RECHTBANK GELDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[eiser], uit [plaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst
Als derde-partij neemt aan de procedure deel:
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/420
in de zaak tussen
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
(gemachtigden: L.G.H. Nijman en Y.A. Elbousaily).
Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe
(gemachtigden: M. van Betuw en mr. F.A.J. Steenbakkers).
Procesverloop
1. Het college heeft op 6 augustus 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van plagwerkzaamheden in natuurgebied Lampenbroek in Klarenbeek. Het college heeft het door eiser daartegen ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard in de beslissing op bezwaar van 12 december 2024.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiser en de zoon van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van de derde-partij.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
In de voorliggende procedure gaat het om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van plagwerkzaamheden in natuurgebied Lampenbroek in Klarenbeek in de gemeente Voorst. Het college heeft aan de hand van een hydrologische analyse, die ziet op het gehele project rondom de verdrogingsaanpak van natuurgebied Lampenbroek, gemotiveerd dat de uitvoering van de plagwerkzaamheden geen effect heeft op de grondwaterstand bij de percelen van eiser. Eiser heeft weliswaar een hydroloog gesproken die daar anders over denkt, maar deze hydroloog wil zijn naam niet bekend maken en heeft ook geen tegenrapport opgesteld. Het enkele betoog van een onbekende hydroloog is onvoldoende om de onderbouwing die het college aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd te bestrijden.
Daarbij is ook van belang dat de dichtstbijzijnde percelen van eiser op meer dan een kilometer afstand liggen van plaats waar de plagwerkzaamheden plaatsvinden. Deze afstand is te ver van de plagwerkzaamheden om aan te nemen dat eiser daarvan gevolgen van enige betekenis zal ondervinden.
Dit betekent dat het college tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser geen belanghebbende is en zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026
door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.