RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-285265-25
Datum uitspraak : 23 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats].
raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een onbekend gebleven slachtoffer
van het leven te beroven, dit slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten een onbekend gebleven slachtoffer
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dit slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Arnhem op het Nieuwe Plein, in elk geval openlijk
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten een onbekend
gebleven slachtoffer, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit, dit slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd slaan en/of met kracht tegen het hoofd trappen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde medeplegen van poging doodslag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van medeplegen. Voorts heeft de raadsman bepleit dat indien de rechtbank verdachte vrijspreekt van het medeplegen van de geweldshandelingen, de rechtbank verdachte vrij dient te spreken ten aanzien van de gehele tenlastelegging, nu slechts ten laste is gelegd met kracht slaan en/of trappen tegen het hoofd. Er kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het hoofd van het slachtoffer wordt geraakt door verdachte. Daarnaast is onvoldoende bewijs voorhanden om vast te kunnen stellen dat trappen/schoppen tegen het hoofd van verdachte of zijn mededader(s) een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen. Gelet op het ontbreken van medische gegevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waardoor verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Op 26 oktober 2025 om 04:00 uur heeft er een gevecht tussen meerdere personen, waaronder verdachte, plaatsgevonden op het Nieuwe Plein in Arnhem.
In het dossier bevinden zich camerabeelden van een stadscamera. De verbalisant die de camerabeelden heeft uitgekeken omschrijft wat daarop te zien is als volgt:
Op 00:20 zag ik dat de verdachte een trappende beweging maakte in de richting van het hoofd van NN3. Ik zag dat NN4 aan de benen van NN3 trok zodat NN3 naast de ambulance kwam te liggen. Ik zag dat NN4 vier maal met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van het hoofd van NN3. Vervolgens zag ik dat NN4 twee maal met zijn rechterbeen een trappende beweging maakte op het hoofd van NN3. Ik zag dat de onderkant van de schoen op het hoofd van NN3 kwam. Op het zelfde moment zag ik dat de verdachte boven het hoofd van NN3 stond. Ik zag dat de verdachte met zijn linkerarm tegen de ambulance leunde en nogmaals drie maal met kracht zijn rechterbeen in een rechtstandige beweging tegen het hoofd van NN3 trapte. Ik zag dat NN3 in eerste instantie zijn hoofd probeerde te beschermen door zijn armen voor zijn gezicht te houden. Ik zag dat na de tweede trap van de verdachte en NN4 dat de armen en de benen van NN3 verslapte. Ik zag dat NN3 niet meer bewoog en roerloos op de grond bleef liggen. Ik zag dat de verdachte vervolgens zijn rechterbeen naar achteren haalde en met kracht nogmaals een voorwaartse schoppende beweging maakte tegen het hoofd van NN3 aan. Ik zag dat het hoofd van NN3 geraakt werd en door de kracht van de trap zijn hoofd en een gedeelte van het lichaam in de richting van de trappende beweging mee bewoog. Ik zag vervolgens dat de verdachte en NN4 weg renden en onderin het beeldscherm het beeld uit liepen. Ik zag dat NN3 roerloos op de grond bleef liggen naast de ambulance. Ik zag dat NN1 moeizaam omhoog kwam en geholpen werd door een dame.
Voornoemde camerabeelden zijn ter terechtzitting van 9 februari 2026 eveneens bekeken in aanwezigheid van verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie, omdat volgens de raadsman niet te zien is dat het hoofd van het slachtoffer daadwerkelijk wordt geraakt. De drie rechtstandige trappen zijn niet te zien omdat NN4 het zicht ontneemt en de laatste trap die verdachte geeft kan ook tegen de schouder in plaats van tegen het hoofd terecht zijn gekomen, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft verklaard niet te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant.
De rechtbank heeft vervolgens een rechterlijke waarneming gedaan, inhoudende dat zij dezelfde gedragingen door verdachte zien als door de verbalisant zijn beschreven en die erop neerkomen dat:
Ten aanzien van de eerste trap: ‘zag ik dat de verdachte een trappende beweging maakte in de richting van het hoofd van NN3’.
Ten aanzien van de tweede, derde en vierde trap: ‘zag ik dat de verdachte met zijn linkerarm tegen de ambulance leunde en nogmaals drie maal met kracht zijn rechterbeen in een rechtstandige beweging tegen het hoofd van NN3 trapte’.
Ten aanzien van de vijfde trap: ‘zag ik dat de verdachte vervolgens zijn rechterbeen naar achteren haalde en met kracht nogmaals een voorwaartse schoppende beweging maakte tegen het hoofd van NN3 aan. Ik zag dat het hoofd van NN3 geraakt werd en door de kracht van de trap zijn hoofd en een gedeelte van het lichaam in de richting van de trappende beweging mee bewoog’.
Het slachtoffer is door het ambulance personeel van de ambulance die toevallig reeds ter plaatse was naar de spoedeisende hulp van het Rijnstate ziekenhuis gebracht. De identiteit van het slachtoffer is onbekend gebleven, evenals het letsel.
Verdachte heeft verklaard dat hij uit was bij Club Loft in Arnhem. Die jongen (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer) was daar vervelend aan het doen tegen verdachte, waarop verdachte besloot naar huis te gaan. Hij liep richting de taxi en toen kwam hij die jongen weer tegen en de jongen heeft verdachte vervolgens geduwd. Daarna liep het uit de hand. Verdachte heeft verklaard dat hij buiten de camerabeelden een trap tegen zijn linkerzij kreeg. Hij zag zwart voor zijn ogen door die trap en weet niet precies wat hij heeft gedaan. Verdachte had 5 á 7 glazen wodka red bull gedronken die avond. Hij schaamt zich voor wat hij heeft gedaan.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich – gelet op de hiervoor vastgestelde gedragingen – schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Opzet
Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot doodslag moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op een bepaald gevolg te zijn gericht, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd tot de bijzonder kwetsbare gedeelten van het lichaam behoort en dat het met geschoeide voet (meermalen) met kracht schoppen tegen het hoofd een handeling is waarbij er een aanmerkelijke kans bestaat, dat de persoon tegen wiens hoofd wordt geschopt, daardoor het leven laat. Zeker indien, zoals in dit geval, meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd wordt getrapt, terwijl het slachtoffer weerloos op de grond ligt. Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan uit het feit dat verdachte sneakers droeg (en geen schoenen met leren zool) en ondanks dat niet kan worden vastgesteld welk letsel het slachtoffer heeft opgelopen, wel degelijk worden afgeleid dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een fatale afloop. Nu het voorgaande een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. De hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte moeten naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Het opzet van verdachte is dan ook op zijn minst genomen in voorwaardelijke zin op die fatale afloop gericht geweest.
Medeplegen
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte de poging tot doodslag in vereniging heeft gepleegd, zoals ten laste is gelegd. Zoals op de camerabeelden is te zien, heeft NN4 het slachtoffer aan zijn benen getrokken zodat hij naast de ambulance kwam te liggen en vervolgens slaande en trappende bewegingen gemaakt tegen en op het hoofd van het slachtoffer. Op hetzelfde moment stond verdachte boven het hoofd van het slachtoffer en begon op hem in te trappen. Verdachte en NN4 wisselen hun geweldshandelingen op het hoofd van het slachtoffer deels af, maar verrichten deze deels ook tegelijkertijd. De geweldshandelingen van beiden zijn duidelijk op het hoofd van het slachtoffer gericht. Gelet op de handelingen van verdachte en NN4, stelt de rechtbank vast dat zij zodanig nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt dat zij tezamen en in vereniging hebben gepoogd het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een onbekend gebleven slachtoffer
van het leven te beroven, dit slachtoffer meermaals met kracht tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit primair:
medeplegen van poging tot doodslag
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in geval van een veroordeling geen langere vrijheidsstraf zal worden opgelegd dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De raadsman kan zich in dat geval vinden in een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals geëist en verzoekt de rechtbank rekening de houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld. Verdachte heeft meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer getrapt. Het geweld van verdachte was duidelijk gericht op het hoofd van het slachtoffer. Op de camerabeelden is op geen enkel moment te zien dat verdachte zich inhield. Zelfs toen het slachtoffer roerloos op de grond lag, gaf verdachte hem nog een trap tegen het hoofd. Dit soort uitgaansgeweld heeft een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie neemt hierdoor steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers veroorzaakt.
Uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 7 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder in beeld is gekomen vanwege het beledigen van een ambtenaar in functie en wildplassen. Naar eigen zeggen was hij beide keren onder invloed van alcohol.
Uit het advies van de reclassering van 26 januari 2026 komt naar voren dat de risico’s die de reclassering ziet betrekking hebben op het alcoholgebruik van verdachte. Verdachte drinkt niet regelmatig, maar alcohol zorgt bij hem voor een ontremmende werking en kan er dus voor zorgen dat het hem kennelijk ‘zwart voor de ogen’ kan worden. Verdachte is bereid te stoppen met het drinken van alcohol en wil zich hiervoor laten controleren door middel van urinecontroles. Indien dit nodig wordt geacht wil verdachte hiervoor ook een behandeling aangaan. Hij is gemotiveerd tot het aangaan van een reclasseringstraject en wil zich houden aan eventuele bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert een meldplicht, ambulante behandeling (indien nodig), een alcoholverbod en een locatieverbod (zonder elektronische monitoring) op te leggen als bijzondere voorwaarden.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de proceshouding van verdachte. Hij is schuldbewust en wil meewerken met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
In beginsel doet slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht aan de ernst van het feit. De rechtbank is echter – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf in dit geval niet langer hoeft te zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, omdat het accent in deze zaak dient te liggen op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en niet alleen het afstraffen door middel van kale detentie, die overigens mogelijk verlies van huisvesting tot gevolg kan hebben. Daarentegen ziet de rechtbank wel aanleiding om een groter voorwaardelijk deel op te leggen dan geëist. Verdachte heeft zich onder invloed van alcohol zodanig laten meeslepen dat dit ongeremde geweld het gevolg was en daar past naar het oordeel van de rechtbank een groter voorwaardelijk strafdeel bij dan geëist.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen opleggen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd (de meldplicht, ambulante behandeling, een alcoholverbod en een locatieverbod).
8. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.