dat ondanks een voorziening die dat verbiedt op de agenda voor nieuwe vergadering het eventuele ontslag van de voorzitter blijft staan.
Daarnaast leven er vragen over het al dan niet transparante handelen van bestuursleden, mede in relatie tot de financiën van de diaconie en de hoge kosten die de kleine gemeente heeft uitgegeven en uitgeeft aan rechtsbijstands- en proceskosten.
l. De commissie beantwoordt deze vragen niet.
2. De commissie bepaalt per direct bij bindende maatregel dat de bestuursleden van de stichting met ingang van de datum van deze bindende uitspraak van de Commissie Driedorp alleen de lopende financiële verplichtingen dienen af te handelen gedurende de periode van een in te stellen onderzoek dat plaatsvindt door een commissie van onderzoek en dat afsluit met een rapportage, bindende maatregelen en nadere adviezen. De commissie verbiedt bestuursleden elkaar te ontslaan.
Voorts bepaalt de commissie dat het betreffende onderzoek plaatsvindt onder leiding van een registeraccountant van het gerenommeerde kantoor [naam 2] te [plaats] , die daartoe onverwijld, doch uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk opdracht ontvangt van partijen, een en ander op kosten van de stichting.”
Op [datum] is [naam 1] overleden.
De voorzitter van de Stichting, de heer [eiser 7] , kan zich met het beleid ter zake het onderhavige geschil van de meerderheid van het bestuur van de Stichting niet verenigen en is, net als in de eerdere kortgedingprocedures, één van de eisende partijen.
3. Het geschil
[eisende partijen] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair De Stichting c.s. te gebieden om binnen drie werkdagen na betekening van het daartoe strekkende vonnis namens het (volledige) bestuur van de stichting op haar kosten onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud opdracht te verlenen aan [naam 2] te [plaats] tot het instellen van een onderzoek naar het (al dan niet transparante) handelen van bestuursleden, mede in relatie tot de financiën van de diaconie en de hoge kosten die de kleine gemeente heeft uitgegeven en uitgeeft aan rechtsbijstands- en proceskosten, e.e.a. onder leiding van dan wel door een (register)accountant, welk onderzoek wordt afgesloten met een rapportage van bevindingen,
subsidiair, indien [naam 2] alsnog zou afzien van de opdracht, in haar plaats te oordelen dat voornoemd onderzoek dient te worden opgedragen aan [naam 3] te [plaats] , dan wel (meer subsidiair) aan een door de voorzieningenrechter zelf aan te wijzen (register)accountant, dan wel De Stichting c.s. te gebieden tot medewerking aan een door de voorzieningenrechter in goede justitie zelf vast te stellen voorziening, strekkende tot nakoming van de door de Commissie Driedorp in diens eindrapport d.d. 31 december 2025 jegens de (bestuursleden van de) stichting omschreven bindende maatregel,
II. De Stichting c.s. te gebieden volledige medewerking te verstrekken aan dit onderzoek, o.a. door binnen bekwame tijd door de onderzoeker(s) verzochte informatie zo volledig als mogelijk aan te leveren, vragen naar volledigheid te beantwoorden en zich ook overigens te onderwerpen aan instructies en aanwijzingen vanuit de aangewezen accountant gericht op uitvoering, oplevering en naleving van het onderzoek(srapport),
III. te bepalen dat De Stichting c.s. bij schending van het onder I en/of II gevorderde steeds hoofdelijk een dwangsom verschuldigd zijn aan [eisende partijen] van € 3.000,00 per dag, met een maximum van € 250.000,00 (dan wel een in goede justitie vast te stellen dwangsom),
IV. De Stichting c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan eisers van de buitengerechtelijke kosten zowel primair, dan wel subsidiair gevorderd.
V. De Stichting c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris (proces)advocaat.
[eisende partijen] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen op 26 augustus 2025 een schikking hebben getroffen waarin werd overeengekomen om tot 1 januari 2026 te streven naar herstel en verzoening onder bindende aanwijzingen van een Commissie. De Stichting heeft het proces-verbaal door (een meerderheid van) het bestuur medeondertekend en zich daarmee onderworpen aan de daarin opgenomen vaststellingen. Daarmee heeft de stichting zich onvoorwaardelijk als medegedaagde gecommitteerd aan welk bindend oordeel van de Commissie dan ook. Bij bindende maatregel van 31 december 2025 heeft de Commissie bepaald dat [naam 2] in de gelegenheid moet worden gesteld om een onderzoek in te stellen naar de financiën van de Stichting en dat de bestuursleden daaraan moeten meewerken. De Stichting weigert echter uitvoering te geven aan deze bindende maatregel.
Volgens [eisende partijen] worden er gelden van alle gemeenteleden gebruikt voor niet te traceren doeleinden, transparantie ontbreekt en het belang van de stichting wordt niet gediend, de stichting wordt door twee van de drie bestuursleden kennelijk gebruikt als privéfonds. De herhaalde pogingen van de voorzitter om zicht te krijgen op adequate besteding, informatie te ontvangen die de beide andere bestuursleden wel delen, blijven vruchteloos. [naam 2] dient derhalve de ruimte te krijgen ongehinderd onderzoek te doen en rapport uit te brengen ter vaststelling van het gevolgde beheer en beleid, ook ten aanzien van de gelden vanuit de gemeenteleden.
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden hebben [eisende partijen] recht en spoedeisend belang bij toewijzing van gevraagde voorlopige voorzieningen.
De Stichting c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partijen] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partijen] in de (volledige) kosten van deze procedure.
De Stichting c.s. voert daartoe – kort samengevat – aan dat [eisende partijen]
geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering, althans dat zij misbruik van recht maakt, omdat De Stichting c.s. telkens bereid is geweest om een onderzoek door een accountantskantoor te laten uitvoeren. Zij heeft al een daartoe strekkende opdracht verleend aan [naam 3] . Verder voert zij aan dat de Commissie geen bevoegdheid heeft ten aanzien van de interne aangelegenheden van de stichting en daarom geen uitspraak kan doen die de stichting bindt en waarvan nakoming kan worden verlangd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Inleiding
Het geschil tussen partijen concentreerde zich aanvankelijk op het ontslag van de predikant en de executie van het kortgedingvonnis van 18 juli 2025. Door het overlijden van de predikant zijn die vraagstukken thans in dit kort geding niet meer van belang. Het geschil tussen partijen spitst zich nu toe op de vraag of (het bestuur van) de Stichting gehouden is [naam 2] , dan wel een andere accountant, opdracht te geven op grond van de bindende uitspraak die de Commissie in haar eindrapport heeft opgenomen. Uit de stukken en in het bijzonder hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat een diepgeworteld verschil van inzicht(en) en wederzijds wantrouwen tussen de beide partijen (feitelijk twee kampen binnen de kerkelijke gemeente) hen verdeeld houdt en aan ieder constructief overleg om tot werkbare oplossingen te komen in de weg staat. Wel zijn beide partijen het erover eens dat onderzoek naar het verloop van de financiën van de Stichting, mede indachtig de ANBI-status die de Stichting heeft, niet alleen gewenst, maar ook noodzakelijk is. In dit kort geding wil [eisende partijen] die medewerking van de Stichting afdwingen. De Stichting vindt dat onnodig omdat zij, in verband met de omstandigheid dat [naam 2] de opdracht niet zou willen uitvoeren, al een andere accountant heeft ingeschakeld voor een zelfs breder geformuleerde opdracht.
Toetsingskader in kort geding
Voor toewijzing van de in kort geding gevorderde voorlopige voorziening is allereerst nodig dat [eisende partijen] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Daarbij zal (mede) van belang zijn of het aannemelijk is dat de vordering in een bodemprocedure toewijsbaar is. Voor nadere bewijslevering is geen plaats binnen een kortgedingprocedure. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
Niet alleen uit het rapport van de Commissie maar ook uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is duidelijk geworden dat het gebrek aan inzicht in de financiën van de Stichting (meer in het bijzonder het financieel verloop van de gelden van de Stichting), mede in relatie tot de ANBI-status en vanwege berichtgevingen in de pers een voorwaarde lijkt te zijn om tot verdere oplossing van de inmiddels diepgewortelde geschillen binnen de kerkelijke gemeente en binnen het bestuur van de Stichting op te lossen. Daarmee is, nu ook alle leden van de kerkelijke gemeente bijdragen aan de gelden van de Stichting en alle financiële stromen uitsluitend via de Stichting verlopen, het spoedeisend belang gegeven.
De vordering tot veroordeling van de Stichting tot nakoming van de bindende uitspraak van de Commissie wordt afgewezen
De vordering tot veroordeling van de Stichting tot nakoming van de bindende uitspraak van de Commissie wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de voorzieningenrechter tot dit oordeel komt.
Anders dan namens de Stichting tijdens de mondelinge behandeling is bepleit, is de voorzieningenrechter voorshands oordelend van oordeel dat de Stichting wel aan de bindende uitspraak van de Commissie is gebonden. Deze bindende uitspraak is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst die partijen, ook de Stichting, op 26 augustus 2025 hebben gesloten. Onder 3) van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de Commissie bindende uitspraken kan doen die nodig zijn om de eenheid binnen de gemeente te herstellen. Nu een van de bevindingen van de Commissie is dat daarvoor inzicht in de financiën van de Stichting nodig is en alle financiën van de kerkelijke gemeente via de Stichting verlopen, brengt een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst, vooralsnog oordelend, mee dat de Stichting aan de bindende uitspraak van de Commissie is gebonden.
Wat daar ook van zij, [eisende partijen] hebben geen dan wel onvoldoende belang bij hun vordering omdat uit de e-mailcorrespondentie van 9, 12, 13 en in het bijzonder 28 januari 2026 tussen het bestuur en [naam 3] blijkt dat de meerderheid van het bestuur, maar zonder [eiser 7] , opdracht heeft gegeven tot het samenstellen van een financiële verantwoording over het boekjaar 2025 inclusief ANBI en governance. Ook volgt daaruit dat het bestuur voornemens is dat verzoek aan te vullen met een aanvullende, feitelijke inventarisatie (factfinding) van onderwerpen die de financiële verantwoording over 2025 raken en waarover vragen zijn gerezen. Daarbij wordt genoemd de uitgaven en verplichtingen die verband houden met (juridische) procedures en overige bijzondere kosten posten; geldstromen en bestedingen die (al dan niet) een relatie hebben met de diaconale doelen, voor zover deze via de Stichting zijn gelopen en eventuele transacties en/of afspraken met verbonden partijen (waaronder gebruik en beheer van stichtingseigendommen), voor zover relevant voor de financiële verantwoording.
Met deze opdracht is de opdracht die in de bindende uitspraak van de Commissie besloten ligt, inhoudelijk gezien, gedekt. Immers de Commissie heeft in verband met de vragen ‘die leven over het al dan niet transparante handelen van bestuursleden, mede in relatie tot de financiën van de diaconie en de hoge kosten die de kleine gemeente heeft uitgegeven aan kosten rechtsbijstand en proceskosten’ een onderzoek bevolen.
Die onderwerpen liggen in de opdracht van de meerderheid van het bestuur (de Stichting) aan [naam 3] besloten, zoals geformuleerd in de e-mail van 28 januari 2026.
Gelet op de e-mail van 13 januari 2026 van [naam 3] zijn zij bereid de opdracht uit te voeren. Wel is daarvoor nodig dat alle bestuursleden, dus ook [eiser 7] , een kopie ID-kaart/paspoort en een ingevuld PEP UBO formulier aanlevert. [eisende partijen] heeft het daarmee, in het bijzonder in de persoon van [eiser 7] , in zoverre in zijn eigen macht of aan deze opdracht vervolg en uitvoering kan worden gegeven. Overigens vertrouwt de voorzieningenrechter er in dit verband wel op dat de Stichting c.s. haar woord gestand doet, de opdracht zoals geformuleerd in haar e-mail van 28 januari 2025 daadwerkelijk aan [naam 3] heeft gegeven/geeft, niet alsnog intrekt en de Stichting haar volledige medewerking daaraan verleent. Tegen de omstandigheid dat de opdracht misschien ruimer is dan die de Commissie voor ogen stond kan [eiser 7] niet opgekomen. De Stichting kan immers rechtsgeldig vertegenwoordigd die opdracht geven.
Met het onderzoek door [naam 3] wordt aan de subsidiaire vordering van [eisende partijen] voldaan. Waarom zij meer belang heeft bij een onderzoek door [naam 2] , anders dan dat dat kantoor door de Commissie is genoemd, is niet overtuigend onderbouwd. Bovendien is uit de stukken gebleken dat [naam 2] niet zonder meer en onvoorwaardelijk een eventuele opdracht aanvaart. Daartoe kan [naam 2] niet, ook niet op grond van het eindrapport van de Commissie, worden gedwongen. Dat betekent dat de primaire vordering van [eisende partijen] moet worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en de subsidiaire vordering wegens gebrek aan belang. Dat lot volgt ook de vorderingen om [eisende partijen] te veroordelen tot medewerking aan het onderzoek, de vordering ter zake dwangsommen en de vordering ter zake de buitengerechtelijke incassokosten.
(Volledige) Proceskosten
Gelet op de bereidheid van De Stichting c.s. om tot een volledig onderzoek te komen met betrekking tot de financiën van de stichting, het achterhouden van cruciale e-mails door de heer [eiser 7] , het handhaven van de vordering om een onderzoek te laten uitvoeren tegen beter weten in, is voor De Stichting c.s. evident dat sprake is van nodeloos procederen waardoor zij onnodig op kosten is gejaagd. Daarom meent zij dat [eisende partijen] moet worden veroordeeld in de daadwerkelijke kosten van de procedure. [eisende partijen] betwist dat sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig procederen en concludeert tot afwijzing van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Zij voert daartoe aan dat dat nakoming van een vaststellingsovereenkomst wordt gevorderd, hetgeen in de kern geen complexe zaak betreft.
De voorzieningenrechter overweegt dat plaats is voor integrale vergoeding van proceskosten als sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De Stichting is weliswaar bereid om een onderzoek naar de financiën te laten verrichten maar tussen partijen bestond tevens verdeeldheid over de gebondenheid van de stichting aan het bindend oordeel van de Commissie en over de persoon van de aan te wijzen accountant. De proceskosten worden derhalve als hierna te melden conform het gebruikelijke tarief vastgesteld. Hetgeen meer is gevorderd wordt afgewezen.
[eisende partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Stichting c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eisende partijen] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op
17 februari 2026.
34124 / 498