RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Parketnummer: 05/005842-23
Datum uitspraak : 25 februari 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
Raadsman: mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 86.400,00.
2. De procedure
De rechtbank heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in overleg met partijen beslist de behandeling van de ontnemingsvordering los te koppelen van de strafzaak en gebruik te maken van schriftelijke rondes. De rechtbank heeft in de strafzaak uitspraak gedaan op 4 juli 2024. De griffier heeft per e-mail van 6 oktober 2025 aan de raadsman verzocht het standpunt omtrent de ontnemingsvordering kenbaar te maken.
De verdediging heeft per e-mail van 10 november 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen. Hierop is door de officier van justitie gereageerd per e-mail van 4 december 2025. Er heeft geen tweede schriftelijke ronde plaatsgevonden.
De zaak is vervolgens op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026 onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering, met bepaling dat bij uitblijven van betaling de rechtbank gijzeling zal bevelen voor de duur van 576 dagen. Zij baseert haar vordering op het hierna te noemen rapport, waarin een tweetal (A en B) drugsgerelateerde transacties beschreven worden waarmee veroordeelde het gevorderde voordeel zou hebben behaald.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de rapportage onvoldoende grondslag biedt voor de gevorderde ontneming en subsidiair dat het bedrag gematigd dient te worden. De raadsman heeft aangevoerd dat de chatgesprekken onvoldoende informatie bevatten om te kunnen concluderen dat veroordeelde een deel van de partijen heeft ontvangen en hoeveel dat dan is geweest. Als veroordeelde wel wat heeft ontvangen, is het aannemelijk dat het om 5 kilogram gaat. De gehanteerde kiloprijs in de vordering is te hoog en daarnaast komen er kosten in aanmerking voor aftrek tot een totale hoogte van € 6.800,00.
3. De beoordeling van de vordering
Bij vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2024 is veroordeelde ter zake van (onder meer) het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, B, C en D van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren.
Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit de in dat vonnis gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen door middel van - kort gezegd - het medeplegen van de productie van en handel in harddrugs.
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het voordeel zal worden berekend over de bewezenverklaarde strafbare feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van de ontnemingsvordering is door de politie een berekening wederrechtelijk voordeel (hierna: het rapport) opgesteld. De politie heeft in het rapport per post aangegeven hoeveel voordeel veroordeelde zou hebben genoten. De rechtbank neemt het rapport als uitgangspunt en zal per post beoordelen of veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
In het rapport zijn 2 posten beschreven waaruit veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zou hebben verkregen:
A – 187,2 kilogram MDMA
Uit de chatgesprekken volgt dat op 14 september 2022 een partij van 187,2 kilogram MDMA voor “de organisatie rondom [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ” en voor [veroordeelde] en onder begeleiding van [medeveroordeelde 3] samen met een andere partij (139,732 kilogram) vanuit België naar Nederland werd getransporteerd.
De grondstoffen (300 kilogram van een pre-precursor) voor de productie van 187,2 kilogram MDMA werden via ‘mensen van’ (hierna: toeleveranciers) [veroordeelde] ( [alias] ) aangeleverd. Uit deze 300 kilogram kwam 157 liter (vermoedelijk PMK-olie), die werd omgezet naar 187,2 kilogram MDMA. [medeveroordeelde 1] ( [alias] ) regelde de verdeling en de verkoop van (een deel van) deze partij en had hierover berichtenverkeer met onder andere [medeveroordeelde 3] ( [alias] ) en [veroordeelde] .
[veroordeelde] had contact met [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ( [alias] ) om (een deel van) de geproduceerde MDMA, die op 14 september 2022 aankwam in Doetinchem, op 15 september 2022 op te halen. Uit de berichten kan worden opgemaakt dat de 187,2 kilogram MDMA verdeeld werd tussen verschillende personen/groeperingen, te weten:
- de organisatie rondom [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] ;
- [veroordeelde] ;
- toeleveranciers via [veroordeelde] ;
- anderen (helpers/chauffeur).
Op 14 september 2022 vanaf 13:12 uur hadden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 3] een gesprek over de hoeveelheid en een verdeling van de partij van 187,2 kilogram. [medeveroordeelde 3] : ‘187,20 kg, waarop [medeveroordeelde 1] reageerde met: ‘Geven we 90 terug 5 naar [alias] en 2 is voor [alias] enzo’ Vervolgens stuurde [medeveroordeelde 1] naar [veroordeelde] : ‘90kg gaan naar je mensen terug’, ‘5kg is er voor jou’ en ‘en 90 voor hier’. Wat later stuurt [medeveroordeelde 1] naar [medeveroordeelde 3] : ‘Had 5% met [alias] afgezproken’, ‘Dus 10% van 185 is 18,5’, ‘Daar zit hun deel wat hij moet kringen ook bij’, ‘Heb gezegd dat we die 18 voor hem meteen hier er afhalen’. Daarna zegt [medeveroordeelde 1] : ‘En hen misschien alles al verkocht’.
Op basis van dit berichtenverkeer acht de rechtbank het volgende aannemelijk. Er ging (van de totale productie van 187,2 kilogram) 2 kilogram naar chauffeurs en al 5 kilogram naar [veroordeelde] . De afspraak was dat (van wat over was) 5% van zowel het aandeel van de toeleveranciers als van het aandeel van de groep rondom [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] naar [veroordeelde] ging, dus in totaal 10% van het geheel van (nog) 180 kilogram, dus 18 kilo. Dat de afspraak en praktijk was dat [veroordeelde] van beiden kanten 5% ontving, wordt ook bevestigd in het gesprek van 12 november 2022 12:34 uur tussen [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] , kennelijk over de hierna nader besproken partij B van 186 kilogram, en het bericht daarin van [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] “jij hebt jou 5% van ons en 5% van hun gehad”.
[medeveroordeelde 1] zou er 18 af halen voor [veroordeelde] . Op die manier bleef voor de leveranciers van hun aandeel van 90 kilo 81 kilogram over (90 minus 9 kilogram). Vanuit de kant van [medeveroordeelde 1] had [veroordeelde] al uit het totaal van 187,2 de eerste 5 kilogram gekregen. Van de overige 90 kilogram, het aandeel van de groep [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ging nog 4 kilogram naar [veroordeelde] . Voor de organisatie van [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] bleef daardoor 86 kilogram over. Op deze manier ontving [veroordeelde] 18 kilogram in totaal van deze productie, als zijn aandeel van 10% (2 x 5%) van de 180 kilogram.
Op 14 september 2022 werd een aantal berichten gestuurd over de waarde van de MDMA op dat moment. [medeveroordeelde 1] vroeg aan [alias] ( [medeveroordeelde 2] ): ‘Waar staat de m op’. Waarop [medeveroordeelde 2] antwoordde: ‘26 en 25 op aantallen’. [medeveroordeelde 1] heeft hierover ook contact met [veroordeelde] en zegt dat het 25 of 26 is, ligt eraan hoe mooi en hoeveel. De rechtbank acht het op basis van dit berichtenverkeer aannemelijk dat op het moment van de verkoop van deze partij MDMA, de prijs € 2.500 per kilo was. Dat er in de jurisprudentie andere bedragen worden genoemd, zoals door de verdediging aangevoerd, doet daar niet aan af. De prijs van MDMA fluctueert en wat hierover in de chatberichten is gezegd rondom de daadwerkelijke verkoop, is leidend.
Voor [veroordeelde] geldt daarom een opbrengst van 18 kilogram x € 2.500,00 = € 45.000,00.
B – 186 kilogram MDMA
Uit gesprekken vanaf 14 september 2022 tot en met 3 november 2022 (proces-verbaal nr. 1242) volgt dat met een nieuwe hoeveelheid (pre-)precursor (“p-poeder”), aangeleverd door [veroordeelde] , nieuwe MDMA werd gedraaid.
Uit proces-verbaal 1494 maakt de rechtbank, samengevat, op dat:
De rechtbank leidt uit het berichtenverkeer af dat er 186 kilogram MDMA is geproduceerd en baseert dat met name op de berichten dat er 325 kilogram (pre-)precursor was aangeleverd, dat daar in de loop van het proces eerst 101,45 kilogram uit was gekomen en dat de overige 68 liter nog gedraaid moest worden. Het eindresultaat was volgens [veroordeelde] 186 kilogram. Vanwege de opvolgende chats en de bij elkaar aansluitende hoeveelheden, acht de rechtbank het aannemelijk dat er 186 kilogram MDMA is geproduceerd.
Uit de chats volgt vervolgens dat er opnieuw 5% (aan beide kanten) naar [veroordeelde] ging: op 12 november 2022 stuurde [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] : ‘Jij hebt jou 5% van ons en 5% van hun gehad’.
Naar beneden afgerond zou dit nu ook (net als bij de onder A besproken partij van 187,2 kilogram) 18 kilogram zijn. Er resteerde dan nog 168 (186-18) kilogram. Bij een verdeling van de partij in tweeën, was voor de groepering rond [medeveroordeelde 1] en voor de toeleveranciers van de precursoren elk 84 (168/2) kilogram over. Dit kwam overeen met het bericht van [veroordeelde] dat ze 84 terug hadden gekregen. Daarom wordt bij de partij van 186 kilogram uitgegaan van de volgende verdeling: 84 kilogram voor de organisatie [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] , 84 kilogram voor de toeleveranciers en 18 kilogram voor [veroordeelde] .
Gelet op het bericht van [medeveroordeelde 1] op 12 oktober 2022 dat de ‘m’ op 23 zat, acht de rechtbank het aannemelijk dat de waarde op dat moment € 2.300,00 per kilogram was.
Voor [veroordeelde] komt de opbrengst daarmee op 18 x € 2.300,00 = € 41.400,00.
[veroordeelde] was bemiddelaar tussen de toeleveranciers van de precursoren en de groepering rond [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] die de productie regelde. Dat er productiekosten waren voor [veroordeelde] die voor aftrek in aanmerking zouden komen, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, is niet gebleken. De productiekosten zijn voor de partij die geproduceerd heeft wel aftrekbaar. [veroordeelde] kreeg voor zijn bemiddelende rol van beide kanten een deel van de opbrengst. Er is niet gebleken dat [veroordeelde] kosten had die voor aftrek in aanmerking komen.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van voornoemde is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 86.400,00 en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Duur gijzeling
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het meest recente LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1095 dagen.
4. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 86.400,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 864 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. Bonder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2026.